|
Ziekte code |
Ziekte c.q. afwijking |
Aanwijzing voor keurend arts |
MKR-nr |
ABOHZIS |
|
| 300-316 | Neurotische stoornissen, persoonlijkheidsstoornissen en overige niet psychotische psychische stoornissen (300-316) | ||||
| 300 | Neurotische stoornissen | Neurotische stoornissen: psychische
stoornissen zonder aantoonbare organische oorzaak waarbij de betrokken
persoon een aanzienlijk ziekte-inzicht kan hebben en een niet verminderd
realiteitsoordeel, omdat hij gewoonlijk zijn ziekelijke subjectieve
ervaringen niet verwart met de uitwendige werkelijkheid. Het gedragspatroon kan in aanzienlijke mate beïnvloed zijn, hoewel het in het algemeen binnen sociaal aanvaardbare grenzen blijft, maar de persoonlijkheid is niet gedesorganiseerd. De voornaamste kenmerken omvatten excessieve angst, hysterische symptomen, fobieën, obsessionele en dwangmatige symptomen en depressie. |
|||
| 0. Angsttoestanden |
Angsttoestanden: diverse combinaties van lichamelijke en psychische uitingen van angst, niet terug te brengen tot werkelijk gevaar en optredend, hetzij in aanvallen of als een voortdurende toestand. De angst is gewoonlijk diffuus en kan zich uitbreiden tot paniek. Andere neurotische kenmerken, zoals obsessionele of hysterische symptomen kunnen aanwezig zijn, maar overheersen het klinische beeld niet. Personen die lijden aan een neurotische angsttoestand worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
|
1. Hysterie |
Hysterie: een neurotische stoornis, waarbij motieven, waarvan de patiënt zich niet bewust lijkt, hetzij een beperking van het bewustzijn veroorzaken, hetzij een verstoring van een motorische of sensorische functie die psychologisch voordeel of symbolische waarde kan hebben. Er zijn drie subtypen: Conversie vorm: De belangrijkste of enige symptomen van de hysterische neurose bestaan uit psychogene stoornissen van de functie van enige lichaamsdeel, b.v. paralyse, tremor, blindheid, toevallen. Dissociatieve vorm: Het meest belangrijke kenmerk van de hysterische neurose is de vernauwing van het bewustzijn, die een onbewust doel schijnt te dienen en gewoonlijk wordt vergezeld of gevolgd door een selectieve amnesie. Er kunnen dramatische maar in essentie oppervlakkige persoonlijkheidsveranderingen zijn (meervoudige persoonlijkheid) of soms raakt de patiënt aan het zwerven (fugue). Nagemaakte ziekte: Lichamelijk of psychologische verschijnselen die niet werkelijk, echt of natuurlijk zijn en die worden geproduceerd door de betrokkene en onder de controle van zijn wil staan. Personen die lijden aan een hysterische neurose worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
| 2. Fobische stoornissen |
Fobische toestanden: Neurotische toestanden met abnormaal intense vrees voor bepaalde voorwerpen of specifieke omstandigheden die normaal deze uitwerking niet zouden hebben. Indien de angst de neiging heeft zich uit te breiden van een specifieke situatie of voorwerp tot een ruimer gebied van omstandigheden, komt het dichtbij of wordt het identiek met een angsttoestand en behoort het als zodanig te worden geclassificeerd. Personen die lijden aan fobische stoornissen worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
|
3. Dwangsyndromen |
Dwangsyndromen: toestanden, waarbij het meest op de voorgrond tredende symptoom een gevoel van subjectieve dwang is, waaraan tegelijk weerstand moet worden geboden. Deze dwang kan zijn de een of andere actie uit te voeren, over een bepaald denkbeeld te blijven piekeren, een ervaring terug te roepen, of een abstract gegeven te overwegen. De niet gewenste gedachten die binnendringen, het zich op de voorgrond blijven dringen van woorden of ideeën, heroverwegingen of denkpatronen, worden door de betrokkene beleefd als ongepast of onzinnig. De obsessionele drang wordt herkend als vreemd aan de persoonlijkheid, maar wel afkomstig vanuit het zelf. Dwangmatige gedragingen kunnen een quasi-ritueel karakter dragen waarvan een verlichting van angst uitgaat, bijv. handen wassen om besmetting te bestrijden.Pogingen de onwelkome gedachten of aandrangen te verdrijven kunnen tot ernstige innerlijke strijd leiden, met intense angstgevoelens. Personen die lijden aan een dwangsyndroom worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
| 4. Neurotische depressie |
Neurotische depressie: een neurotische stoornis, gekenmerkt door een onevenredig zware depressie, gewoonlijk herkenbaar voortgekomen uit een onaangename ervaring: er komen geen wanen of hallucinaties voor en er bestaat vaak pre-occupatie met het psychotrauma dat aan de ziekte voorafging, bijv. het verlies van een geliefd persoon of bezit. Angst is ook vaak aanwezig en gemengde toestanden van angst en depressie horen onder deze beschrijving thuis. Het onderscheid tussen depressieve psychose en neurose behoort niet alleen op grond van de mate van depressie te worden gemaakt maar ook op de aanwezigheid van andere neurotische of psychotisch kenmerken, en op de mate van verstoring van het gedrag van betrokkene. Personen die lijden aan een neurotisch depressie worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| 5. Neurasthenie |
Neurasthenie: een neurotische stoornis, gekenmerkt door vermoeidheid, prikkelbaarheid, hoofdpijn, depressie, slapeloosheid, concentratie moeilijkheden en gebrek aan mogelijkheid te genieten (anhedonie). Ze kan een infectie of uitputtingstoestand vergezellen of volgen, of ontstaan uit een voortdurende emotionele stress. Indien neurasthenie samenhangt met een lichamelijke stoornis, dient de laatste eveneens te worden geregistreerd als diagnose. Indien de neurasthenie stoornis niet verenigbaar is met het functioneren als militair, wordt betrokkene ongeschikt verklaard: Eventueel is de classificatie S2/S3 te overwegen. |
6.9. | |||
|
6. Depersonalisatiesyndroom |
Depersonalisatie: een neurotische stoornis met een onaangename soort gestoorde waarneming, waarbij uitwendige voorwerpen of delen van het eigen lichaam beleefd worden als veranderd in hun kwaliteit, of als onwerkelijk, op afstand of geautomatiseerd. De patiënt is zich bewust van de subjectieve aard van de door hem ervaren veranderingen. Indien depersonalisatie optreedt als een verschijnsel bij angst, schizofrenie of een andere psychische stoornis, wordt de aandoening geclassificeerd overeenkomstig de voornaamste psychiatrische stoornis. Personen die lijden aan een depersonalisatie syndroom worden ongeschikt verklaard; |
6.9. |
| 7. Hypochondrie |
Hypochondrie: een neurotische stoornis waarbij de in het oog springende kenmerken een excessieve bezorgdheid over de eigen gezondheid in het algemeen of de integriteit en het functioneren van enig deel van iemands lichaam of, minder vaak, zijn geest zijn. Deze afwijking gaat gewoonlijk gepaard met angst en depressie. Het beeld kan voorkomen als verschijnsel van een andere ernstige psychische stoornis (bijv. manisch-depressieve psychose, depressieve vorm, hysterie, schizofrenie) en in dat geval dient geclassificeerd te worden overeenkomstig deze ernstige stoornis. Personen die in ernstige mate lijden aan hypochondrie worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
