| A | B | C | D | E | F | G | H | I | K | L | M |
| N | O | P | R | S | T | U | V | W |
A |
|
| absorberen | opnemen in |
| adsorberen | hechten aan |
| adsorbens | stof waarin zich gemakkelijk deeltjes hechten; b.v.: fijn verdeeld koolstof (norit) is een adsorbens |
| aerosol | een zeer fijne verdeling van vaste of vloeibare deeltjes in lucht, meestal onzichtbaar; gedraagt zich als een damp |
| agentia | stoffen of verbindingen met een bepaalde activiteit; b.v.: zuurstof is een oxiderend agens |
| alkyleren | benaming voor een scheikundige bewerking waar bij een alkylgroep in de moleculen wordt in gevoerd |
| anaesthetica | pijnverdovende geneesmiddelen |
| anxiolytica | angstbestrijdende geneesmiddelen |
| aritmie | storing van het normale ritme; b.v.: hartaritmie |
| atelectase | dichtklappen van longblaasjes |
| atomen | elementaire deeltjes waaruit een molecuul is opgebouwd; er bestaan 104 verschillende soorten atomen(elementen) |
| autokatalyse | een katalyse (zie aldaar) waarbij het gevormde reactieprodukt de reactie versnelt |
B |
|
| bacteriaemie | het in het bloed aanwezig zijn van bacteriën (zie ook: sepsis) |
| basisch | basische stoffen kunnen protonen
(waterstofionen) opnemen; b.v.: ammonia en natriumhydroxide (natronloog);
basisch is het tegenovergestelde van zuur (een zure stof kan dus protonen
afgeven) |
| besmetting (medisch) | de aanwezigheid op en/of in het lichaam van lichaamsvreemde stoffen, deeltjes of micro-organismen |
| besmetting (nbc-technisch) | de aanwezigheid en/of de adsorptie van radioactief materiaal, biologische of chemische strijdmiddelen op en door gebouwen, terrein, personeel of materieel |
C |
|
| capillair | bestaand uit minuscuul kleine buisjes; capillaire buisjes zuigen vloeistof spontaan op |
| causaal | oorzakelijk; b.v.: als een verstopte neus wordt veroorzaakt door een bacterie-infectie spreekt men van causale behandeling als de bacteriën zou den worden gedood; als de neusverstopping wordt opgeheven door alleen het slijmvlies te laten slinken, spreekt men van een symptomatische behandeling |
| cellen | de kleinste bouwstenen van weefsels, organen en orgaanstelsels |
| chloreren | chemisch laten reageren met chloor waardoor chlooratomen in het molecuul worden ingevoerd |
| cluster | groep van bij elkaar gelegen dingen met overeenkomstige eigenschappen; b.v.: een cluster cellen |
| colorimetrie | meetmethode waarbij gebruik wordt gemaakt van kleuren: b.v.: een colorimetrische bepaling: een bepaling waarbij met behulp van de kleurintensiteit gegevens worden verkregen |
| contractuur | dwangstand van een gewricht. Contracturen worden onder andere veroorzaakt door littekenvorming na ernstige brandwonden en mosterdgaslesies. |
| contra-indicatie | een reden om een bepaalde geneeskundige handeling bij voorkeur niet uit te voeren |
| convulsies | stuiptrekkingen |
D |
|
| dampdichtheid | verhouding tussen de gemiddelde moleculaire massa van lucht en die van een damp of gas. De gemiddelde moleculaire massa van lucht is 29.0. Per definitie is de dampdichtheid van lucht der halve 1 |
| dampspanning | de partiële atmosferische druk die bij een bepaalde temperatuur uitgeoefend wordt door de damp van een bepaalde stof in lucht, indien die lucht in evenwicht verkeert met de vloeibare fase van die stof, d.w.z. bij de heersende temperatuur met de ze stof verzadigd is. Bij het kookpunt van een stof is de dampspanning per definitie gelijk aan de dan heersende atmosferische druk. Hoe hoger de dampspanning, hoe vluchtiger de vloeistof |
| dichtheid | de verhouding tussen de gewichten van gelijke volumina van een stof en die van water. Een stof die op water drijft heeft een dichtheid kleiner dan 1 en een stof die zinkt een dichtheid groter dan 1. Die van water zelf is per definitie 1 |
