Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie

Vastst./Wijz datum  Stb. nummer  Wijz. t.a.v.  Inwerkingtr. datum
12-04-05 224 11-05-05
03-07-06 353    
03-07-06 364 Art. 44a (nw) en Hfd. 7 (vv) 01-01-06
11-05-07 229 Art. 22, 43, bijlagen 01-01-06
    Art. 43, 44a, bijlagen 01-01-07
11-12-07 576 Art. 43, 44, 44a + bijl. A, B en C 01-03-07
    Art. 47 en 48 (vv) 01-09-07
    Art. 49a (nw) 01-10-07
    Art. 44, 46 en 52 01-01-08
    Art. 43, 44a + bijl. A, B en C 01-07-08
08-02-10 Stb. Art. 43, 44, 44a, 49a + bijl. A, B en C 01-03-09

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. ambtenaar:
degene die bij het Ministerie van Defensie in burgerlijke openbare dienst is aangesteld;

b. Onze Minister:
Onze Minister van Defensie;

c. hoofd defensieonderdeel:
1°. de secretaris-generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf;
2°. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando;
3°. de directeur Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf;
4°. de commandant Commando DienstenCentra, voor zover het betreft het Commando DienstenCentra;

d. commandant:
een bij ministeriėle regeling aangewezen autoriteit;

e. salaris:
het bedrag, dat in de bijlage A wordt gevonden in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal en salarisnummer, in voorkomend geval verhoogd met de aanvulling op het salaris, bedoeld in artikel 4 van het Besluit personenchauffeurs defensie, of het bedrag, dat wordt gevonden met toepassing van bijlage B;

f. salaris per uur:
1/165 deel van het salaris bij een voltijdaanstelling;

g. salarisschaal:
een als zodanig in de bijlage A vermelde reeks van genummerde salarissen;

h. salarisnummer:
een aanduiding, bestaande uit een getal of uit een letter en een getal, dat in een salarisschaal voor een salaris is vermeld;

i. maximumsalaris:
het hoogste bedrag van een salarisschaal;

j. bezoldiging: de som van het salaris en de toelagen waarop de ambtenaar ingevolge hoofdstuk 3 van dit besluit aanspraak heeft, in voorkomend geval vermeerderd met:
1°. aanspraken op grond van artikel 62, indien en voor zover de minister dit bepaalt,
2°. aanspraken op grond van artikel 51 voor zover deze tot de bezoldiging worden gerekend, en
3°. de vaste toelage onregelmatige dienst en de consignatietoelage, bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het Besluit personenchauffeurs defensie;

k. inkomsten:
alle bedragen waarop de ambtenaar aanspraak maakt bij of krachtens dit besluit;

l. functie:
het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door de autoriteit, bedoeld in artikel 8 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, is opgedragen;

m. voltijdaansteling:
een aanstelling met een arbeidsduur van achtendertig uur per week;

n. deeltijdaanstelling:
een aanstelling met een arbeidsduur van minder dan achtendertig uur per week;

o. arbeidsduur:
de arbeidsduur, bedoeld in artikel 30a, onderdeel d, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;

p. rooster:
het rooster, bedoeld in artikel 30a, onderdeel c, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.

Artikel 2. Toepasselijkheid van dit besluit

1. Dit besluit is niet van toepassing op de ambtenaar:

  1. wiens bezoldiging is geregeld bij wet of bij een algemene maatregel van bestuur tot regeling van de bezoldiging van leden van raden, besturen en commissies;
  2. die in burgerlijke openbare dienst is aangesteld om als geestelijk verzorger bij de krijgsmacht werkzaam te zijn;
  3. die ingevolge artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet in verband met de werkzaamheden die voortvloeien uit een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, met uitzondering van artikel 32;
  4. die op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel g, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten, met uitzondering van artikel 34;
  5. indien hem buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is verleend.

2. Op de ambtenaar die is aangesteld in de functie van tandarts en die hoofdzakelijk is belast met de curatieve tandheelkundige zorg, zijn uitsluitend van toepassing:

  1. de hoofdstukken 1, 4, 5, 7, 8 en 9;
  2. uit hoofdstuk 2: het salaris burgertandarts, bedoeld in artikel 13, 14 en 15;
  3. uit hoofdstuk 3: de toelage hoofd tandheelkundig centrum;
  4. hoofdstuk 6, met uitzondering van artikel 49 en 50.

Artikel 3. Buitengewone omstandigheden

Onze Minister kan in geval van buitengewone omstandigheden, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Coordinatiewet uitzonderingstoestanden, tijdelijk afwijken van hetgeen bij of krachtens dit besluit is bepaald, indien en voor zolang dit met het oog op de goede uitvoering van de operationele taken van de krijgsmacht noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 4. Toekenningsautoriteit

1. Tenzij anders bepaald, berust de bevoegdheid tot het toekennen van een aanspraak bij Onze Minister.

2. Indien de bevoegdheid tot het toekennen van een aanspraak berust bij de commandant, worden aanspraken die de commandant betreffen, toegekend door het hoofd defensieonderdeel.

3. De bevoegdheid tot het toekennen van aanspraken op grond van de artikelen 10, 11, 45, 46 en 47 aan ambtenaren bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger berust bij de Secretaris-Generaal.

Artikel 5. Beeindiging van aanspraken

1. De aanspraak op bezoldiging vervalt met ingang van de dag na het ontslag of het overlijden van de ambtenaar.

2. Een toegekende aanspraak wordt beeindigd, zodra de gronden, waarop deze werd toegekend niet meer aanwezig zijn.

Artikel 6. Vaststelling en uitbetaling van inkomsten

1. Indien het salaris, een maandelijkse toelage, toeslag of vergoeding dan wel een maandelijks verschuldigd bedrag moet worden berekend over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door een maandbedrag te delen door dertig.