|
8. Overige neurotische stoornissen 9. Niet gespecificeerde neurotische stoornis |
Personen die in ernstige mate lijden aan een neurotische stoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
|||
| 301 | Persoonlijkheidsstoornissen | Persoonlijkheidsstoornissen: Diep
verankerde patronen van slechte aanpassing van het gedrag, in het algemeen
herkenbaar ten tijde van de adolescentie of eerder en voortdurend tijdens
het grootste deel van het volwassen leven, hoewel vaak minder uitgesproken
wordend op middelbare en oudere leeftijd. De persoonlijkheid is afwijkend in de evenwichtigheid van zijn samenstellende delen, in hun kwaliteit en uitdrukking, dan wel in zijn totaliteit. Door deze afwijking of psychopatie lijdt de patiënt zelf of moeten anderen lijden en er bestaat een negatieve uitwerking op het individu of de gemeenschap. Dit beeld omvat wat soms betiteld wordt als psychopatische persoonlijkheid, maar indien dit primair bepaald wordt door slecht functioneren van de hersenen, dient het geclassificeerd te worden als een van de niet-psychotische organische hersensyndromen. Indien de patiënt een persoonlijkheidsanomalie vertoont, die direct verband houdt met zijn neurose of psychose, bijv. schizoïde persoonlijkheid en schizofrenie of anankastische persoonlijkheid en obsessief-dwangmatige neurose, dan dient de betrokken neurose of psychose, waarvan sprake is, aanvullend te worden gediagnostiseerd en geregistreerd. |
| 0. Paranoïde persoonlijkheidsstoornis |
Paranoïde vorm: een persoonlijkheidsstoornis waarbij er een excessieve overgevoeligheid bestaat om achtergesteld te worden en voor wat voor vernedering en afwijzing gehouden wordt, de neiging ervaringen te verdraaien door neutrale of vriendelijke gedragingen van anderen op te vatten als vijandig of minachtend, en een strijdlustig en vasthoudend bestaan tot jaloezie of een overdragen gevoel van eigen belangrijkheid. Deze mensen kunnen zich hulpeloos vernederd en beetgenomen voelen; anderen, even excessief overgevoelig, zijn agressief en vasthoudend. In alle gevallen betrekt betrokkene de dingen in uitzonderlijke mate op zichzelf. Personen die in ernstige mate lijden aan een paranoïde persoonlijkheidsstoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| Personen met paranoïde persoonlijkheidsstoornis, welke nog aanvaardbaar wordt geacht, kunnen in klasse S2 geplaatst worden: | S2 | ||||
|
1. Affectieve persoonlijkheidsstoornis |
Affectieve vorm: een chronische persoonlijkheidsstoornis, gekenmerkt door een overheersen van een uitgesproken stemming. De ziekte heeft geen duidelijk begin en er kunnen perioden van gestoorde stemming zijn, van elkaar gescheiden door perioden van normale stemming. Personen die in ernstige mate lijden aan een affectieve persoonlijkheidsstoornis ongeschikt verklaard: |
6.9. |
|
| 2. Schizoïde persoonlijkheidsstoornis | Schizoïde vorm: een
persoonlijkheidsstoornis waarbij betrokkene zich terugtrekt uit
gevoelsmaatschappelijke en andere contacten met en introspectieve
terughoudendheid. Het gedrag kan licht excentriek zijn, of wijzen op het vermijden van mededingingsituaties. Schijnbare koelheid en gereserveerdheid kunnen een onmacht om gevoelens te uiten maskeren. Personen die in ernstige mate lijden aan een schizoïde persoonlijkheidsstoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| Personen met een schizoïde persoonlijkheidsstoornis welke nog aanvaardbaar wordt geacht, kunnen in klasse S2 worden geplaatst: | S2 | ||||
| 3. Explosieve persoonlijkheidsstoornis |
Explosieve vorm: een persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt door onevenwichtigheid van de stemming met geneigdheid tot onbeheerste uitbarstingen van woede, haat, geweld of aanhankelijkheid. Agressie kan zijn uitdrukking vinden in woorden of in lichamelijk geweld. De uitbarstingen kunnen niet gemakkelijk door de betrokkenen, die overigens niet geneigd zijn tot antisociaal gedrag, worden beheerst. Personen die in ernstige mate lijden aan een explosieve persoonlijkheidsstoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| Personen met een explosieve persoonlijkheidsstoornis welke nog aanvaardbaar wordt geacht, kunnen in klasse S2 geplaatst worden: | S2 | ||||
|
4. Dwangmatige persoonlijkheid |
Dwangmatige vorm: een persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt door gevoelens van persoonlijke onzekerheid, twijfel en onvolledigheid die lijdt tot een excessieve nauwgezetheid, controleren, koppigheid en voorzichtigheid. Er kunnen aanhoudende en onwelkome gedachten of impulsen zijn, die echter niet de ernst van een dwangneurose bereiken. Er bestaat perfectionisme en een pietluttige accuratesse alsmede een behoefte tot herhaaldelijk controleren in een poging dit te bereiken. Starheid en excessieve twijfel kunnen opvallend zijn. Personen die in ernstige mate lijden aan een dwangmatige persoonlijkheid worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
|
| Personen met een dwangmatige persoonlijkheid, welke nog aanvaardbaar wordt geacht, kunnen in klasse S2 geplaatst worden: | S2 | ||||
| 5. Theatrale persoonlijkheid |
Theatrale vorm: een persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt door een oppervlakkig en labiel gevoelsleven, afhankelijkheid van anderen, smeken om aandacht en waardering, suggestibel zijn en theatraal gedrag. Vaak bestaat er sexuele onrijpheid, bijv. frigiditeit en overprikkelbaarheid voor stimuli. Onder stress kunnen zich hysterische symptomen ontwikkelen (neurose). Personen die in ernstige mate lijden aan een theatrale persoonlijkheid worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| Personen met een theatrale persoonlijkheid, welke nog aanvaardbaar wordt geacht, kunnen in klasse S2 geplaatst worden: | S2 | ||||
| 6. Afhankelijke persoonlijkheid |
Afhankelijke vorm: een persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt door passieve meegaandheid met de wensen van ouders en anderen en een zwakke niet adequate respons op de eisen van het dagelijks leven. Gebrek aan vitaliteit kan blijken in de intellectuele of de emotionele sfeer; zij zijn slecht in staat ergens van te genieten. Personen die in ernstige mate lijden aan een afhankelijke persoonlijkheid worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| Personen met een afhankelijke persoonlijkheid, welke nog aanvaardbaar wordt geacht, kunnen in klasse S2 geplaatst worden: | S2 | ||||
|
7. Antisociale persoonlijkheidsstoornis
|