| defibrilleren | geneeskundige behandeling van fibrilleren |
| derivaten | afgeleide chemische verbindingen; b.v.: stikstof mosterdgas is een derivaat van mosterdgas |
| doorslagtijd | tijd die verstrijkt voordat een bepaalde stof ergens doorheen is gegaan |
E |
|
| elektrochemie | leer der omzetting van chemische in elektrische energie en omgekeerd |
| emfyseem | beschadiging van de longblaasjes |
| enzym | een eiwit dat chemische reacties versnelt (katalyse) |
| erytheem | roodheid van de huid die door druk verdwijnt; de roodheid wordt veroorzaakt door de aanwezigheid, meestal door vaatverwijding, van meer bloed onder de huid |
| eutecticum | mengsel van twee of meer stoffen in een (eutectische) verhouding die het laagst mogelijke smeltpunt oplevert dat van een mengsel van die stoffen mogelijk is |
| excitatie | staat van opgewondenheid |
F |
|
| farmacologie | leer der werking van geneesmiddelen |
| fibrilleren | onregelmatige samentrekkingen van telkens andere vezels van de hartspier |
| fosfonylgroep | chemische groep met de volgende structuur ![]() |
| fotochemie | het deel van de scheikunde dat zich bezighoudt met de invloed van licht op chemische reacties |
| fysiologie | leer van de levensverrichtingen; met de wetenschap der fysiologie wordt doorgaans bedoeld de leer van de mechanismen die het lichaam in stand houden; b.v.: het sneller kloppen van het hart bij hardlopen is een fysiologisch proces |
G |
|
| genitalia | geslachtsdelen |
| glycolaten | een zout of ester van glycolzuur |
H |
|
| halfgeleider | stof die elektriciteit slecht of alleen onder bepaalde omstandigheden geleidt |
| halogenen | de elementen uit de zevende hoofdgroep van het periodiek systeem (de systematische rangschikking van alle elementen). Het zijn: fluor (F), chloor (Cl), broom (Br), jodium (1) en astaat (At). De elementen worden gekenmerkt doordat zij in zuivere vorm altijd moleculen vormen van 2 atomen (dus CL2, Br2, etc.) en ioniseren onder op name van één elektron. De gevormde ionen zijn dus F-, At-, etc. |
| hematocrietwaarde | volumepercentage dat door cellen in het bloed wordt ingenomen |
| hemoglobine | een zich in de rode bloedlichaampjes bevindend eiwit voor het transport van zuurstof |
| hydrolyse | ontleding van een verbinding in andere waarbij
een molecuul water wordt gesplitst; b.v.
(de onderstreepte atomen zijn afkomstig van het water) |
| hydroxylgroep | OH-groep, ook wel alcoholgroep genoemd, als onderdeel van een molecuul |
I |
|
| impermeabel | ondoorgankelijk, ondoordringbaar |
| incapacitering | negatieve invloed uitoefenend op het lichamelijk en/of geestelijk functioneren van mens of dier |
| indicatie | aanwijzing om een geneeskundige handeling uit te voeren |
| infrarood licht | licht met een golflengte die groter is dan die van zichtbaar licht |
| infrastructuur | onderbouw van de logistieke organisatie omvattende de blijvende en roerende voorzieningen zoals wegen, kanalen, geneeskundige voorzieningen, winkels, bibliotheken, openbaar vervoer e.d. |
| ingestie | het lichaam binnenkomend via het spijsverteringskanaal; b.v.: vergiftiging door ingestie |
| insekticiden | insektendodend middel, zodanig dat andere organismen in leven worden gelaten |
| intramusculair (i.m.) | in een spierweefsel; b.v.: een injectie |
| intraveneus (i.v.) | in een ader; b.v.: een injectie of een infuus |
| intubatie | het inbrengen van een buis (tuba, tube) via de mond- of neusholte in de luchtpijp voor b.v. aansluiting op een ademhalingspomp of een narcoseapparaat, of voor het openhouden van de bovenste ademweg |
| ion | elektrisch geladen atoom of molecuul. Zo is Cl
