| Vastst./Wijz datum | Bron | Nummer | Wijz. t.a.v. | Inwerkingtr. datum |
| 12-12-97 | Stb. | 727 | 30-12-97 |
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet:
Wet vervoer gevaarlijke stoffen;
b. ontplofbare stoffen en voorwerpen:
ontplofbare stoffen en voorwerpen aangewezen bij of krachtens het Besluit
vervoer gevaarlijke stoffen;
c. tactische voertuigen:
voertuigen ingericht voor het uitvoeren van de operationele taak;
d. logistieke voertuigen:
voertuigen ingericht voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen;
e. Onze Minister:
Onze Minister van Defensie.
1. Het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, met ontplofbare stoffen en voorwerpen is toegestaan, mits:
2. Het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, met ontplofbare stoffen en voorwerpen is voorts toegestaan, voor zover het betreft:
3. De in het tweede lid bedoelde handelingen moeten met de vereiste behoedzaamheid geschieden op een wijze die in overeenstemming is met de gevaarzetting van de ontplofbare stoffen en voorwerpen.
Indien bij het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met een voertuig voor het kruisen van een binnenwater gebruik wordt gemaakt van een vaartuig, zijn ten aanzien van dit vervoer uitsluitend van toepassing de bij of krachtens dit besluit met betrekking tot het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met een voertuig gegeven voorschriften.
1. Tactische voertuigen moeten zijn voorzien van deugdelijke inrichtingen voor het vastzetten of opbergen van de ontplofbare stoffen of voorwerpen.
2. In tactische voertuigen moeten handbrandblusmiddelen of een vaste brandblusinrichting aanwezig zijn.
3. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van de constructie, inrichting en uitrusting van tactische voertuigen.
1. Logistieke voertuigen moeten zijn voorzien van een van de bestuurderscabine afgescheiden laadruimte, die is gesloten dan wel is voorzien van een dekzeil vervaardigd van waterdicht en moeilijk brandbaar materiaal.
2. Logistieke voertuigen moeten zijn uitgerust met een verbrandingsmotor met compressieontsteking.
3. In logistieke voertuigen moeten aanwezig zijn:
4. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van de constructie, inrichting en uitrusting van logistieke voertuigen.
1. In tactische en logistieke voertuigen moet een geldig militair keuringsdocument aanwezig zijn.
2. Een militair keuringsdocument wordt door Onze Minister afgegeven, indien het tactische voertuig of het logistieke voertuig bij een door Onze Minister verrichte keuring heeft voldaan aan de eisen die bij of krachtens dit besluit voor dat voertuig zijn gesteld.
1. Een militair keuringsdocument is geldig voor de duur van een jaar.
2. De geldigheidsduur van een militair keuringsdocument vangt aan met ingang van de dag van afgifte daarvan.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inrichting van het militair keuringsdocument.
1. Ontplofbare stoffen en voorwerpen moeten zijn verpakt in bij ministeriële regeling aan te wijzen typen verpakkingen.
2. Het in het eerste lid gestelde geldt niet voor ontplofbare voorwerpen waarvan de constructie zodanig robuust en stevig is, dat verpakking uit een oogpunt van gevaarzetting niet nodig is danwel indien verpakking redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
1. De verpakkingen moeten op een zodanige wijze zijn vervaardigd en gesloten, dat onder normale vervoersomstandigheden elk verlies van de inhoud, ten gevolge van trillingen of van verandering van temperatuur, vochtigheid of druk, is uitgesloten.
2. De verpakkingen, met inbegrip van de sluitingen, moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken.
3. De gedeelten van de verpakkingen, die in direct contact staan met de ontplofbare stoffen mogen niet door chemische of andere inwerking van deze stoffen worden aangetast.
4. De voor opvulling van de verpakking dienende stoffen mogen geen schadelijke of gevaarlijke verbindingen kunnen vormen met de ontplofbare stoffen of voorwerpen.
