Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht

Vastst./Wijz datum  Bron  Nummer  Wijz. t.a.v.  Inwerkingtr. datum
12-12-97 Stb. 727 30-12-97

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet:
Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

b. ontplofbare stoffen en voorwerpen:
ontplofbare stoffen en voorwerpen aangewezen bij of krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen;

c. tactische voertuigen:
voertuigen ingericht voor het uitvoeren van de operationele taak;

d. logistieke voertuigen:
voertuigen ingericht voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen;

e. Onze Minister:
Onze Minister van Defensie.

Artikel 2

1. Het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, met ontplofbare stoffen en voorwerpen is toegestaan, mits:

  1. dit geschiedt in opdracht van een bevoegde Nederlandse militaire autoriteit dan wel van een bevoegde autoriteit van de krijgsmacht van een andere mogendheid, en
  2. de bij of krachtens dit besluit of het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht zijn genomen.

2. Het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, met ontplofbare stoffen en voorwerpen is voorts toegestaan, voor zover het betreft:

  1. handelingen door ambtenaren als bedoeld in de artikelen 34, tweede lid, en 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet, voor zover verricht in de uitoefening van hun bij of krachtens de wet opgedragen taak;
  2. handelingen door personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn bij de krijgsmacht en die in de uitoefening van hun beroep of functie uit hoofde daarvan bevoegd zijn tot het dragen van wapens, met ontplofbare stoffen, behorende tot de uitrusting van die personen;
  3. handelingen door ambtenaren werkzaam bij de onder Onze Minister ressorterende opruimingsdiensten van explosieven ten behoeve van het ruimen van ontploffingsgevaarlijke stoffen.

3. De in het tweede lid bedoelde handelingen moeten met de vereiste behoedzaamheid geschieden op een wijze die in overeenstemming is met de gevaarzetting van de ontplofbare stoffen en voorwerpen.

Artikel 3

Indien bij het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met een voertuig voor het kruisen van een binnenwater gebruik wordt gemaakt van een vaartuig, zijn ten aanzien van dit vervoer uitsluitend van toepassing de bij of krachtens dit besluit met betrekking tot het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met een voertuig gegeven voorschriften.

Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen

§ 1. Eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting

Artikel 4

1. Tactische voertuigen moeten zijn voorzien van deugdelijke inrichtingen voor het vastzetten of opbergen van de ontplofbare stoffen of voorwerpen.

2. In tactische voertuigen moeten handbrandblusmiddelen of een vaste brandblusinrichting aanwezig zijn.

3. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van de constructie, inrichting en uitrusting van tactische voertuigen.

Artikel 5

1. Logistieke voertuigen moeten zijn voorzien van een van de bestuurderscabine afgescheiden laadruimte, die is gesloten dan wel is voorzien van een dekzeil vervaardigd van waterdicht en moeilijk brandbaar materiaal.

2. Logistieke voertuigen moeten zijn uitgerust met een verbrandingsmotor met compressieontsteking.

3. In logistieke voertuigen moeten aanwezig zijn:

  1. ten minste één draagbaar brandblusapparaat met een capaciteit van tenminste 2 kg poeder en geschikt om een brand in de motor of in de bestuurderscabine te bestrijden;
  2. ten minste één brandblusapparaat met een capaciteit van tenminste 6 kg poeder en geschikt om een brand van de banden, van de remmen of van de lading te bestrijden. Indien het een logistiek voertuig betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg dient de capaciteit van het brandblusapparaat tenminste 2 kg poeder te zijn;
  3. een tas met gereedschappen voor het uitvoeren van eventuele reparaties onderweg;
  4. tenminste één stophout(-blok), waarvan de afmetingen aan de massa van het voertuig en de doorsnede van de wielen zijn aangepast;
  5. twee oranje lichten of knipperlichten, die onafhankelijk van de elektrische installatie van het voertuig in werking kunnen worden gesteld;
  6. een uitrusting geschikt voor het verrichten van zodanige werkzaamheden van eerste hulp dat de bij de te vervoeren ontplofbare stoffen of voorwerpen behorende veiligheidsinstructies kunnen worden opgevolgd.

4. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van de constructie, inrichting en uitrusting van logistieke voertuigen.