een negatief geladen atomair ion, CN - (het cyanide-ion) een negatief
geladen moleculair ion, Na + een positief geladen atomair ion en atropine-
een negatief geladen moleculair ion |
| irreversibel | niet omkeerbaar; terugkeer tot de uitgangstoestand is niet mogelijk |
K |
|
| katalyse | versnelling van een chemische reactie met behulp van een stof die zelf bij de reactie niet blijvend wordt veranderd; b.v.: enzymen |
L |
|
| lacrymogenia | traanverwekkende verbindingen |
| laminaat | uit lagen opgebouwd materiaal. Zo bestaan er laminaten van hout of van metalen, maar ook van kunststoffen zoals bij afdekmiddelen |
| lesie | verwonding, beschadiging, letsel |
| letaal | dodelijk |
| lokaalanaesthetica | plaatselijk werkende geneesmiddelen die het gevoel uitschakelen c.q. de pijn verdoven; worden meestal ingespoten op de plaats van de pijn |
M |
|
| melaena | wegens bloedafbraak teerachtige ontlasting |
| metaalion | ion van een metaal |
| methemoglobine | geoxideerd hemoglobinemolecuul dat in plaats van een tweewaardig ijzerion een driewaardig ijzerion bevat; methemoglobine heeft daarom een veel geringere transportcapaciteit voor zuurstof dan hemoglobine |
| methemoglobinemie | toestand waarbij een hoger gehalte methemoglobine in het bloed voorkomt dan normaal |
| miosis | sterke vernauwing van de pupil. In ziekelijke gevallen valt er zó weinig licht op het netvlies dat nachtblindheid optreedt. Zie ook: mydriasis |
| molecuul | het kleinste deeltje van een stof dat nog de eigenschappen heeft van die stof. Moleculen bestaan altijd uit meer dan één atoom |
| mutageen | verandering veroorzakend in het erfelijk materiaal (DNA) van de cel |
| mydriasis | sterke verwijding van de pupil. In ziekelijke geval len valt er zó veel licht op het netvlies dat licht schuwheid optreedt. Zie ook: miosis |
N |
|
| nausea | misselijkheid |
| necrose | weefselversterf, dood weefsel |
| neoplasmen | al dan niet kwaadaardige nieuwvorming van cellen, b.v. gezwellen |
O |
|
| obstipatie | darmverstopping |
| oedeem | abnormale ophoping van vocht in weefsel |
| ontsmetting | het samenstel van handelingen dat er op is gericht het risico van een besmetting te verminderen dan wel een besmetting teniet te doen |
| oppervlaktespanning | een maat voor de stevigheid van een oppervlak van een vloeistof; het geeft aan hoe vast de vloeistofdeeltjes in het oppervlak aan elkaar zitten |
| oraal | via de mond |
| orgaan | een samenstel van weefsels met een specifieke taak; b.v.: hart, lever, huid |
| organische oplosmiddelen | vloeistoffen die zelf niet in water oplossen maar geschikt zijn om andere vloeistoffen in op te lossen; b.v.: chloroform, ether, aceton |
| organisme | levend wezen; een organisme is een zelfstandig geheel; vaak, maar niet altijd bevat een organisme organen; b.v.: een mens (organisme) bevat een hart (orgaan); een bacterie is ook een organisme maar bevat geen organen; de interne structuren van een bacterie noemt men organellen |
| oxidatie | een chemische reactie waarbij de geoxideerde stof elektronen afstaat; in het spraakgebruik wordt vaak een reactie met zuurstof bedoeld |
| oxim | chemische groep met de formule
|
P |
|
| palliatief | leed verzachtend, doch niet genezend; behulpzaam bij de behandeling maar daar geen wezenlijk onmisbaar onderdeel van uitmakend; b.v.: pijnstillen is een palliatieve handeling |
| paraesthesieën | abnormale gevoelservaringen; b.v.: tintelende vingers |
| parenteraal | op een andere wijze dan via het maagdarmkanaal; in de praktijk wordt altijd bedoeld per injectie of per infuus |
| permeabel | doorgankelijk, doordringbaar |
| per os | via de mond, oraal |
| pH | negatieve logaritme van de concentratie H+- ionen in een waterige vloeistof. Hoe kleiner het getal hoe hoger de zuurgraad |
