Deze wet is gewijzigd bij de Wetten van 29 maart 1996, Stb. 257 jo 24 mei 1996, Stb. 276, 3 april 1996, Stb. 366 jo 13 maart 1997, Stb. 142, 4 december 1997, Stb. 580, 29 januari 1998, Stb. 91, 5 juli 2000, Stb. 313, 18 april 2002, Stb. 244, 26 mei 2005, Stb. 282, 6 oktober 2005, Stb. 530 en 532, 7 april 2006, Stb. 217, Stb. 2009, 265, Stb. 2010, 146, Stb. 2010, 350
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister:
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. gevaarlijke stoffen:
1°. ontplofbare stoffen en voorwerpen,
2°. samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen,
3°. brandbare vloeistoffen,
4°. brandbare vaste stoffen,
5°. voor zelfontbranding vatbare stoffen,
6°. stoffen die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen,
7°. stoffen die de verbranding bevorderen,
8°. organische peroxiden,
9°. giftige stoffen,
10°. infectueuze stoffen,
11°. bijtende stoffen,
12°. andere stoffen die voor de mens of het milieu gevaarlijk kunnen zijn,
indien zij krachtens artikel 3 zijn aangewezen;
c. vervoermiddel:
voertuig of vaartuig;
d. binnenwateren:
de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen een langs de Nederlandse kust
gaande, krachtens artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Schepenwet
aangewezen lijn;
e. internationaal vervoer:
vervoer waarbij de Nederlandse grens wordt gepasseerd.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder gevaarlijke stoffen mede verstaan: voorwerpen die zodanige stoffen met behoud van de gevaarlijke eigenschappen bevatten.
1. Deze wet is van toepassing op:
2. Deze wet is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het eerste lid voor zover deze betrekking hebben op het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen met vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid.
3. Deze wet is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het eerste lid voor zover deze worden verricht met splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Kernenergiewet.
4. Deze wet is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het eerste lid voor zover deze betrekking hebben op het vervoer dat uitsluitend plaatsvindt binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, tenzij dit vervoer plaatsvindt over de openbare weg.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen, ten aanzien waarvan het verrichten van de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, en het verrichten van deze handelingen met bij of krachtens die maatregel aangewezen vervoermiddelen:
1. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van de openbare veiligheid regels worden gesteld met betrekking tot de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover die worden verricht op of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba met bij of krachtens die maatregel aangewezen gevaarlijke stoffen. De regels kunnen voor elk van de openbare lichamen verschillend zijn.
2. De in het eerste lid bedoelde regels hebben in elk geval betrekking op de vervoermiddelen waarmee de handelingen, bedoeld in het eerste lid, worden verricht.
3. Het is verboden de handelingen, bedoeld in het eerste lid, te verrichten anders dan met inachtneming van de krachtens het eerste lid gestelde regels.
4. De artikelen 9, eerste tot en met vierde lid, 10, 10a, 34 en 49 zijn van overeenkomstige toepassing.
Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel a.
Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels.
De regels, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, kunnen onder meer betrekking hebben op:
Tunnels als bedoeld in artikel 6, onderdeel k, die zijn bestemd voor het wegverkeer, worden aangeduid door borden overeenkomstig het daartoe krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen model.
1. De regels, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, kunnen worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Defensie, voor zover het betreft de onderwerpen, bedoeld in artikel 6, onderdelen a, b, g, h, l en m en voor zover het tevens betreft de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, met ontplofbare stoffen en voorwerpen, verricht met of ten aanzien van vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere mogendheid.
2. Onze Minister van Defensie kan in bijzondere gevallen ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde krachtens het eerste lid. Artikel 9 tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 4 of 5.
2. Onze Minister kan een ontheffing weigeren op gronden aan de openbare veiligheid ontleend.
3. Onze Minister kan een ontheffing of vrijstelling onder beperkingen verlenen of daaraan voorschriften verbinden.
4. Onze Minister kan een ontheffing wijzigen of intrekken:
5. Het eerste lid is niet van toepassing op regels gesteld krachtens artikel 8, eerste lid.
Het is verboden te handelen in strijd met een beperking waaronder een ontheffing of een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 8, tweede lid, en 9 is verleend of met een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing of vrijstelling is verbonden.
1. Onze Minister kan instanties erkennen die belast zijn met de door hem aan te geven, in het kader van de krachtens artikel 3, onderdeel b, vastgestelde regels te verrichten taken. De taken kunnen mede betrekking hebben op het afgeven van certificaten of het erkennen van andere documenten dan wel voorschriften alsmede op het verlenen van de op grond van de regels bij of krachtens artikel 3 benodigde goedkeuring.
2. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de voorwaarden om voor erkenning in aanmerking te komen, de werkwijze van de erkende instanties, de periodieke verslaglegging over de verrichte werkzaamheden, alsmede de uitoefening van het toezicht op de erkende instanties.
3. Onze Minister kan aan de erkenning voorschriften verbinden betreffende de uit te voeren taken, welke voorschriften mede betrekking kunnen hebben op de door de erkende instantie in rekening te brengen tarieven.
4. Onze Minister kan de erkenning schorsen dan wel intrekken indien de betrokken instantie niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels. De betrokken instantie verstrekt desgevraagd de inlichtingen en verleent inzage in de zakelijke gegevens en bescheiden aan onze Minister die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig oordeelt.
1. Degene die met een voertuig langs de weg gevaarlijke stoffen vervoert is verplicht de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten te vermijden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is:
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de openbare veiligheid gevaarlijke stoffen aangewezen die uitsluitend over de op grond van artikel 18 aangewezen wegen mogen worden vervoerd.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de openbare veiligheid gevaarlijke stoffen worden aangewezen die over de op grond van de artikelen 26 of 30 aangewezen vaarwegen onderscheidenlijk spoorwegen niet mogen worden vervoerd.
3. Bij een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid kan worden bepaald in welke gevallen de aangewezen wegen moeten worden gevolgd of de aangewezen vaarwegen of spoorwegen niet mogen worden gevolgd.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder wegen verstaan de voor het openbaar verkeer openstaande wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.
1. Onze Minister wijst ten behoeve van het vervoer van krachtens artikel 12, eerste lid, aangewezen gevaarlijke stoffen een landelijk net van wegen aan dat bestaat uit bij het Rijk in beheer zijnde wegen of weggedeelten.
2. Van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
1. Onze Minister pleegt bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 14 overleg met de besturen van de betrokken openbare lichamen.
2. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
1. Provinciale staten wijzen ten behoeve van het vervoer van krachtens artikel 12 aangewezen gevaarlijke stoffen een provinciaal net van wegen aan, dat bestaat uit bij de provincie of bij de waterschappen in beheer zijnde wegen of weggedeelten. Voorzover de aanwijzing van het landelijk net van wegen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, gevolgen heeft voor het provinciale net van wegen, gebeurt de aanwijzing van het provinciale net van wegen binnen een jaar na een aanwijzing van het landelijk net van wegen.
2. Provinciale staten dragen er zorg voor dat het wegennet, bedoeld in het eerste lid, aansluit op het landelijke wegennet, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en op de krachtens het eerste lid aangewezen wegennetten van de aangrenzende provincies.
3. Met het oog op de afstemming met het crisisplan als bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, zenden provinciale staten een ontwerp van hun besluit aan de besturen van veiligheidsregio’s.
4. De artikelen 14, tweede lid, en 15, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Indien provinciale staten bij toepassing van artikel 16, eerste lid, niet voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 16, eerste lid, laatste volzin en artikel 16, tweede lid, voorziet Onze Minister na overleg met gedeputeerde staten daarin. Provinciale staten wordt daarbij een redelijke termijn gegund om alsnog de nodige maatregelen te nemen.
2. Een besluit van Onze Minister als bedoeld in het eerste lid wordt aangemerkt als onderdeel van een besluit van provinciale staten als bedoeld in artikel 16, eerste lid.
1. De gemeenteraad kan op het grondgebied van zijn gemeente wegen of weggedeelten aanwijzen, waarover de krachtens artikel 12 aangewezen gevaarlijke stoffen bij uitsluiting mogen worden vervoerd.
2. Wegen of weggedeelten die bij het Rijk, de provincie of het waterschap in beheer zijn, kunnen slechts worden aangewezen, voor zover deze deel uitmaken van de wegennetten, bedoeld in artikel 14, eerste lid, of artikel 16, eerste lid.
3. De gemeenteraad draagt er zorg voor dat de aan te wijzen wegen of weggedeelten aansluiten op:
4. Met het oog op de afstemming met het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, zendt de gemeenteraad een ontwerp van zijn besluit aan het bestuur van de veiligheidsregio.
5. De artikelen 14, tweede lid, en 15, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Binnen een jaar nadat het provinciale wegennet, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is aangewezen wordt een reeds van kracht zijnde gemeentelijke aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, zo nodig in overeenstemming gebracht met het derde lid, aanhef en onderdelen a en b.