5. De verpakkingen moeten voorts voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.
1. Verpakkingen moeten zijn voorzien van een door Onze Minister afgegeven geldig militair beproevingsrapport.
2. Een militair beproevingsrapport wordt afgegeven, indien de verpakking bij een door Onze Minister verrichte keuring heeft voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inrichting van het militair beproevingsrapport.
1. De verpakkingen moeten zijn voorzien van bij ministeriële regeling aan te wijzen aanduidingen en aanwijzingen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de aanduidingen en aanwijzingen en aan de plaats waarop de aanduidingen en aanwijzingen op de verpakkingen moeten worden aangebracht.
Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit worden de militaire keuringsdocumenten en de militaire beproevingsrapporten die zijn afgegeven ingevolge artikel 6 onderscheidenlijk ingevolge artikel 10 van Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht, aangemerkt als militaire keuringsdocumenten en militaire beproevingsrapporten die zijn afgegeven ingevolge artikel 6 onderscheidenlijk ingevolge artikel 10 van dit besluit.
Artikel 11 geldt voor ontplofbare stoffen en voorwerpen, die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verpakt, met ingang 1 augustus 2001.
Het Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht wordt ingetrokken.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht.
Dit besluit vormt een uitwerking van artikel 8 van de Wet vervoer gevaarlijke
stoffen (WVGS) en vervangt het Reglement Ontploffingsgevaarlijke Stoffen
Krijgsmacht, dat was gebaseerd op de Wet Gevaarlijke Stoffen (WGS). De Wet
Gevaarlijke Stoffen ging uit van een systeem, waarbij voor alle handelingen met
ontploffingsgevaarlijke stoffen in die wet genoemd en verricht ten behoeve van
de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid
specifiek op het militair vervoer betrekking hebbende voorschriften konden
worden gegeven. Deze voor een belangrijk deel van de civiele voorschriften
afwijkende voorschriften waren opgenomen in het Reglement
Ontploffingsgevaarlijke Stoffen Krijgsmacht (ROSK). Sinds de totstandkoming van
de Wet Gevaarlijke Stoffen en het Reglement Ontploffingsgevaarlijke Stoffen
Krijgsmacht is het beleid op dit punt gewijzigd. Als gevolg daarvan gaat het
systeem van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen er van uit dat het militaire
vervoer van gevaarlijke stoffen aan dezelfde voorschriften is onderworpen als
het niet-militaire vervoer. Zoals in de toelichting op de wet al is uiteengezet,
kunnen slechts voor bepaalde aspecten van het militaire vervoer van ontplofbare
stoffen en voorwerpen, in verband met de operationele taakuitoefening van de
krijgsmacht, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van
Onze Minister van Defensie eigen regels worden gegeven.
In dit besluit is daaraan invulling gegeven ten aanzien van eisen met betrekking
tot de constructie, inrichting en uitrusting van vervoermiddelen, waarmee
ontplofbare stoffen en voorwerpen worden vervoerd, de keuring van die
vervoermiddelen, eisen met betrekking tot de verpakking van de ontplofbare
stoffen en voorwerpen, met inbegrip van de daarbij behorende inrichting of
uitrusting en het testen of keuren daarvan en aanduidingen of aanwijzingen op de
verpakking. Voor het overige gelden de regels die bij of krachtens het Besluit
vervoer gevaarlijke stoffen zijn gesteld.
Niet slechts als gevolg van de gemaakte beleidskeuze dat in beginsel wordt
aangesloten bij de voorschriften voor het niet-militaire vervoer, maar ook als
gevolg van de keuzes die in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zijn gemaakt,
vertoont dit besluit belangrijke wijzigingen ten opzichte van het ROSK.
Ten eerste heeft dit besluit uitsluitend betrekking op de vervoershandelingen,
genoemd in artikel 2, eerste lid van de wet. Deze vervoershandelingen zijn het
vervoeren, het ten vervoer aanbieden en aannemen, het laten staan of laten
liggen van een vervoermiddel, waarin of waarop zich ontplofbare stoffen of
voorwerpen of resten daarvan bevinden, het laden en lossen en het nederleggen
van ontplofbare stoffen en voorwerpen tijdens het vervoer.