§ 2. Keuring

Artikel 6

1. In tactische en logistieke voertuigen moet een geldig militair keuringsdocument aanwezig zijn.

2. Een militair keuringsdocument wordt door Onze Minister afgegeven, indien het tactische voertuig of het logistieke voertuig bij een door Onze Minister verrichte keuring heeft voldaan aan de eisen die bij of krachtens dit besluit voor dat voertuig zijn gesteld.

Artikel 7

1. Een militair keuringsdocument is geldig voor de duur van een jaar.

2. De geldigheidsduur van een militair keuringsdocument vangt aan met ingang van de dag van afgifte daarvan.

3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inrichting van het militair keuringsdocument.

§ 3. Eisen ten aanzien van de verpakking

Artikel 8

1. Ontplofbare stoffen en voorwerpen moeten zijn verpakt in bij ministeriële regeling aan te wijzen typen verpakkingen.

2. Het in het eerste lid gestelde geldt niet voor ontplofbare voorwerpen waarvan de constructie zodanig robuust en stevig is, dat verpakking uit een oogpunt van gevaarzetting niet nodig is danwel indien verpakking redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Artikel 9

1. De verpakkingen moeten op een zodanige wijze zijn vervaardigd en gesloten, dat onder normale vervoersomstandigheden elk verlies van de inhoud, ten gevolge van trillingen of van verandering van temperatuur, vochtigheid of druk, is uitgesloten.

2. De verpakkingen, met inbegrip van de sluitingen, moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken.

3. De gedeelten van de verpakkingen, die in direct contact staan met de ontplofbare stoffen mogen niet door chemische of andere inwerking van deze stoffen worden aangetast.

4. De voor opvulling van de verpakking dienende stoffen mogen geen schadelijke of gevaarlijke verbindingen kunnen vormen met de ontplofbare stoffen of voorwerpen.

5. De verpakkingen moeten voorts voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel 10

1. Verpakkingen moeten zijn voorzien van een door Onze Minister afgegeven geldig militair beproevingsrapport.

2. Een militair beproevingsrapport wordt afgegeven, indien de verpakking bij een door Onze Minister verrichte keuring heeft voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen.

3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inrichting van het militair beproevingsrapport.

§ 4. Aanduidingen en aanwijzingen op de verpakking

Artikel 11

1. De verpakkingen moeten zijn voorzien van bij ministeriële regeling aan te wijzen aanduidingen en aanwijzingen.

2. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de aanduidingen en aanwijzingen en aan de plaats waarop de aanduidingen en aanwijzingen op de verpakkingen moeten worden aangebracht.

Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit worden de militaire keuringsdocumenten en de militaire beproevingsrapporten die zijn afgegeven ingevolge artikel 6 onderscheidenlijk ingevolge artikel 10 van Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht, aangemerkt als militaire keuringsdocumenten en militaire beproevingsrapporten die zijn afgegeven ingevolge artikel 6 onderscheidenlijk ingevolge artikel 10 van dit besluit.

Artikel 13

Artikel 11 geldt voor ontplofbare stoffen en voorwerpen, die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verpakt, met ingang 1 augustus 2001.

Artikel 14

Het Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht wordt ingetrokken.

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 16

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht.