Antisociale vorm: een persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt door veronachtzamen van maatschappelijke verplichtingen, gebrek aan gevoel voor anderen heftig geweld of ongevoelige onachtzaamheid. Er is een groot verschil tussen het gedrag en de gebruikelijke maatschappelijke normen. Het gedrag is niet gemakkelijk corrigeerbaar door ervaring, inclusief bestraffing. Personen met deze persoonlijkheid zijn vaak gevoelsmatig koud en kunnen abnormaal agressief of onverantwoordelijk zijn. Hun frustratietolerantie is laag; ze geven anderen de schuld of geven plausibele rationalisaties voor het gedrag dat hen in conflict met de maatschappij brengt. Personen die in ernstige mate lijden aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
|
| Personen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis, welke nog aanvaardbaar wordt geacht, kunnen in klasse S2 geplaatst worden: | S2 | ||||
|
8. Overige gespecificeerde persoonlijkheidsstoornissen 9. Niet gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis |
Personen die in ernstige mate lijden aan overige persoonlijkheidsstoornissen worden ongeschikt verklaard: Personen met een persoonlijkheidsstoornis, welke nog aanvaardbaar wordt geacht, kunnen in klasse S2 worden geplaatst: |
6.9. |
|
||
| 302 | Sexuele deviaties en stoornissen | Gedurende het afnemen van de anamnese dient
het routinematig informeren naar sexuele geaardheid, gedrag en ervaringen,
achterwege te blijven. Uiteraard bestaat de mogelijkheid hieromtrent wel vragen te stellen indien de bevindingen uit de anamnese of het lichamelijk onderzoek daartoe aanleiding geven en/of indien de keurling zijn sexuele geaardheid zelf ter sprake brengt. Indien de keurling te kennen geeft met zijn sexuele geaardheid geen problemen te verwachten in militaire dienst, kan hij S1 geclassificeerd worden. |
S1 | ||
| Geeft de keurling achter te kennen ernstige problemen te verwachten ten gevolge van zijn sexuele geaardheid, dan kan hij op grond van het onderzoek van de arts als onindeelbaar worden geclassificeerd (ziektecode 309.9) | S3 | ||||
|
Indien het afwijkende gedrag alleen manifest wordt tijdens een psychose of een andere psychische stoornis, dient de aandoening geclassificeerd te worden onder de hoofddiagnose. Vaak komt meer dan één anomalie bij dezelfde persoon voor; in dat geval wordt de meest op de voorgrond tredende afwijking geclassicificeerd. Het verdient aanbeveling geen sexuele afwijkingen te diagnostiseren bij personen die afwijkend sexueel gedrag vertonen, wanneer de normale sexuele mogelijkheden voor hen niet beschikbaar zijn. |
|
| 1. Zoöfilie | Zoöfilie:sexuele of anale geslachtsgemeenschap met dieren. | ||||
| 2. Pedofilie | Pedofilie: sexuele afwijking waarbij een volwassene sexuele handelingen pleegt met een kind van hetzelfde of andere geslacht. | ||||
| 3. Transvestitisme | Transvestitisme: sexuele afwijking met herhaald en voortdurend dragen van kleding van het andere geslacht, en, in het eerste stadium van de ziekte, met het doel sexuele opwinding te bereiken. | ||||
| 4. Exhibitionisme | Exhibitionisme: sexuele afwijking, waarbij sexueel genot en bevrediging voornamelijk wordt bereikt door het tonen van genitalia aan iemand van het andere geslacht. | ||||
| 5. Trans-sexualisme |
Trans-sexualisme: een psychosexuele identiteitsstoornis gecentreerd rond de vaste overtuiging, dat het eigen anatomische geslacht verkeerd is. Het daaruit voortkomende gedrag is gericht op het veranderen van de geslachtsorganen door operatie, dan wel op het geheel verbergen van het anatomische geslacht door zowel de kleding als het gedrag van de andere sexe aan te nemen. Advies van een specialist is vereist. Personen lijdende aan trans-sexualisme worden ongeschikt verklaard: |
6.9 | |||
| 6. Stoornissen van de psychosexuele identiteit |
Psychosexuele geslachtsidentiteitsstoornissen: gedrag, optredend bij adolescenten met onrijpe psychosexualiteit of bij volwassenen, waarbij een discongruentie bestaat tussen het anatomische geslacht en de beleefde geslachtsidentiteit. Advies van een specialist is vereist. Personen lijdende aan een stoornis van de psychosexuele identiteit worden ongeschikt verklaard: |
6.9 | |||
| 7. Psychosexuele dysfunctie | Psychosexuele functiestoornissen: een groep van stoornissen, waarbij een herhaalde en persisterende dysfunctie aanwezig is gedurende sexuele activiteit. De dysfunctie kan steeds aanwezig geweest of verkregen zijn, algemeen of situatie bepaald, totaal of partieel. | ||||
|
8. Overige gespecificeerde psycho-sexuele stoornissen 9. Niet gespecificeerde psychosexuele stoornis |
Personen die lijden aan een psychosexuele functiestoornis kunnen in klasse S1 geplaatst worden: |
|
S1 |
| 303 | Alcohol verslavings syndroom | Alcohol verslavings syndroom: een psychische
en meestal ook lichamelijke toestand als gevolg van het gebruik van alcohol
en gekenmerkt door gedrags- en andere reacties die altijd een dwang inhouden
om alcohol te gebruiken, regelmatig of periodiek, om de psychische gevolgen
daarvan te ervaren en soms om het onplezierige gevoel bij het niet gebruiken
ervan te vermijden; tolerantie kan wel of niet aanwezig zijn. Een persoon
kan verslaafd zijn aan alcohol en aan andere middelen; in dat geval dient
ook de diagnose drugsverslaving geregistreerd te worden om het middel vast
te stellen. Ook wanneer alcoholverslaving gepaard gaat met alcoholpsychose
of met lichamelijke complicaties, dienen beide diagnoses te worden
vastgelegd. Personen met een alcoholverslaving worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | ||
| 0. Acute alcohol intoxicatie | Hieronder wordt verstaan: een psychische en lichamelijke toestand als gevolg van alcohol gebruik, gekenmerkt door lallend spreken, onzekere gang, slechte coördinatie, rood aangelopen gezicht, nystagmus, verlaagde reflexen, foetor alcoholica, luid spreken, emotionele onevenwichtigheid (bijv. joligheid gevolgd door somberheid), excessieve jovialiteit, overmatig praten en onbeheerst sexueel en agressief gedrag. | ||||
|
9. Overige en niet gespecificeerde alcoholverslaving |
|||||
| 304 | Verslaving aan "drugs"
|
Verslaving aan drugs: een toestand, psychisch
en soms ook lichamelijk, ontstaan door het gebruik van een 'drug',
gekarakteriseerd door gedragingen en andere reacties, die altijd de drang
inhouden een drug te gebruiken, voortdurend of periodiek, met de bedoeling
daarvan de psychische effecten te ondervinden, en soms om
onthoudingsverschijnselen te vermijden. Tolerantie kan al of niet aanwezig zijn. Iemand kan verslaafd zijn aan meer dan één drug. Personen die verslaafd zijn aan één van de hiergenoemde drugs worden ongeschikt verklaard: |
6.10 |
| 0. Opiaten e.d. 1. Barbituraten of sedativa en hypnotica met verwante werking 2. Cocaïne 3. Cannabis 4. Amfetamine en andere psychostimulantia 5. Hallucinogenen 6. Overige gespecificeerde verdovende middelen 7. Opiaten in combinatie met andere drugs 8. Andere combinaties van drugs dan met opiaten 9. Niet gespecificeerde middelen |