Ten tweede is dit besluit nu ook van toepassing op andere krijgsmachten dan de
krijgsmachten van een bondgenootschappelijke mogendheid. De wijziging van de
term «bondgenootschappelijke mogendheid» in «andere mogendheid» is noodzakelijk
als gevolg van het door de NAVO met een aantal niet-NAVO landen overeengekomen
samenwerkingsprogramma «Partnership for Peace». Gemeenschappelijke
oefeningen voor vredesbewarende operaties zullen ook in Nederland worden
gehouden, zodat de regels die gelden voor de Nederlandse krijgsmacht en de
bondgenoten, ook voor de bij het samenwerkingsprogramma toegelaten
niet-bondgenoten zullen moeten gelden.
Dit besluit is van toepassing op vervoershandelingen met vervoermiddelen die in
eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder verantwoordelijkheid van de
krijgsmacht. Het betreft dan met name voertuigen. Voor vaartuigen zullen in
beginsel de civiele voorschriften gelden. Defensie beschikt ook over eigen
treinwagons, maar niet over locomotieven. Zoals uit de memorie van toelichting
bij de WVGS blijkt dient onder een vervoermiddel dat zich langs spoorstaven
beweegt te worden verstaan een trein in zijn geheel, dat wil zeggen locomotief
en wagens. Dit betekent dat Defensie geen vervoermiddelen per spoor in eigendom
heeft. Daarnaast blijkt uit de memorie van toelichting dat ingevolge het COTIF
(Convention relative aux transports internationaux ferroviaires, Bern 1980, Trb.
1980, 160) het vervoer per spoor, ook indien dit militaire goederen betreft die
worden vervoerd met wagens die in eigendom toebehoren aan de krijgsmacht,
plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de spoorwegmaatschappij. Dit betekent
dat er in dit kader voor Defensie geen specifieke regels worden gesteld voor het
vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met treinen.
Beleidslasten
De doelstelling van de WVGS is het bevorderen van de openbare veiligheid bij het
vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor het militaire vervoer van gevaarlijke
stoffen wordt dit bereikt doordat in beginsel de voorschriften, die voor het
civiele vervoer worden gesteld, gelden. Slechts voor zover dit noodzakelijk is
in verband met de operationele taakuitoefening zijn afwijkende voorschriften
voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen gesteld. Omdat ingevolge
de WGS voor het militaire vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan ontplofbare
stoffen en voorwerpen de civiele voorschriften reeds golden, is er op dit punt
geen toename van beleidslasten voor Defensie. Omdat ruim voor de
inwerkingtreding van de WVGS binnen Defensie de beleidslijn tot voor het
militaire vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen zo veel mogelijk
aansluiten bij de civiele voorschriften reeds was ingezet, zijn de beleidslasten
als gevolg van deze aansluiting beperkt. Voor de bij of krachtens dit besluit
gegeven voorschriften is enerzijds aangesloten bij datgene dat in NAVO-verband
is afgesproken en anderzijds bij de binnen Defensie geldende voorschriften. Zo
wordt voor de periodieke keuringen van voertuigen en de keuringen van
verpakkingen gebruik gemaakt van de binnen Defensie reeds bestaande
voorzieningen. Slechts op het onderdeel aanduidingen op de verpakkingen is
sprake van een toename van de beleidslasten voor Defensie. Ten einde deze
beleidslasten zo veel mogelijk te spreiden, is enerzijds gekozen voor een
overgangstermijn van vijf jaar en anderzijds voor een verschuiving binnen de
financiële prioriteiten. Samenvattend is voor Defensie sprake van een beperkte
toename van beleidslasten, die binnen de bestaande begroting wordt opgevangen.