Toelichting

Algemeen

Dit besluit vormt een uitwerking van artikel 8 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) en vervangt het Reglement Ontploffingsgevaarlijke Stoffen Krijgsmacht, dat was gebaseerd op de Wet Gevaarlijke Stoffen (WGS). De Wet Gevaarlijke Stoffen ging uit van een systeem, waarbij voor alle handelingen met ontploffingsgevaarlijke stoffen in die wet genoemd en verricht ten behoeve van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid specifiek op het militair vervoer betrekking hebbende voorschriften konden worden gegeven. Deze voor een belangrijk deel van de civiele voorschriften afwijkende voorschriften waren opgenomen in het Reglement Ontploffingsgevaarlijke Stoffen Krijgsmacht (ROSK). Sinds de totstandkoming van de Wet Gevaarlijke Stoffen en het Reglement Ontploffingsgevaarlijke Stoffen Krijgsmacht is het beleid op dit punt gewijzigd. Als gevolg daarvan gaat het systeem van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen er van uit dat het militaire vervoer van gevaarlijke stoffen aan dezelfde voorschriften is onderworpen als het niet-militaire vervoer. Zoals in de toelichting op de wet al is uiteengezet, kunnen slechts voor bepaalde aspecten van het militaire vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen, in verband met de operationele taakuitoefening van de krijgsmacht, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Defensie eigen regels worden gegeven.
In dit besluit is daaraan invulling gegeven ten aanzien van eisen met betrekking tot de constructie, inrichting en uitrusting van vervoermiddelen, waarmee ontplofbare stoffen en voorwerpen worden vervoerd, de keuring van die vervoermiddelen, eisen met betrekking tot de verpakking van de ontplofbare stoffen en voorwerpen, met inbegrip van de daarbij behorende inrichting of uitrusting en het testen of keuren daarvan en aanduidingen of aanwijzingen op de verpakking. Voor het overige gelden de regels die bij of krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen zijn gesteld.
Niet slechts als gevolg van de gemaakte beleidskeuze dat in beginsel wordt aangesloten bij de voorschriften voor het niet-militaire vervoer, maar ook als gevolg van de keuzes die in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zijn gemaakt, vertoont dit besluit belangrijke wijzigingen ten opzichte van het ROSK.
Ten eerste heeft dit besluit uitsluitend betrekking op de vervoershandelingen, genoemd in artikel 2, eerste lid van de wet. Deze vervoershandelingen zijn het vervoeren, het ten vervoer aanbieden en aannemen, het laten staan of laten liggen van een vervoermiddel, waarin of waarop zich ontplofbare stoffen of voorwerpen of resten daarvan bevinden, het laden en lossen en het nederleggen van ontplofbare stoffen en voorwerpen tijdens het vervoer.
Ten tweede is dit besluit nu ook van toepassing op andere krijgsmachten dan de krijgsmachten van een bondgenootschappelijke mogendheid. De wijziging van de term «bondgenootschappelijke mogendheid» in «andere mogendheid» is noodzakelijk als gevolg van het door de NAVO met een aantal niet-NAVO landen overeengekomen samenwerkingsprogramma «Partnership for Peace». Gemeenschappelijke  oefeningen voor vredesbewarende operaties zullen ook in Nederland worden gehouden, zodat de regels die gelden voor de Nederlandse krijgsmacht en de bondgenoten, ook voor de bij het samenwerkingsprogramma toegelaten niet-bondgenoten zullen moeten gelden.

Dit besluit is van toepassing op vervoershandelingen met vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder verantwoordelijkheid van de krijgsmacht. Het betreft dan met name voertuigen. Voor vaartuigen zullen in beginsel de civiele voorschriften gelden. Defensie beschikt ook over eigen treinwagons, maar niet over locomotieven. Zoals uit de memorie van toelichting bij de WVGS blijkt dient onder een vervoermiddel dat zich langs spoorstaven beweegt te worden verstaan een trein in zijn geheel, dat wil zeggen locomotief en wagens. Dit betekent dat Defensie geen vervoermiddelen per spoor in eigendom heeft. Daarnaast blijkt uit de memorie van toelichting dat ingevolge het COTIF (Convention relative aux transports internationaux ferroviaires, Bern 1980, Trb. 1980, 160) het vervoer per spoor, ook indien dit militaire goederen betreft die worden vervoerd met wagens die in eigendom toebehoren aan de krijgsmacht, plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de spoorwegmaatschappij. Dit betekent dat er in dit kader voor Defensie geen specifieke regels worden gesteld voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met treinen.

Beleidslasten
De doelstelling van de WVGS is het bevorderen van de openbare veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor het militaire vervoer van gevaarlijke stoffen wordt dit bereikt doordat in beginsel de voorschriften, die voor het civiele vervoer worden gesteld, gelden. Slechts voor zover dit noodzakelijk is in verband met de operationele taakuitoefening zijn afwijkende voorschriften voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen gesteld. Omdat ingevolge de WGS voor het militaire vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan ontplofbare stoffen en voorwerpen de civiele voorschriften reeds golden, is er op dit punt geen toename van beleidslasten voor Defensie. Omdat ruim voor de inwerkingtreding van de WVGS binnen Defensie de beleidslijn tot voor het militaire vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen zo veel mogelijk aansluiten bij de civiele voorschriften reeds was ingezet, zijn de beleidslasten als gevolg van deze aansluiting beperkt. Voor de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften is enerzijds aangesloten bij datgene dat in NAVO-verband is afgesproken en anderzijds bij de binnen Defensie geldende voorschriften. Zo wordt voor de periodieke keuringen van voertuigen en de keuringen van verpakkingen gebruik gemaakt van de binnen Defensie reeds bestaande voorzieningen. Slechts op het onderdeel aanduidingen op de verpakkingen is sprake van een toename van de beleidslasten voor Defensie. Ten einde deze beleidslasten zo veel mogelijk te spreiden, is enerzijds gekozen voor een overgangstermijn van vijf jaar en anderzijds voor een verschuiving binnen de financiële prioriteiten. Samenvattend is voor Defensie sprake van een beperkte toename van beleidslasten, die binnen de bestaande begroting wordt opgevangen.