|||||
| 305 | Misbruik van 'drugs' of andere middelen zonder verslaving | Misbruik van drugs: omvat gevallen, waarbij
een persoon, voor wie geen andere diagnose mogelijk is, onder medische
behandeling is gekomen in verband met onaangepast gebruik van een middel
waaraan hij niet verslaafd is. (Zie verslaving aan drugs) en die hij op eigen initiatief heeft ingenomen ten detrimente van zijn gezondheid of zijn maatschappelijk functioneren. Indien het misbruik van drugs secundair is aan een psychiatrische stoornis, vermeldt dan deze stoornis als een aanvullende diagnose. |
|||
| 0. Alcohol | Misbruik van alcohol kan geclassificeerd worden als: | S1 | |||
| 1. Tabak | Misbruik van tabak kan geclassificeerd worden als: | S1 | |||
|
2. Cannabis 3. Hallucinogenen 4. Barbituraten en tranquillizers 5. Opiaten 6. Cocaïne 7. Amfetamine of sympathicomimetica met verwante werking 8. Antidepressiva e.d. 9. Overige gemengde of niet gespecificeerde middelen |
Misbruik van de hier verder genoemde drugs leidt tot ongeschiktverklaring: |
6.10 |
|
| 306 | Fysiologische functiestoornissen, veroorzaakt door psychische factoren | Psychofysiologische stoornissen (functionele
stoornissen): een veelheid van lichamelijke symptomen of patronen van
fysiologische dysfunctie van psychogene oorsprong, zonder
weefselbeschadiging, en gewoonlijk teweeggebracht via het autonome
zenuwstelsel. De afwijkingen worden geclassificeerd overeenkomstig het betrokken orgaansysteem. Indien het lichamelijke verschijnsel secundair is aan een psychiatrische afwijking die elders classificeerbaar is, wordt het lichamelijke symptoom niet geclassificeerd als een psychofysiologische stoornis. Indien weefselbeschadiging aanwezig is, dient de diagnose geclassificeerd te worden als psychische factoren bij lichamelijke ziekten (psychosomatische aandoeningen) nr. 316. Alle hiergenoemde afwijkingen leiden tot ongeschiktverklaring: |
6.9. | ||
|
0. Van het bewegingsstelsel 1. Van de luchtwegen 2. Van hart en bloedvaten 3. Van de huid 4. Van het spijsverteringskanaal 5. Van het urogenitaal systeem 6. Van endocriene klieren 7. Van zintuigen 8. Overige gespecificeerde psychofysiologische functiestoornissen 9. Niet gespecificeerde psychofysiologischefunctiestoornis |
|
|
| 307 | Speciale niet elders geclassificeerde symptomen of syndromen | ||||
| 0. Stamelen en stotteren |
Stotteren: stoornissen in het ritme van de spraak, waarbij de betrokkene precies weet wat hij wil zeggen, maar op dat moment niet in staat is het te zeggen door een onopzettelijke zich herhalende verlenging of afbreking van een klank. Personen die in ernstige mate stamelen en/of stotteren worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| 1. Anorexia nervosa |
Anorexia nervosa: een stoornis waarbij de voornaamste verschijnselen hardnekkige actieve voedselweigering en opvallend gewichtsverlies zijn. Het niveau van activiteit en alertheid is karakteristiek hoog in verhouding tot de mate van uittering. In het typische geval begint de stoornis bij meisjes in de tienerleeftijd, maar zij kan ook beginnen vóór de puberteit en komt zeldzaam voor bij mannen. Er treedt gewoonlijk amenorroe op en er kan een aantal andere fysiologische veranderingen zijn waaronder een langzame pols en ademhaling, lage lichaamstemperatuur en statisch oedeem. Ongewone eetgewoonten en instellingen t.o.v. voedsel zijn typisch en soms wisselen perioden van volledig hongeren en overeten elkaar af. Er kunnen uiteenlopende psychiatrische symptomen bij voorkomen. Personen die in ernstige mate lijden aan anorexia nervosa worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
|
2. Tics |
Tics: Stoornissen zonder bekende organische oorzaak, waarvan het opvallende kenmerk het bestaan is van snelle onopzettelijke, kennelijk doelloze, en vaak herhaalde bewegingen, die geen gevolg zijn van een neurologische aandoening. Ieder lichaamsdeel kan erbij betrokken zijn, maar de meest voorkomende lokalisatie is het gelaat. Soms is er maar één vorm van tic aanwezig, maar er kan ook een combinatie, afwisselend of opeenvolgend voordoen. Personen die in ernstige mate lijden aan tics worden ongeschikt verklaard: |
6.9 |
| 3. Stereotype zich herhalende bewegingen | Stereotype herhaalde bewegingen:
stoornissen waarbij willekeurige herhaalde stereotype bewegingen, die niet
het gevolg zijn van een psychiatrische of neurologische afwijking, het
hoofdkenmerk zijn. Dit omvat bonken met het hoofd (jactatio capitis),
schommelen, kronkelen, gemaniereerd met de vingers tikken of klikken, en in
de ogen wrijven. Deze bewegingen komen vooral voor in het geval van zwakzinnigheid met een zintuiglijke stoornis of met een eentonige omgeving. Personen met ernstige stereotype herhaalde bewegingen worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| 4. Specifieke slaapstoornissen van niet-organische oorsprong | Personen met ernstige slaapstoornissen van niet organische oorsprong worden ongeschikt verklaard: | 6.9. | |||
| 5. Overige en niet gespecificeerde eetstoornissen |
Eetstoornissen: een groep stoornissen, gekenmerkt door een opvallende verstoring van het eetgedrag. Personen met ernstige eetstoornissen worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| 6. Enuresis |
Enuresis: een stoornis met als hoofdkenmerk een persisterende onvrijwillige urinelozing, overdag of 's nachts, die als niet normaal voor de leeft d van de betrokkene moet worden beschouwd. Soms is het kind er niet in geslaagd de blaasfunctie te leren beheersen, in andere gevallen zal het deze beheersing bereikt en later weer verloren hebben. Episodische of fluctuerende enuresis wordt hier ook onder begrepen. Deze aandoening zal gewoonlijk niet worden gediagnostiseerd onder de leeftijd van 4 jaar.Een uitgebreide anamnese met inlichtingen van de huisarts is vereist. Personen met ernstige (d.i. meer dan 1 maal per week) of niet te genezen enuresis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
|
7. Encopresis |
Encopresis: een stoornis, waarvan het hoofdkenmerk is het persisterend, vrijwillig of onvrijwillig deponeren van gevormde ontlasting van normale of bijna-normale consistentie op plaatsen die daartoe, binnen de eigen socio-culturele omgeving niet zijn bestemd. Soms is het kind er niet in geslaagd de darmfunctie te leren beheersen, en soms heeft het deze beheersing bereikt maar werd later weer encopretisch. Er kan een grote variatie van ermee gekoppelde psychiatrische symptomen bestaan en er kan sprake zijn van smeren met faeces. Personen die lijden aan encopresis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
| 8. Psychalgie |
Psychalgie: pijn van psychische origine, bijv. hoofdpijn of rugpijn waarvoor geen meer nauwkeurige somatische of psychiatrische diagnose kan worden gesteld. Personen die in ernstige mate lijden aan een vorm van psychalgie worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