Handhaving
Evenals onder de WGS geschiedt handhaving van de voor het militaire vervoer
geldende voorschriften in beginsel door het Korps militaire controleurs
gevaarlijke stoffen. Gezien het feit dat het in hoofdzaak gaat om bestendiging
van de bestaande situatie, waarin al voor een groot deel wordt voldaan aan de
civiele voorschriften, zijn geen knelpunten in de handhaving te verwachten.
Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 8, eerste lid, van de wet. In het
eerste lid is de basis opgenomen op grond waarvan het verrichten van
vervoershandelingen met ontplofbare stoffen en voorwerpen is toegestaan. Daartoe
dient aan twee voorwaarden te worden voldaan. In de eerste plaats dienen de bij
of krachtens dit besluit of het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen gestelde
voorschriften in acht te worden genomen. De toevoeging van het Besluit vervoer
gevaarlijke stoffen dient om zeker te stellen dat, wanneer bij het verrichten
van de vervoershandelingen met ontplofbare stoffen en voorwerpen de civiele
voorschriften worden gevolgd, dit vanzelfsprekend ook is toegestaan. In de
tweede plaats dienen de vervoershandelingen te geschieden in opdracht van een
Nederlandse militaire autoriteit of van een militaire autoriteit van een andere
mogendheid. Door middel van dit opdrachtvereiste wordt duidelijk gemaakt in
welke gevallen er sprake is van vervoershandelingen verricht met of ten aanzien
van vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de
verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere
mogendheid. In het tweede lid van dit artikel is een opsomming gegeven van die
handelingen, die naar hun aard in aanmerking komen voor vrijstelling van de
voorschriften krachtens artikel 8 van de WVGS. De opsomming is ontleend aan de
opsomming van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen en is beperkt tot die
onderdelen van de opsomming die voor Defensie van belang zijn. De in onderdeel
b. opgenomen bevoegdheid wordt ontleend aan de Wet wapens en munitie.
Blijkens de memorie van toelichting bij deze wet valt onder krijgsmacht niet
alleen de Nederlandse, maar ook die van buitenlandse mogendheden die zich in
Nederland bevinden.
In dit artikel is geregeld dat indien bij het vervoer met een voertuig voor het kruisen van een binnenwater gebruik wordt gemaakt van een vaartuig, op dat vervoer uitsluitend de voorschriften voor het vervoer met een voertuig van toepassing zijn en niet tevens de voorschriften voor het vervoer met een vaartuig. Zoals in de toelichting op artikel 2 al is uiteengezet, kunnen de voorschriften voor het vervoer met een voertuig betreffen de voorschriften gesteld bij of krachtens dit besluit of bij of krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen.
Tactische voertuigen zijn gevechtsvoertuigen, die zijn bestemd voor de inzet bij de operationele taakuitoefening van de krijgsmacht. De constructie, inrichting en uitrusting van deze voertuigen is dan ook geheel afgestemd op deze inzet. Voorbeelden van tactische voertuigen zijn gevechtstanks en (zelfvoortbewegende) wapensystemen. Onderdeel van de operationele taakuitoefening is het handhaven van de operationele inzetbaarheid door middel van het houden van oefeningen. In het kader van deze oefeningen wordt bijvoorbeeld oefenmunitie (die ook ontplofbare stof bevat) meegenomen. Ter waarborging van de openbare veiligheid worden evenals in de civiele voorschriften eisen gesteld aan de voertuigen. Zo wordt in het eerste lid van dit artikel bepaald dat tactische voertuigen moeten zijn voorzien van deugdelijke inrichtingen voor het vastzetten of opbergen van de ontplofbare stoffen of voorwerpen. Dit voorschrift dient om te voorkomen dat tijdens het vervoer de lading kan schuiven. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat in de tactische voertuigen een brandblusvoorziening aanwezig moet zijn. Het derde lid ten slotte geeft de Minister van Defensie de mogelijkheid extra eisen te stellen aan de constructie, inrichting en uitrusting van het voertuig gerelateerd aan het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen. Hierbij kan voor de verschillende soorten tactische voertuigen aan verschillende eisen worden gedacht. Als uitgangspunt voor deze eisen zullen dienen de binnen Defensie geldende eisen bij de aanschaf van tactische voertuigen. De mate waarin – in dit kader – extra eisen zullen worden gesteld, is afhankelijk van het type tactisch voertuig.