Handhaving
Evenals onder de WGS geschiedt handhaving van de voor het militaire vervoer geldende voorschriften in beginsel door het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen. Gezien het feit dat het in hoofdzaak gaat om bestendiging van de bestaande situatie, waarin al voor een groot deel wordt voldaan aan de civiele voorschriften, zijn geen knelpunten in de handhaving te verwachten.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 8, eerste lid, van de wet. In het eerste lid is de basis opgenomen op grond waarvan het verrichten van vervoershandelingen met ontplofbare stoffen en voorwerpen is toegestaan. Daartoe dient aan twee voorwaarden te worden voldaan. In de eerste plaats dienen de bij of krachtens dit besluit of het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen gestelde voorschriften in acht te worden genomen. De toevoeging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen dient om zeker te stellen dat, wanneer bij het verrichten van de vervoershandelingen met ontplofbare stoffen en voorwerpen de civiele voorschriften worden gevolgd, dit vanzelfsprekend ook is toegestaan. In de tweede plaats dienen de vervoershandelingen te geschieden in opdracht van een Nederlandse militaire autoriteit of van een militaire autoriteit van een andere mogendheid. Door middel van dit opdrachtvereiste wordt duidelijk gemaakt in welke gevallen er sprake is van vervoershandelingen verricht met of ten aanzien van vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere mogendheid. In het tweede lid van dit artikel is een opsomming gegeven van die handelingen, die naar hun aard in aanmerking komen voor vrijstelling van de voorschriften krachtens artikel 8 van de WVGS. De opsomming is ontleend aan de opsomming van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen en is beperkt tot die onderdelen van de opsomming die voor Defensie van belang zijn. De in onderdeel b. opgenomen bevoegdheid wordt ontleend aan de Wet wapens en munitie.
Blijkens de memorie van toelichting bij deze wet valt onder krijgsmacht niet alleen de Nederlandse, maar ook die van buitenlandse mogendheden die zich in Nederland bevinden.

Artikel 3

In dit artikel is geregeld dat indien bij het vervoer met een voertuig voor het kruisen van een binnenwater gebruik wordt gemaakt van een vaartuig, op dat vervoer uitsluitend de voorschriften voor het vervoer met een voertuig van toepassing zijn en niet tevens de voorschriften voor het vervoer met een vaartuig. Zoals in de toelichting op artikel 2 al is uiteengezet, kunnen de voorschriften voor het vervoer met een voertuig betreffen de voorschriften gesteld bij of krachtens dit besluit of bij of krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen.

Artikel 4

Tactische voertuigen zijn gevechtsvoertuigen, die zijn bestemd voor de inzet bij de operationele taakuitoefening van de krijgsmacht. De constructie, inrichting en uitrusting van deze voertuigen is dan ook geheel afgestemd op deze inzet. Voorbeelden van tactische voertuigen zijn gevechtstanks en (zelfvoortbewegende) wapensystemen. Onderdeel van de operationele taakuitoefening is het handhaven van de operationele inzetbaarheid door middel van het houden van oefeningen. In het kader van deze oefeningen wordt bijvoorbeeld oefenmunitie (die ook ontplofbare stof bevat) meegenomen. Ter waarborging van de openbare veiligheid worden evenals in de civiele voorschriften eisen gesteld aan de voertuigen. Zo wordt in het eerste lid van dit artikel bepaald dat tactische voertuigen moeten zijn voorzien van deugdelijke inrichtingen voor het vastzetten of opbergen van de ontplofbare stoffen of voorwerpen. Dit voorschrift dient om te voorkomen dat tijdens het vervoer de lading kan schuiven. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat in de tactische voertuigen een brandblusvoorziening aanwezig moet zijn. Het derde lid ten slotte geeft de Minister van Defensie de mogelijkheid extra eisen te stellen aan de constructie, inrichting en uitrusting van het voertuig gerelateerd aan het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen. Hierbij kan voor de verschillende soorten tactische voertuigen aan verschillende eisen worden gedacht. Als uitgangspunt voor deze eisen zullen dienen de binnen Defensie geldende eisen bij de aanschaf van tactische voertuigen. De mate waarin – in dit kader – extra eisen zullen worden gesteld, is afhankelijk van het type tactisch voertuig.