|
9. Overige en niet gespecificeerde speciale symptomen of syndromen, niet elders geclassificeerd |
Personen die in ernstige mate duimzuigen, haar uittrekken, lallen, lispelen, nagelbijten worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
|||
| 308 | Acute reactie op stress | Hieronder wordt verstaan: acute en
voorbijgaande stoornissen van iedere ernst en aard op het gebied van
emoties, het bewustzijn en psychomotorische toestandsbeelden (alleen of in
combinatie), die plaats vinden bij personen, zonder enige duidelijke van
tevoren bestaande psychische stoornis, als respons op uitzonderlijke
lichamelijke of psychische stress, zoals een natuurramp of een veldslag, en
die gewoonlijk slechts enkele uren of dagen duurt. Een acute reactie op stress met voornamelijk een stoornis in de emoties kan S1 worden geclassificeerd: |
S1 | ||
| Een acute reactie op stress met bewustzijnsstoornissen leidt, eventueel na psychiatrisch advies, tot ongeschiktverklaring: | 6.9. | ||||
| Een acute reactie op stress met psychomotorische stoornissen leidt, eventueel na psychiatrisch advies tot ongeschiktverklaring: | 6.9. | ||||
| Andere acute reacties op stress kunnen eventueel na specialistisch advies S1 worden geclassificeerd: | S1 | ||||
|
0. Voornamelijk verstoring in de emoties 1. Voornamelijk stoornis van het bewustzijn 2. Voornamelijk stoornis van de psychomotoriek |
|
| 3. Overige gespecificeerde acute reacties op
stress 4. Gemengde stoornissen als reactie op stress 9. Niet gespecificeerde acute reactie op stress |
|||||
| 309 | Aanpassingsreacties | Aanpassingsstoornis of -reactie:
lichte of voorbijgaande stoornissen die langer duren dan acute stress
reacties en die optreden bij personen van alle leeftijden zonder duidelijke
tevoren bestaande psychische stoornis. Deze stoornissen zijn vaak betrekkelijk omschreven of specifiek voor een situatie; ze zijn meestal reversibel duren gewoonlijk slechts enkele maanden. Ze zijn gewoonlijk qua tijd en inhoud nauw verbonden met belastende omstandigheden zoals verlies van een geliefde persoon, migratie of andere ervaringen. Reacties op duidelijke stress, langer durend dan een paar dagen, worden hier ook bij gerekend. Bij kinderen gaan deze stoornissen niet gepaard met een afwijking van enige betekenis in de ontwikkeling. |
|||
| Depressieve reactie: Depressieve toestanden die niet gespecificeerd kunnen worden als manisch-depressief, psychotisch of neurotisch: | S1 | ||||
| 0. Kortdurende depressieve reactie 1. Langdurige depressieve reactie |
Kortdurend: In het algemeen voorbijgaand, waarbij de depressieve symptomen gewoonlijk naar tijd en inhoud nauw verbonden zijn met enigerlei belastende gebeurtenis. Langerdurend: In het algemeen langdurend en zich ontwikkelend in verband met een langer bestaande expositie aan een belastende situatie. Zo nodig wordt een specialist geconsulteerd. Personen met een depressieve aanpassingsreactie worden hooguit in klasse S2 geplaatst: |
(6.9.) | S2 | ||
|
2. Met voornamelijk stoornis van andere emoties |
Emotionele stoornis: een aanpassingsstoornis waarbij de voornaamste symptomen emotioneel van aard zijn (bijv. angst, vreest, tobben), maar niet specifiek depressief. Personen met een emotionele aanpassingsstoornis worden hooguit in klasse S2 geplaatst: |
(6.9.) |
S2 |
| 3. Met voornamelijk stoornis in het gedrag | Gedragsstoornis: lichte of
voorbijgaande stoornissen waarbij de voornaamste stoornis overwegend een
afwijkend gedrag inhoudt (bijv. een rouwreactie bij een adolescent die zich
uit in agressief of antisociaal gedrag). Personen met een gedragsstoornis als aanpassingsreactie worden hooguit in klasse S2 geplaatst: Zo nodig wordt een specialist geconsulteerd. |
(6.9.) | S2 | ||
| 4. Met gemengde stoornis van emoties en gedrag |
Gemengde gedrags- en emotionele stoornis: een aanpassingsreactie waarbij zowel emotionele als gedragsstoornissen op de voorgrond tredende kenmerken zijn. Personen met een gemengde gedrags- en emotionele aanpassingsstoornis worden hooguit in klasse S2 geplaatst: Zo nodig wordt een specialist geconsulteerd. |
(6.9.) | S2 | ||
|
8. Overige gespecificeerde aanpassingsreacties 9. Niet gespecificeerde (te verwachten) aanpassingsreactie |
Personen met een aanpassingsstoornis worden hooguit in klasse S2 geplaatst: |
(6.9.) | S2 | ||
| 310 | Specifieke niet-psychotische psychische stoornissen t.g.v. organische hersenbeschadiging | ||||
|
0. Syndroom van de frontaalkwab
|
Frontaal syndroom: veranderingen in het gedrag na beschadiging van de frontale delen van de hersenen of na onderbreken van de verbindingen met deze gebieden. Er is een algemene vermindering van de zelfcontrole, het tevoren overwegen, de creativiteit en spontaniteit, die zich kan uiten als verhoogde prikkelbaarheid, zelfzuchtigheid, rusteloosheid en het ontbreken van het rekening houden met anderen. De nauwgezetheid en het vermogen tot concentratie zijn vaak verminderd, maar meetbare vermindering van het intellect of de geheugenfunctie hoeft niet te bestaan. Het totale beeld houdt vaak een emotionele onbewogenheid in, gebrek aan initiatief, sloomheid; meer, vooral bij personen die tevoren energieke, rusteloze of agressieve kenmerken hadden, kan er een verandering zijn naar impulsiviteit, grootspraak, driftuitbarstingen, onzinnige humor en de ontwikkeling van onrealistische ambities; de richting van de verandering hangt over het algemeen af van de tevoren bestaande persoonlijkheidsstructuur. Een aanzienlijke graad van herstel is mogelijk en kan zich uitstrekken over vele jaren. Personen die lijden aan een frontaalkwab syndroom worden ongeschikt verklaard: |
6.1. |
| 1. Op organische oorzaak gebaseerd psychosyndroom |
Organisch psychosyndroom: een niet-psychotische organische psychische stoornis, die lijkt op het postcommotionele syndroom en die verband houdt met gelokaliseerde ziekten van de hersenen of de omringende weefsels. Personen die lijden aan een organisch psychosyndroom worden ongeschikt verklaard: |
6.1. | |||
| 2. Post commotioneel syndroom |
Postcommotioneel syndroom: toestandsbeelden optredend na gegeneraliseerde commotie of contusie van de hersenen, waarbij het symptomenbeeld kan lijken op dat van het frontaal syndroom of dat van een of andere neurotische stoornis, maar waarbij tevens vaak verschijnselen op de voorgrond treden als hoofdpijn, duizeligheid, vermoeidheid, slapeloosheid en een subjectief gevoel van verminderde intellectuele mogelijkheden. De stemming kan wisselen en heel gewone belasting kan overdreven angst en vrees oproepen. Soms wordt psychische of lichamelijke inspanning bijzonder slecht verdragen, er kan overgevoeligheid voor geluid bestaan of hypochondrische preoccupatie. Deze verschijnselen komen vooral voor bij personen die tevoren geleden hebben aan neurotische of persoonlijkheidsstoornissen, of wanneer er mogelijkheden tot secundaire ziektewinst bestaan. Dit syndroom komt vooral voor bij gesloten schedelletsel, waarbij de verschijnselen van plaatselijke hersenbeschadiging gering of afwezig zijn, maar kan zich ook bij andere letsels voordoen. Personen die een schedel-hersentrauma hebben doorgemaakt, doch volledig hersteld zijn zonder restverschijnselen, kunnen in A1 worden geplaatst. |