| pneumothorax | aanwezigheid van lucht tussen het longvlies dat de longen omringt (pleura visceralis) en het borstvlies dat de binnenzijde van de borstwand en het middenrif bekleedt (pleura pariëtalis). Als gevolg hiervan valt de long aan de zijde van de pneumothorax samen, zodat hij niet meer kan deelnemen aan de ademhalingsactiviteit. Veelal wordt gesproken van `pneu' |
| polyalcoholen | stoffen met meer dan één hydroxylgroep; b.v.: HO-CH2-CH2-CH2-OH |
| polaire verbinding | verbinding waarbij binnen één en hetzelfde molecuul verschillen in elektrostatische lading bestaan. Als gevolg hiervan zullen deze moleculen zich richten ten opzichte van elkaar, waardoor er een sterke re binding ontstaat, óf ten opzichte van elektrische óf ten opzichte van magnetische velden |
| psychogene | verwekt door de geest |
| pyrotechnisch | betrekking hebbend op toepassing van hoge temperaturen |
R |
|
| reageren | een chemisch begrip inhoudend dat verbindingen die worden samengevoegd een reactie aangaan waardoor andere verbindingen ontstaan |
| resorptie | opnemen in het lichaam zodanig dat de geresorbeerde stof in het bloed terecht komt; zo kan resorptie optreden na intramusculaire of orale toediening; b.v.: de resorptie van atropine uit de darm is goed; in het Angelsaksisch taalgebied wordt meestal gesproken van `absorption' |
| responsietijd | tijdspanne tussen het starten van een proces en het moment waarop het gewenste effect is bereikt |
| reversibel | omkeerbaar |
S |
|
| sederen | kalmeren, rust geven, brengen in een slaperige toestand, evenwel niet in slaap |
| semi-permeabel | selectief doorgankelijk |
| sensibel | het gevoel betreffend |
| sepsis | aanwezigheid en vermeerdering van infectiekiemen in het bloed. Zie ook: bacteriaemie. Een sepsis is een levensbedreigende toestand |
| sereus | afkomstig van serum |
| serum | bloed ontdaan van bloedlichaampjes en het stollingseiwit (fibrinogeen) |
| somatisch | het lichaam betreffend |
| soortelijke massa | het gewicht van 1 ml van een stof, uitgedrukt in grammen, gemeten bij een temperatuur van 4°C en een atmosferische druk van 101,3 kPa |
| spectrum | reeks van verscheidenheden binnen een bepaald gebied; b.v.: lichtspectrum |
| sternugenia | niesverwekkende verbindingen |
| structuurformule | een getekende formule van een molecuul waarin
de plaats van de atomen ten opzichte van elkaar wordt aangegeven.
Bijvoorbeeld voor azijnzuur:
|
| substraat | chemische verbinding die dient als uitgangsstof voor een door een enzym gekatalyseerde reactie. Bij deze reactie wordt het substraat omgezet in het eindprodukt. Bijvoorbeeld het enzym acetylcholinesterase zet het substraat acetylcholine om in de eindprodukten azijnzuur en choline |
| suffocantia | verstikking veroorzakende verbindingen |
| symptomatisch | symptoombestrijdend; in tegenstelling tot causaal |
| symptoom | verschijnsel; meestal wordt bedoeld verschijnselen van ziekte of vergiftiging |
| systemisch | betrekking hebbend op het gehele organisme; b.v.: systemische werking d.w.z. werkt op het gehele organisme; in tegenstelling tot lokale werking |
T |
|
| tachycardie | verhoging van de hartfrequentie |
| teratogeen | schade toebrengend aan de ongeboren vrucht |
| toxicologie | leer van vergiften; vergifkunde |
| toxisch | giftig |
| tracheotomie | luchtpijpsnede; een kleine opening in de hals via welke een opening in de luchtpijp (trachea) kan worden gemaakt; b.v.: indien de bovenste ademweg is geblokkeerd |
V |
|
| verbinding | een stof die uit dezelfde moleculen bestaat |
| vesicantia | blaarverwekkende verbindingen |
W |
|
| weefsel | geheel van cellen met dezelfde functie |