1. Indien de gemeenteraad bij toepassing van artikel 18, eerste lid, niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 18, derde lid, voorziet Onze Minister na overleg met het college van burgemeester en wethouders daarin. De gemeenteraad wordt daarbij een redelijke termijn gegund om alsnog de nodige maatregelen te nemen.
2. Een besluit van Onze Minister als bedoeld in het eerste lid wordt aangemerkt als onderdeel van een besluit van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 18, eerste lid.
De wegen of weggedeelten, bedoeld in artikel 18, eerste lid, worden aangeduid door borden overeenkomstig het daartoe krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen model.
Het is verboden in gemeenten, waar krachtens de artikelen 18, eerste lid, en 20 wegen of weggedeelten zijn aangewezen en aangeduid, de krachtens artikel 12 aangewezen gevaarlijke stoffen te vervoeren over andere dan de aangewezen en aangeduide wegen of weggedeelten.
1. Burgemeester en wethouders kunnen indien dat noodzakelijk is voor het laden en lossen, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 21.
2. Het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, ten aanzien van ontheffingen bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
1. Op verzoek van Onze Minister van Defensie verlenen burgemeester en wethouders ontheffing van het bepaalde in artikel 21 voor het vervoer met vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere mogendheid:
2. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
3. Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van Onze Minister van Defensie ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 21, indien dat noodzakelijk is ten behoeve van militaire oefeningen. Artikel 9, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het is verboden te handelen in strijd met een beperking, waaronder een ontheffing als bedoeld in artikel 22, eerste lid, en 23, eerste lid, is verleend of met een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing is verbonden.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder vaarwegen verstaan de voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande binnenwateren.
1. Onze Minister kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen, waarover de krachtens artikel 12, tweede lid, daartoe aangewezen gevaarlijke stoffen niet mogen worden vervoerd.
2. De artikelen 14, tweede lid, en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
Het is verboden de krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen gevaarlijke stoffen te vervoeren over de krachtens artikel 26 aangewezen vaarwegen of gedeelten daarvan.
1. Van het bepaalde in artikel 27 kan indien dat noodzakelijk is voor het laden en lossen, ontheffing worden verleend door:
2. Het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, ten aanzien van ontheffingen bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Het is verboden te handelen in strijd met een beperking, waaronder een ontheffing als bedoeld in artikel 28, eerste lid, is verleend of met een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing is verbonden.
1. Onze Minister kan spoorwegen of gedeelten daarvan aanwijzen, waarover de krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen gevaarlijke stoffen niet mogen worden vervoerd.
2. De artikelen 14, tweede lid, en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
Het is verboden de krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen gevaarlijke stoffen te vervoeren over de krachtens artikel 30 aangewezen spoorwegen of gedeelten daarvan.
1. Onze Minister kan indien dat noodzakelijk is voor het laden en lossen, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 31.
2. Het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, ten aanzien van ontheffingen bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Het is verboden te handelen in strijd met een beperking, waaronder een ontheffing als bedoeld in artikel 32, eerste lid, is verleend of met een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing is verbonden.
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
2. Met het toezicht op de naleving van de handelingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, verricht met of ten aanzien van vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan, of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere mogendheid zijn belast de bij besluit van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, aangewezen ambtenaren.
3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, bij besluit andere dan de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaren aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
4. De toezichthouders, bedoeld in het tweede en derde lid, beschikken niet over de bevoegdheid, genoemd in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Onze Minister kan met het oog op de coördinatie van het beleid ten aanzien van het toezicht op de naleving beleidsregels stellen.
6. Van een besluit als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Deze artikelen zijn vervallen.
1. Met de opsporing van overtredingen van bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast:
2. Onze Minister kan de bevoegdheid tot opsporing van de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder c bij de aldaar bedoelde aanwijzing beperken.
3. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
1. Handelingen in strijd met artikel 3a, tweede en derde lid, voor zover opzettelijk begaan, zijn misdrijven en worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van ten hoogste de vijfde categorie.
2. Handelingen, als bedoeld in het eerste lid, die geen misdrijven zijn, zijn overtredingen en worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
3. Als bijkomende straf kan worden opgelegd:
4. Met het opsporen van de in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd de bij of krachtens artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES aangewezen ambtenaren, de door Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister, aangewezen ambtenaren belast.