A1 | |||
|
Bij postcommotionele klachten dient de anamnese gestaafd te worden met gestaafd te worden met gedegen en van kritisch oordeel getuigende verklaringen van huisarts, specialist of onderdeelsarts (voor werkelijk dienende militairen). Vooral, indien blijkt dat de klachten in het burgerberoep of buiten dienst geen aanleiding geven tot stoornissen van enig belang, is plaatsing in A1 redelijk: |
|
A1 |
In ernstiger gevallen, afhankelijk van de aard van de restverschijnselen, te beoordelen ten minste één jaar na klinisch herstel kan ongeschiktverklaring noodzakelijk zijn: Hierbij kan specialistisch advies noodzakelijk zijn. |
6.4. | ||||
| Indien dit jaar nog niet is verstreken en voor de eerste maal een uitspraak moet worden gedaan, dient ook zonder het bestaan van restverschijnselen tijdelijke ongeschiktverklaring te volgen: | 6.4. | ||||
| Indien in de anamnese een lichte commotio cerebri voorkomt, waarvan
betrokkene bij de keuring geen klachten meer heeft, kan, ook als nog geen
jaar verstreken, A1 worden geclassificeerd: Overigens dient speciale aandacht aan de intelligentie en de stabiliteit te worden geschonken. |
A1 | ||||
| Personen die lijden aan een postcommotioneel syndroom worden ongeschikt verklaard: | 6.4. | ||||
|
8. Overige gespecificeerde niet-psychotische psychische stoornissen na organische hersenbeschadiging 9. Niet gespecificeerde niet-psychotische psychische stoornis na organische hersenbeschadiging |
Indien restloos genezen: Zo nodig wordt een specialist geconsulteerd Personen met een niet-psychotische psychische stoornis t.g.v. organische hersenbeschadiging worden ongeschikt verklaard: |
6.4. |
A1 |
||
| 311 | Depressieve stoornis, niet elders geclassificeerd | Depressie: depressieve
toestandsbeelden, gewoonlijk matige, maar soms met aanzienlijke intensiteit,
die geen specifiek manisch-depressieve of andere psychotisch depressieve
kenmerken hebben en die niet gekoppeld lijken te zijn aan gebeurtenissen met
stress of aan andere kenmerken, gespecificeerd onder neurotische depressie. Een specialistisch advies is gewenst. Personen die lijden aan een depressieve stoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
| 312 | Gedragsstoornis, niet elders geclassificeerd | Gedragsstoornissen: stoornissen met in
het algemeen agressie en destructief gedrag en stoornissen met crimineel
gedrag. Dit begrip dient te worden gebruikt voor abnormaal gedrag, bij personen van iedere leeftijd, dat aanleiding geeft tot maatschappelijke afkeuring maar dat geen deel uitmaakt van een andere psychiatrische aandoening. Lichte emotionele stoornissen kunnen eveneens aanwezig zijn. Om hier onder te vallen moet het gedrag, door zijn frequentie, ernst en aard van het verband met andere symptomen, abnormaal zijn in de gegeven context. Gedragsstoornissen worden onderscheiden van aanpassingsreacties door een langere duur en door het ontbreken van een nauwe relatie in tijd en inhoud met enige stress. Ze verschillen van een persoonlijkheidsstoornis door de afwezigheid van diep verankerde slecht aangepast gedragspatronen, die vanaf de adolescentie of eerder aanwezig zijn. |
|||
|
0. Agressieve vorm van gedragsstoornis, niet in groepsverband 1. Niet-agressieve vorm van gedragsstoornis, niet in groepsverband |
Niet-agressieve vorm: een stoornis waarbij er een gebrek is in het respecteren van de rechten en de gevoelens van anderen in zodanige mate dat het wijst op het onvermogen een normale mate van genegenheid, empathie of verbondenheid met anderen te voelen Er komen twee gedragspatronen voor. In het ene is de betrokkene angstig en timide, mist zelfverzekerdheid, vlucht in zelfbeschermend en manupulerend liegen, geeft zich over aan eisend gedrag en woedebuien, voelt zich afgewezen en oneerlijk behandeld en is wantrouwend ten opzichte van anderen In het andere patroon van deze stoornis benadert de betrokkene anderen slechts ten behoeve van zijn eigen voordeel en handelt uitsluitend met het doel te exploiteren en af te dwingen De betrokkene liegt onbeschaamd en steelt, schijnbaar zonder schuld te voelen en vormt geen sociale betrekkingen met andere personen. Personen die in ernstige mate lijden aan een (niet-) agressieve gedragsstoornis niet in groepsverband, worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
| 2. Gedragsstoornissen in groepsverband | In groepsverband: gedragsstoornissen
bij personen die de waarden of het gedrag hebben aangenomen van een
delinquente groep, ten opzichte waarvan zij zich loyaal gedragen en waarmee
zij stelen, spijbelen of tot laat in de nacht uitgaan. Er kan ook sexuele promiscuïteit voorkomen. Personen met ernstige gedragsstoornissen in groepsverband worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| 3. Stoornissen in de impulscontrole, niet elders geclassificeerd |
Stoornissen van de impulscontrole: het niet in staat zijn een impuls, aandrang of verleiding te weerstaan om enige actie uit te voeren, die schadelijk is voor de betrokkene of voor anderen. De impuls kan al of niet bewust worden tegen gegaan, de daad kan al of niet tevoren zijn beraamd of overdacht. Voorafgaand aan de daad bestaat een toenemend gevoel van spanning en ten tijde van het begaan van de daad is er een ervaring van lust, bevrediging of opluchting. Onmiddellijk na de daad kan er al dan niet echte spijt, zelfverwijt of schuldgevoel aanwezig zijn. Personen die lijden aan een stoornis van de impulscontrole dienen ongeschikt verklaard te worden: |
6.9. | |||
| 4. Gemengde stoornis van gedrag en emoties |
Gemengde gedrags- en emotionele stoornis: een stoornis, gekarakteriseerd door kenmerken van gestoord gedrag, al dan niet in groepsverband, waarbij ook een aanzienlijke emotionele stoornis aanwezig is, blijkend uit b.v. angst of paranoïde verschijnselen. Personen die lijden aan een gemengde gedrags- en emotionele stoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
|
8. Overige gespecificeerde gedragsstoornissen, niet elders geclassificeerd 9. Niet gespecificeerde gedragsstoornis |
Personen die lijden aan overige gedragsstoornissen worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
|||
| 313 | Stoornissen van de emotie specifiek voor kinderleeftijd en adolescentie | Emotionele stoornissen, specifiek voor
kinderleeftijd en adolescentie: minder duidelijk gedifferentieerde