Artikel 5

Logistieke voertuigen zijn voertuigen die zijn ingericht voor het vervoeren van lading. Een voorbeeld van een logistiek voertuig is een militaire vrachtauto. Ook voor deze voertuigen geldt dat zij worden ingezet voor de uitoefening van de operationele taakuitvoering. Bij de aanschaf van deze voertuigen is bepalend dat zij voor die inzet geschikt zijn. Eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting zijn derhalve daarop afgestemd. Op het moment dat deze voertuigen bijvoorbeeld als onderdeel van een veldartillerie-eenheid worden ingezet bij een oefening, worden ontplofbare stoffen en voorwerpen vervoerd. Dit betekent dat in het belang van de openbare veiligheid eisen aan deze voertuigen worden gesteld. Voor de in het eerste lid van dit besluit opgenomen eis dat de bestuurderscabine afgesloten dient te zijn van de laadruimte is aangesloten bij de civiele voorschriften op dit punt.
Datzelfde geldt voor de in het tweede en het derde lid opgenomen eisen. Het vierde lid van dit artikel geeft de Minister van Defensie de mogelijkheid nog extra eisen te stellen ten aanzien van de constructie, inrichting en uitrusting, die voor de verschillende typen logistieke voertuigen verschillend kunnen worden gesteld. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen met betrekking tot de plaatsing van de uitlaat ten opzichte van het brandstofreservoir. Ten slotte zij nog opgemerkt dat, passend binnen het gekozen beleid, op een specifiek logistiek voertuig de civiele voorschriften geheel zullen worden toegepast, indien dit voertuig aan deze eisen kan voldoen.

Artikelen 6 en 7

Teneinde zeker te stellen dat het voertuig voldoet en blijft voldoen aan de in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen gestelde eisen, dient het voertuig periodiek te worden gekeurd. Ten bewijze van goedkeuring wordt een keuringsdocument afgegeven. Voor deze keuringen zal in die zin worden aangesloten bij het binnen Defensie bestaande onderhoudsschema voor de tactische en logistieke voertuigen, dat éénmaal per jaar bij de te verrichten onderhoudswerkzaamheden het betreffende voertuig tevens zal worden gecontroleerd op de eisen ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Indien blijkt dat het voertuig niet voldoet aan de gestelde eisen, wordt geen keuringsdocument afgegeven en mag het betreffende voertuig niet worden gebruikt voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen. Voor de term keuringsdocument en de periodiciteit van de keuringen is aangesloten bij de civiele voorschriften.