Logistieke voertuigen zijn voertuigen die zijn ingericht voor het vervoeren
van lading. Een voorbeeld van een logistiek voertuig is een militaire
vrachtauto. Ook voor deze voertuigen geldt dat zij worden ingezet voor de
uitoefening van de operationele taakuitvoering. Bij de aanschaf van deze
voertuigen is bepalend dat zij voor die inzet geschikt zijn. Eisen ten aanzien
van constructie, inrichting en uitrusting zijn derhalve daarop afgestemd. Op het
moment dat deze voertuigen bijvoorbeeld als onderdeel van een
veldartillerie-eenheid worden ingezet bij een oefening, worden ontplofbare
stoffen en voorwerpen vervoerd. Dit betekent dat in het belang van de openbare
veiligheid eisen aan deze voertuigen worden gesteld. Voor de in het eerste lid
van dit besluit opgenomen eis dat de bestuurderscabine afgesloten dient te zijn
van de laadruimte is aangesloten bij de civiele voorschriften op dit punt.
Datzelfde geldt voor de in het tweede en het derde lid opgenomen eisen. Het
vierde lid van dit artikel geeft de Minister van Defensie de mogelijkheid nog
extra eisen te stellen ten aanzien van de constructie, inrichting en uitrusting,
die voor de verschillende typen logistieke voertuigen verschillend kunnen worden
gesteld. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen met betrekking tot de
plaatsing van de uitlaat ten opzichte van het brandstofreservoir. Ten slotte zij
nog opgemerkt dat, passend binnen het gekozen beleid, op een specifiek logistiek
voertuig de civiele voorschriften geheel zullen worden toegepast, indien dit
voertuig aan deze eisen kan voldoen.
Teneinde zeker te stellen dat het voertuig voldoet en blijft voldoen aan de in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen gestelde eisen, dient het voertuig periodiek te worden gekeurd. Ten bewijze van goedkeuring wordt een keuringsdocument afgegeven. Voor deze keuringen zal in die zin worden aangesloten bij het binnen Defensie bestaande onderhoudsschema voor de tactische en logistieke voertuigen, dat éénmaal per jaar bij de te verrichten onderhoudswerkzaamheden het betreffende voertuig tevens zal worden gecontroleerd op de eisen ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Indien blijkt dat het voertuig niet voldoet aan de gestelde eisen, wordt geen keuringsdocument afgegeven en mag het betreffende voertuig niet worden gebruikt voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen. Voor de term keuringsdocument en de periodiciteit van de keuringen is aangesloten bij de civiele voorschriften.
Overeenkomstig de civiele voorschriften moeten ontplofbare stoffen en voorwerpen verpakt worden vervoerd. Daartoe kunnen verschillende typen verpakkingen worden gebruikt. Omdat het hierbij gaat om zeer gedetailleerde voorschriften, die naar aanleiding van internationale afspraken regelmatig worden aangepast, worden deze typen bij ministeriële regeling voorgeschreven. Het betreft hier onder meer de voor bepaalde munitie-soorten speciaal ontworpen transport- en opslagcontainers, die niet zijn begrepen in de civiele voorschriften. Het eerste lid van dit artikel biedt daartoe de grondslag. Het tweede lid van dit artikel regelt de gevallen waarin het verpakt vervoeren van ontplofbare voorwerpen niet vereist is. In de eerste plaats gaat het daarbij om die gevallen waarin het onverpakt vervoeren geen gevaar voor de openbare veiligheid oplevert. Daarvan is sprake wanneer de ontplofbare voorwerpen van een robuuste en stevige constructie zijn, zoals bijvoorbeeld groot kaliber granaten. In de tweede plaats gaat het daarbij om situaties waarin het verpakt vervoeren van ontplofbare voorwerpen redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij het vervoeren van ontplofbare voorwerpen in tactische voertuigen tijdens een oefening. In een dergelijke situatie dienen de ontplofbare voorwerpen «gebruiksklaar» te zijn. Voorts is daarvan sprake bij bepaalde, in NAVO-verband gestandaardiseerde, geleide wapens waarvoor de lanceerinrichting, waarin zij zich bevinden, tevens dient als beschermhouder bij de opslag en vervoer van het wapen. Hoewel de lanceerinrichting mede is ontworpen en beproefd om als veilige verpakking voor het wapen te dienen, kan zij, als integraal onderdeel van het geheel, niet afzonderlijk als verpakking worden aangemerkt. Hoewel formeel een verpakking ontbreekt, wordt in de praktijk geheel aan de openbare veiligheidsfunctie en -eisen daarvan voldaan. Vanuit dit oogpunt gezien is het vereisen van een aanvullende verpakking onnodig en kan zij, mede gezien het belang van handhaving van de in NAVO-verband overeengekomen standaardisatie, redelijkerwijs niet worden gevergd.