emotionele stoornissen karakteristiek voor de kinderleeftijd. Indien de
emotionele stoornis de vorm van een neurose aanneemt, dient de daarbij
behorende diagnose te worden gesteld. De stoornissen verschillen van aanpassingsreacties door een langere duur en door het ontbreken van een duidelijke relatie naar tijd en inhoud ten opzichte van enige stress. |
| 0. Overbezorgdheidsstoornis | Overbezorgdheidsstoornis: een slecht
omschreven emotionele stoornis, specifiek voor de kinderleeftijd, waarbij de
belangrijkste symptomen angst en vrees inhouden. Indien restloos genezen: Bij twijfel is een specialistisch advies gewenst. |
(6.9.) | S1 | ||
| 1. Met zich ellendig en ongelukkig voelen |
Ongelukkig en ellendig voelen (misery and unhappiness disorder): een emotionele stoornis, karakteristiek voor de kinderleeftijd, waarbij de belangrijkste symptomen gevoelens van ongelukkig en ellendig voelen zijn. Er kunnen ook eet- en slaapstoornissen bestaan. Indien restloos genezen: Bij twijfel is een specialistisch advies gewenst. |
(6.9.) | S1 | ||
| 2. Met (over-)gevoeligheid, schuwheid en sociaal terugtrekken |
Verlegenheidssyndroom van de kinderleeftijd: een persisterend en excessief terugdeinzen voor vertrouwelijkheid of contact met allen die vreemd zijn, van zodanige ernst dat het een normaal omgaan met anderen beperkt, hoewel er normale en bevredigende relaties zijn met gezinsleden. Een kenmerkend verschijnsel van deze stoornis is dat het ontwijkende gedrag ten opzichte van vreemden blijft bestaan, zelfs na een langere duur of intensiever contact. Indien restloos genezen: Bij twijfel is specialistisch advies gewenst. |
(6.9.) | S1 | ||
| 3. Relatieproblemen |
Relatieproblemen van de kinderleeftijd: emotionele stoornissen, kenmerkend voor de kinderleeftijd, waarbij de voornaamste verschijnselen betrekking hebben op relatieproblemen. Indien restloos genezen: Bij twijfel is een specialistisch advies gewenst. |
(6.9.) | S1 | ||
|
8. Overige gemengde emotionele stoornissen van kinderleeftijd adolescentie 9. Niet gespecificeerde emotionele stoornis van kinderleeftijd |
Voor de hiergenoemde emotionele stoornissen geldt: Indien restloos genezen: Bij twijfel is een specialistisch advies gewenst. |
(6.9.) |
S1
|
||
| 314 | Hyperkinetisch syndroom van de kinderleeftijd | Hyperkinetisch syndroom van de
kinderleeftijd: stoornissen waarbij de hoofdkenmerken beperkte
aandachtsconcentratie en verhoogde afleidbaarheid zijn. Bij het jonge kind
is het meest opvallende symptoom slecht beheerste, slecht georganiseerde en
slecht gereguleerde extreme hyperactiviteit, maar in de adolescentie kan
deze vervangen worden door verminderde activiteit. |
| 0. Stoornis met tekort aan aandacht | Verstoring van de aandachtsconcentratie: gevallen van hyperkinetisch syndroom waarbij de beperking van de mogelijkheid tot aandachtsconcentratie, de verhoogde afleidbaarheid en de hyperactiviteit de hoofdkenmerken zijn zonder beduidende verstoring van het gedrag of vertraging in de ontwikkeling van specifieke vaardigheden. Indien restloos genezen: Bij twijfel is een specialistisch advies gewenst. |
S1 | |||
| 1. Hyperkinetisie met vertraagde ontwikkeling |
Hyperkinesie met vertraagde ontwikkeling: gevallen, waarbij het hyperkinetisch syndroom gecombineerd is met vertraagde spraakontwikkeling, leesmoeilijkheden of andere vertragingen bij de ontwikkeling van specifieke vaardigheden. Indien restloos genezen kan S1 worden geclassificeerd: Bij twijfel is een specialistisch advies gewenst. |
S1 | |||
| 2. Hyperkinetische gedragsstoornis |
Hyperkinetische gedragsstoornis: gevallen, waarbij het hyperkinetisch syndroom gecombineerd is met een duidelijke gedragsstoornis, maar zonder vertraagde ontwikkeling. Indien restloos genezen: Bij twijfel is een specialistisch advies gewenst. |
S1 | |||
|
8. Overige gespecificeerde uitingen van het hyperkinetische syndroom 9. Niet gespecificeerde hyperkinetisch syndroom |
Indien restloos genezen: Bij twijfel is specialistisch advies gewenst. |
S1 |
| 315 | Specifieke vertraging in ontwikkeling | Vertraagde ontwikkeling, specifieke
stoornissen: een groep stoornissen, waar vertraging in de ontwikkeling
het hoofdkenmerk is. Voor velen is de vertraging niet verklaarbaar in termen
van algemene intellectuele retardatie of van onvoldoende opleiding. In ieder geval is de ontwikkeling gerelateerd aan biologische rijping, maar ze wordt ook beïnvloed door niet-biologische factoren. Een diagnose van specifieke vertraging in de ontwikkeling heeft geen etiologische implicaties. De diagnose van specifieke vertraging in de ontwikkeling behoort niet te worden gesteld indien deze een gevolg is van een bekende neurologische stoornis.
|
|||
| 0. Specifieke leesstoornis |
Leesstoornis of -retardatie: stoornissen, waarbij het hoofdkenmerk een ernstige vermindering is in de ontwikkeling van het lezen of spellen, die niet verklaarbaar is in termen van algemeen intellectuele retardatie of van onvoldoende opleiding. Spraak- of taalmoeilijkheden, verminderde rechts-links differentiatie, sensomotorische problemen en codeermoeilijkheden zijn vaak geassocieerd. Soortgelijke problemen komen vaak voor ook bij familieleden. Ongunstige psychosociale factoren kunnen aanwezig zijn. Personen die lijden aan een leesstoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| 1. Specifieke rekenstoornis |
Rekenstoornis: stoornissen waarvan het hoofdkenmerk een ernstige vermindering in de ontwikkeling van rekenkundige vaardigheden is. Personen die lijden aan een rekenstoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| 2. Overige specifieke leermoeilijkheden | Personen die lijden aan overige vormen van leermoeilijkheden worden ongeschikt verklaard: | 6.9. | |||
|
|
3. Stoornis in de spraak- of taalontwikkeling |
Spraak- of taalstoornissen, waarbij het hoofdkenmerk een ernstige remming
is in de ontwikkeling van de spraak of de taal (syntactisch), die niet
verklaarbaar is in termen van algemene achterstand. Gewoonlijk is er een
achterstand in de ontwikkeling van de normale woordklank productie met als
gevolg defecten in de articulatie. Weglaten of vervangen van medeklinkers
komt het meest voor. |
6.9./7.12 |
| 4. Coördinatiestoornis | Coördinatiestoornis: stoornissen, waarvan het hoofdkenmerk een ernstige vermindering in de ontwikkeling van de motorische coördinatie is, die niet verklaarbaar is in termen van algemene intellectuele retardatie. De onbeholpenheid is gewoonlijk gecombineerd met perceptiemoeilijkheden. Personen met een coördinatiestoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
| 5. Gemengde ontwikkelingsstoornis |