Artikel 8

Overeenkomstig de civiele voorschriften moeten ontplofbare stoffen en voorwerpen verpakt worden vervoerd. Daartoe kunnen verschillende typen verpakkingen worden gebruikt. Omdat het hierbij gaat om zeer gedetailleerde voorschriften, die naar aanleiding van internationale afspraken regelmatig worden aangepast, worden deze typen bij ministeriële regeling voorgeschreven. Het betreft hier onder meer de voor bepaalde munitie-soorten speciaal ontworpen transport- en opslagcontainers, die niet zijn begrepen in de civiele voorschriften. Het eerste lid van dit artikel biedt daartoe de grondslag. Het tweede lid van dit artikel regelt de gevallen waarin het verpakt vervoeren van ontplofbare voorwerpen niet vereist is. In de eerste plaats gaat het daarbij om die gevallen waarin het onverpakt vervoeren geen gevaar voor de openbare veiligheid oplevert. Daarvan is sprake wanneer de ontplofbare voorwerpen van een robuuste en stevige constructie zijn, zoals bijvoorbeeld groot kaliber granaten. In de tweede plaats gaat het daarbij om situaties waarin het verpakt vervoeren van ontplofbare voorwerpen redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij het vervoeren van ontplofbare voorwerpen in tactische voertuigen tijdens een oefening. In een dergelijke situatie dienen de ontplofbare voorwerpen «gebruiksklaar» te zijn. Voorts is daarvan sprake bij bepaalde, in NAVO-verband gestandaardiseerde, geleide wapens waarvoor de lanceerinrichting, waarin zij zich bevinden, tevens dient als beschermhouder bij de opslag en vervoer van het wapen. Hoewel de lanceerinrichting mede is ontworpen en beproefd om als veilige verpakking voor het wapen te dienen, kan zij, als integraal onderdeel van het geheel, niet afzonderlijk als verpakking worden aangemerkt. Hoewel formeel een verpakking ontbreekt, wordt in de praktijk geheel aan de openbare veiligheidsfunctie en -eisen daarvan voldaan. Vanuit dit oogpunt gezien is het vereisen van een aanvullende verpakking onnodig en kan zij, mede gezien het belang van handhaving van de in NAVO-verband overeengekomen standaardisatie, redelijkerwijs niet worden gevergd.

Artikel 9

De in het eerste tot en met het vierde lid opgenomen algemene verpakkingseisen komen grotendeels overeen met de civiele algemene verpakkingseisen. Daarnaast zullen eisen worden gesteld aan de verpakkingen die zijn gebaseerd op de in NAVO-verband overeengekomen verpakkingseisen. Deze NAVO-eisen komen in algemene zin overeen met of zijn gelijkwaardig aan de civiele verpakkingseisen, maar zijn in sommige gevallen strenger. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de valproef. Ingevolge de civiele eisen moeten bepaalde verpakkingen een valproef vanaf een hoogte van 1,2 meter doorstaan. Ingevolge de  NAVO-eisen is deze hoogte vastgesteld op 1,5 meter. Gezien het feit dat het gaat om zeer gedetailleerde voorschriften, ligt regeling door de minister in de rede. Het vijfde lid biedt daartoe de basis.

Artikel 10

Teneinde zeker te stellen dat de verpakkingen aan de gestelde eisen voldoen, dienen de verpakkingen, overeenkomstig de civiele voorschriften, eenmalig aan een keuring te worden onderworpen. Voor de uitvoering van deze keuringen is aangesloten bij de bestaande praktijk. De keuringen worden verricht door de afdeling Beproevingen van het Ministerie van Defensie.

Artikel 11

De aanduidingen en aanwijzingen op de verpakkingen van ontplofbare stoffen en voorwerpen moeten enerzijds voldoen aan NAVO-voorschriften en anderzijds aan de civiele voorschriften. In de eerste plaats gaat het hierbij om aanduidingen en aanwijzingen ter identificatie van de inhoud en van de gevaarzetting. Het eerste lid van dit artikel biedt daartoe de basis. In de tweede plaats zijn er voorschriften omtrent de afmetingen van de aanduidingen en aanwijzingen, de plaats waarop de aanduiding en de aanwijzing moeten worden aangebracht en de taal waarin de aanduiding en aanwijzing moeten zijn gesteld. Hiertoe biedt het tweede lid de basis. Omdat het hier gaat om zeer technische voorschriften is in regeling door de minister voorzien.

Artikel 13

Defensie beschikt over zeer grote voorraden ontplofbare stoffen en voorwerpen. Deze voorraden voldoen reeds aan de NAVO-voorschriften omtrent aanduidingen en aanwijzingen op de verpakking. Teneinde ook aan de civiele voorschriften op dit punt te voldoen, dienen deze voorraden opnieuw van aanduidingen en aanwijzingen te worden voorzien, hetgeen buitengewoon tijdrovend en arbeidsintensief is. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het halen van de voorraden uit de bunkers, het transporteren, het aanbrengen van aanvullende aanduidingen en aanwijzingen, het terugplaatsen van de voorraden in de bunkers en de bijbehorende administratieve werkzaamheden. Teneinde de krijgsmachtdelen de gelegenheid te geven deze werkzaamheden te verrichten naast de normale werkzaamheden, is een overgangstermijn van vijf jaar noodzakelijk.