De in het eerste tot en met het vierde lid opgenomen algemene verpakkingseisen komen grotendeels overeen met de civiele algemene verpakkingseisen. Daarnaast zullen eisen worden gesteld aan de verpakkingen die zijn gebaseerd op de in NAVO-verband overeengekomen verpakkingseisen. Deze NAVO-eisen komen in algemene zin overeen met of zijn gelijkwaardig aan de civiele verpakkingseisen, maar zijn in sommige gevallen strenger. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de valproef. Ingevolge de civiele eisen moeten bepaalde verpakkingen een valproef vanaf een hoogte van 1,2 meter doorstaan. Ingevolge de NAVO-eisen is deze hoogte vastgesteld op 1,5 meter. Gezien het feit dat het gaat om zeer gedetailleerde voorschriften, ligt regeling door de minister in de rede. Het vijfde lid biedt daartoe de basis.
Teneinde zeker te stellen dat de verpakkingen aan de gestelde eisen voldoen, dienen de verpakkingen, overeenkomstig de civiele voorschriften, eenmalig aan een keuring te worden onderworpen. Voor de uitvoering van deze keuringen is aangesloten bij de bestaande praktijk. De keuringen worden verricht door de afdeling Beproevingen van het Ministerie van Defensie.
De aanduidingen en aanwijzingen op de verpakkingen van ontplofbare stoffen en voorwerpen moeten enerzijds voldoen aan NAVO-voorschriften en anderzijds aan de civiele voorschriften. In de eerste plaats gaat het hierbij om aanduidingen en aanwijzingen ter identificatie van de inhoud en van de gevaarzetting. Het eerste lid van dit artikel biedt daartoe de basis. In de tweede plaats zijn er voorschriften omtrent de afmetingen van de aanduidingen en aanwijzingen, de plaats waarop de aanduiding en de aanwijzing moeten worden aangebracht en de taal waarin de aanduiding en aanwijzing moeten zijn gesteld. Hiertoe biedt het tweede lid de basis. Omdat het hier gaat om zeer technische voorschriften is in regeling door de minister voorzien.
Defensie beschikt over zeer grote voorraden ontplofbare stoffen en voorwerpen. Deze voorraden voldoen reeds aan de NAVO-voorschriften omtrent aanduidingen en aanwijzingen op de verpakking. Teneinde ook aan de civiele voorschriften op dit punt te voldoen, dienen deze voorraden opnieuw van aanduidingen en aanwijzingen te worden voorzien, hetgeen buitengewoon tijdrovend en arbeidsintensief is. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het halen van de voorraden uit de bunkers, het transporteren, het aanbrengen van aanvullende aanduidingen en aanwijzingen, het terugplaatsen van de voorraden in de bunkers en de bijbehorende administratieve werkzaamheden. Teneinde de krijgsmachtdelen de gelegenheid te geven deze werkzaamheden te verrichten naast de normale werkzaamheden, is een overgangstermijn van vijf jaar noodzakelijk.