Gemengde ontwikkelingsstoornis: een vertraging in de ontwikkeling van één specifieke vaardigheid (bijv. lezen, rekenen, spraak of coördinatie) komt vaak voor in combinatie met geringere vertragingen van andere bekwaamheden. Indien dit voorkomt dient de diagnose te worden gesteld in overeenstemming met de bekwaamheid, die het minst is ontwikkeld. De menggroep behoort slechts te worden gebruikt als in het mengsel van vertraagde vaardigheden niet één bekwaamheid overwegend aangedaan is. Personen met een gemengde ontwikkelingsstoornis worden ongeschikt verklaard: |
6.9. | |||
|
8. Overige gespecificeerde vertragingen in de ontwikkeling 9. Niet gespecificeerde vertraging in de ontwikkeling |
Personen die lijden aan overige en niet gespecificeerde vormen van vertraging in de ontwikkeling worden ongeschikt verklaard: |
6.9. |
|||
| 316 | Psychische factoren verband houdend met elders geclassificeerd ziekten | Psychische factoren bij lichamelijke
ziekten (psychosomatische aandoeningen): Psychische stoornissen of
factoren van allerlei aard, die naar men meent een belangrijke rol hebben
gespeeld in de etiologie van lichamelijke aandoeningen, gewoonlijk gepaard
gaande met weefselbeschadiging, die elders worden geclassificeerd. De psychische stoornis is gewoonlijk licht en niet specifiek en de psychische factoren (tobben, angst, conflict e.d.) kunnen aanwezig zijn zonder duidelijke psychiatrische afwijking. Voorbeelden van deze aandoening zijn astma, dermatitis, eczeem, ulcus duodeni, colitis ulcerosa en urticaria, gespecificeerd als gevolg van psychogene factoren. Gebruik een aanvullende diagnose om de lichamelijke afwijkingen aan te geven. In het zeldzame geval dat een duidelijke psychiatrische afwijking oorzakelijk van betekenis wordt geacht voor een lichamelijke aandoening, dient de psychiatrische diagnose ook te worden geregistreerd. Voor classificatie: zie de betreffende ziekte. Voorlopige richtlijnen t.a.v. de I-classificatie: De vaststelling van de I-classificatie wordt voornamelijk verricht met behulp van de schoolresultaten. In het algemeen kan worden gesteld: |
| 6 klassen gewoon lager onderwijs, gevolgd door een vervolgopleiding (met of zonder diploma): | I1 | ||||
| 6 klassen gewoon lager onderwijs, met maximaal 2 doublures, gevolgd door een met succes afgeronde LBO B of C: | I1 | ||||
| 6 klassen gewoon lager onderwijs, met maximaal 2 doublures, gevolgd door een met succes afgeronde LBO A: | I2 | ||||
| buitengewoon lager onderwijs (ITO) zonder vervolgopleiding, maximaal: | I2 | ||||
|
In twijfelgevallen dient gebruik te worden gemaakt van de Kent-Emergency-Test, waarbij: Zie bijgevoegd schema. |
|
Ziekte code |
Ziekte c.q. afwijking |
Aanwijzing voor keurend arts |
MKR-nr |
ABOHZIS |
|
| 317-319 | Zwakzinnigheid | Zwakzinnigheid: een toestand van
geremde of onvolledige ontwikkeling van geestelijke vermogens, die vooral
wordt gekenmerkt door een verlaagd intelligentieniveau. De codering dient te
berusten op het huidige niveau van functioneren van betrokkene onafhankelijk
van de aard of oorzaak ervan, zoals psychose of culturele verwaarlozing,
syndroom van Down, enz.
Indien er een specifieke cognitieve handicap bestaat -zoals bijv. in de spraak- dient de diagnose zwakzinnigheid gebaseerd te worden op de vaststelling van het ontwikkelingsniveau buiten het gebied van de specifieke handicap. De vaststelling van het intellectuele niveau dient gebaseerd te worden op alle beschikbare informatie met inbegrip van klinische gegevens, aanpassingsmogelijkheden en psychometrische bevindingen. De gebruikte IQ niveaus zijn gebaseerd op een test met een gemiddelde van 100 en een standaarddeviatie van 15 zoals in de Wechsler schalen. Zij worden slechts als richtlijn vermeld en dienen niet star te worden toegepast. Zwakzinnigheid gaat vaak gepaard met psychiatrische stoornissen en ontwikkelt zich vaak als gevolg van een lichamelijke ziekte of verwonding. In deze gevallen dient een aanvullende diagnose te worden geregistreerd om de tevens bestaande aandoening, lichamelijk of psychiatrisch, vast te leggen. |
|||
| 317 | Lichte zwakzinnigheid | Licht: IQ criterium 50-70. Personen
met dit retardatieniveau zijn gewoonlijk opvoedbaar. Gedurende de periode
vóór de school kunnen zij sociale en communicatieve vaardigheden
ontwikkelen, minimale achterstand in sensomotorische gebieden hebben, en
vaak worden zij pas op latere leeftijd van normale kinderen onderscheiden.
Op de schoolleeftijd kunnen zij schoolvaardigheden tot ongeveer het peil van
de zesde klas aanleren. Tijdens de jaren van volwassenheid kunnen zij zich
gewoonlijk sociale en beroepsvaardigheden eigen maken, voldoende voor een
minimum aan zelfonderhoud, maar in tijd van sociale of economische stress
kunnen ze bijstand en leiding nodig hebben. Personen met een lichte zwakzinnigheid worden ongeschikt verklaard: |
6.11 |
| 318 | Overige vormen van zwakzinnigheid | ||||
| 0. Matige zwakzinnigheid |
Matig: IQ criterium 35-49. Personen met dit retardatieniveau zijn gewoonlijk te trainen. Tijden de periode vóór school kunnen zij praten of leren om contact te onderhouden. Zij hebben een slecht sociaal bewustzijn en een vrij goede motorische ontwikkeling. Op de schoolleeftijd kunnen zij profiteren van training in sociale en beroepsvaardigheden, maar meestal komen zij niet verder dan het niveau van de tweede klas bij leeronderwerpen. Tijdens de jaren van volwassenheid kunnen zij zelfhandhaving bij ongeschoold of halfgeschoold werk bereiken onder beschermde omstandigheden. Zij hebben supervisie en leiding nodig als ze lichte sociale of economische stress ontmoeten. Personen met een matige zwakzinnigheid worden ongeschikt verklaard: |
6.11 | |||
| 1. Ernstige zwakzinnigheid |
Ernstig: IQ criterium 20-34. Personen met dit retardatieniveau vertonen een geringe motorische ontwikkeling, een minimum aan spraak en zijn meestal niet in staat te profiteren van training en zelfhulp in de periode vóór de school. Op de schoolleeftijd kunnen zij praten of leren contact te onderhouden, ze kunnen getraind worden in elementaire hygiënische gewoonten en profiteren van systematische training van gewoonten. Tijden de jaren van volwassenheid kunnen ze gedeeltelijk bijdragen aan zelfhandhaving onder volledig toezicht. Ernstige zwakzinnigheid leidt tot ongeschiktverklaring: |
6.11 | |||
|
2. Diepe zwakzinnigheid |
Diep: IQ criterium minder dan 20. Personen met dit retardatieniveau vertonen een minimaal vermogen voor sensorisch-motorisch functioneren en hebben verzorging nodig tijden de periode vóór de school. Op de schoolleeftijd vindt soms wel verdere motorische ontwikkeling plaats, en soms reageren zij op minimale of beperkte training in zelfhulp. Op de volwassen leeftijd kan enige motorische of spraakontwikkeling plaatsvinden, en zij kunnen slechts soms een zeer beperkt niveau van zelfzorg bereiken en hebben verzorging nodig. Diepe zwakzinnigheid leidt tot ongeschiktverklaring: |
6.11 | |||
| 319 | Niet gespecificeerde zwakzinnigheid | Niet gespecificeerd zwakzinnigheid leidt tot ongeschiktverklaring: | 6.11 |