1. Indien tegen de verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en tevens de belangen, welke door het vermoedelijk overtreden voorschrift worden beschermd, een onmiddellijk ingrijpen vereisen, is de officier van justitie in alle zaken als bedoeld in artikel 44a, eerste en tweede lid, bevoegd zolang de behandeling ter terechtzitting nog niet is aangevangen, de verdachte bij te betekenen kennisgeving als voorlopige maatregel te bevelen:
a. zich te onthouden van bepaalde handelingen;
b. zorg te dragen, dat in het bevel aangeduide voorwerpen, welke vatbaar zijn voor inbeslagneming, opgeslagen en bewaard worden ter plaatse, in het bevel aangegeven.
2. De voorgenoemde bevelen zijn dadelijk uitvoerbaar en worden onverwijld aan de verdachte betekend.
3. De voorgenoemde bevelen verliezen hun kracht door een tijdsverloop van zes maanden en blijven uiterlijk van kracht totdat de rechterlijke einduitspraak in de zaak, waarin zij zijn gegeven, onherroepelijk is geworden. Zij kunnen tussentijds door de officier van justitie bij aan de verdachte te betekenen kennisgeving worden gewijzigd of ingetrokken of door het gerecht, waarvoor de zaak wordt vervolgd, worden gewijzigd of opgeheven. Het gerecht kan dit doen ambtshalve, op de voordracht van de rechter-commissaris, met het gerechtelijk vooronderzoek belast, of op het verzoek van de verdachte; deze wordt steeds gehoord, althans behoorlijk opgeroepen, tenzij:
Het gerecht beslist op een verzoek van de verdachte binnen vijf dagen nadat het ter griffie is ingediend.
4. Tegen voorgenoemde rechterlijke beschikkingen kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen en de verdachte binnen veertien dagen na de betekening in hoger beroep komen bij het Gemeenschappelijk Hof, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
5. De artikelen 43, tiende en elfde lid, van het Wetboek van Strafvordering BES zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Indien de zaak eindigt hetzij zonder oplegging van straf of maatregel, hetzij met oplegging van een zodanige straf of maatregel dat de opgelegde voorlopige maatregel als onevenredig hard moet worden beschouwd, kan het gerecht, op verzoek van de gewezen verdachte hem een geldelijke tegemoetkoming ten laste van de Staat toekennen voor de schade, welke hij ten gevolge van de opgelegde voorlopige maatregel werkelijk heeft geleden.
2. De artikelen 179 tot en met 181 van het Wetboek van Strafvordering BES zijn van overeenkomstige toepassing.
De uitreiking van gerechtelijke mededelingen in zaken betreffende overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze wet, begaan door een niet in Nederland gevestigde onderneming, kan eveneens geschieden aan de bestuurder van het betrokken voertuig of aan de schipper van het betrokken vaartuig die zich bereid verklaart de mededeling onverwijld te doen toekomen aan degene voor wie zij is bestemd.
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
Degene die een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verricht, is verplicht indien zich daarbij voorvallen, waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is ontstaan of is te duchten, of ongevallen voordoen daarvan onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister.
1. Onze Minister kan van degenen die handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verrichten, alle inlichtingen vragen die naar zijn redelijk oordeel nodig zijn ten behoeve van het analyseren van voorvallen en ongevallen als bedoeld in artikel 47.
2. De betrokkenen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken binnen een door Onze Minister in redelijkheid te stellen termijn.
3. Zij die uit hoofde van hun beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.
1. Degene die een verzoek doet aan de rijksoverheid tot:
2. Bij ministeriële regeling:
Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 16, eerste lid, 18, eerste lid, 26, eerste lid, en 30, eerste lid, staat beroep open als bedoeld in Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Wet Gevaarlijke Stoffen wordt ingetrokken.
Op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet geldende besluiten die zijn vastgesteld krachtens de Wet Gevaarlijke Stoffen, worden geacht te zijn vastgesteld krachtens deze wet.
Deze artikelen bevatten wijzigingen in andere regelgeving.
Vervallen.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk beluit, op voordracht van Onze Minister-President, artikel 60 in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij het in het eerste lid bedoelde besluit in werking gestelde bepaling.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het in het eerste, derde en vierde lid bedoelde besluit wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Onze Minister van Defensie is bevoegd, voor zover militaire belangen zulks vorderen, van de krachtens deze wet uitgevaardigde regelen en voorschriften af te wijken, dan wel deze voor zolang dat nodig is buiten werking te stellen en zelf ter zake een tijdelijke regeling te geven.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet vervoer gevaarlijke stoffen.