2. Tenzij anders vermeld, worden de inkomsten maandelijks uitbetaald.

Artikel 7. Berekening pensioengevend inkomen

Voor de berekening van het pensioengevend inkomen worden aanspraken op grond van dit besluit vermenigvuldigd met een factor 1/1,019 met inachtneming van een maximale vermindering van het pensioengevend inkomen van € 65,92 per maand.

Hoofdstuk 2. Salaris

Artikel 8. Salarisschaal

1. Onze Minister bepaalt de salarisschaal die voor de ambtenaar van toepassing is, welke, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, wordt bepaald met in achtneming van de zwaarte van zijn functie en van bijzondere regelingen als bedoeld in artikel 18 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.

2. De zwaarte van de functie wordt gewaardeerd binnen de in bijlage A van dit besluit aangegeven indelingsstructuur, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde normeringstelsel.

3. Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een andere functie vervult, blijft de voordien voor hem geldende salarisschaal van toepassing.

4. Anders dan bij wijze van disciplinaire straf als bedoeld in het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar geen lagere salarisschaal van toepassing worden.

5. Het vierde lid is niet van toepassing indien:

  1. bij de bepaling van de salarisschaal, bedoeld in het eerste lid, tevens is bepaald dat de functie van de ambtenaar een tijdelijk karakter heeft en de salarisschaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden;
  2. de ambtenaar in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte wordt herplaatst in een andere functie.

6. In afwijking van het eerste lid geschiedt het aan de ambtenaar toekennen van salarisschaal 15 of hoger bij Koninklijk Besluit.

Artikel 9. Functiewaardering

1. Het hoofd defensieonderdeel stelt de ambtenaar in kennis van de voorgenomen functiewaardering als bedoeld in artikel 8, tweede lid. De ambtenaar die bedenkingen heeft tegen de functiewaardering kan die bedenkingen aan het hoofd defensieonderdeel kenbaar maken. Na een heroverweging stelt het hoofd defensieonderdeel de functiewaardering al dan niet gewijzigd vast. De ambtenaar kan tegen deze heroverweging bezwaar maken. In een dergelijk geval wint het hoofd defensieonderdeel, naar regels bij ministeriėle regeling te stellen, het advies in van de Commissie van advies bezwaren functiewaardering.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien voor de ambtenaar een bijzondere regeling geldt als bedoeld in artikel 18 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.

Artikel 10. Salarisnummer bij aanstelling

1. De commandant kent de in artikel 8 bedoelde ambtenaar bij aanstelling het salaris toe, dat:

  1. wanneer hij 22 jaar of ouder is, in de voor hem van toepassing zijnde salarisschaal is vermeld achter het salarisnummer 0;
  2. wanneer hij jonger dan 22 jaar is, in de voor hem van toepassing zijnde salarisschaal is vermeld achter het salarisnummer, bestaande uit de letter J en het getal, dat overeenkomt met zijn leeftijd. Indien het salarisnummer niet voorkomt, wordt de ambtenaar het laagste salaris in de schaal toegekend.

2. De commandant kan, ingeval daartoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat, afwijken van het eerste lid door het toekennen van een hoger salaris.

Artikel 11. Salarisverhoging

1. Het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd tot het in de schaal naasthogere bedrag, indien hij naar het oordeel van de commandant zijn functie naar behoren vervult.

2. Het salaris van de ambtenaar kan worden verhoogd tot een in de schaal hoger vermeld bedrag, indien hij naar het oordeel van de commandant zijn functie zeer goed of uitstekend vervult.

3. Indien de ambtenaar zijn functie naar het oordeel van de commandant niet naar behoren vervult, blijft salarisverhoging achterwege.

4. De in het eerste en tweede lid bedoelde salarisverhoging wordt toegekend:

  1. wanneer de ambtenaar 22 jaar of ouder is en het maximumsalaris van de voor hem van toepassing zijnde salarisschaal nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal met ingang van de eerste dag van de maand, waarin sinds zijn aanstelling een jaar is verstreken en nadien telkens na een jaar;
  2. wanneer de ambtenaar jonger dan 22 jaar is, met ingang van de eerste dag van de maand, waarop zijn verjaardag valt.

5. Het tijdstip waarop ingevolge het vierde lid, onderdeel a, een salarisverhoging wordt toegekend kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel van de commandant aanleiding bestaat.

6. Indien de in het vierde lid, onderdeel a, bedoelde ambtenaar reeds voor zijn 22e verjaardag was aangesteld, wordt, onverlet het in het vijfde lid bepaalde, de salarisverhoging toegekend met ingang van de eerste dag van de maand waarin zijn verjaardag valt.

Artikel 12. Deeltijdaanstelling

1. Het salaris van de ambtenaar met een deeltijdaanstelling wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een voltijdaanstelling.

2. Het salaris van de ambtenaar die is aangesteld op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel f, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, wordt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8, derde lid, vastgesteld op een bedrag per uur dat daadwerkelijk dienst wordt verricht.

Artikel 13. Jaaromzet en maandsalaris tandarts

1. In dit artikel en in de artikelen 14, 15 en 19 wordt verstaan onder:

a. tandarts:
de ambtenaar bedoeld in artikel 2, tweede lid;

b. hoofd tandheelkundige dienst:
het hoofd tandheelkundige dienst zeemacht, de tandheelkundige autoriteit landmacht en de staf tandarts luchtmacht;

c. werkdag en werkuur:
een dag respectievelijk een uur waarop de tandarts dienst moet verrichten volgens het voor hem vastgestelde rooster;

d. tandheelkundig centrum:
een onderdeel of afdeling, voornamelijk belast met de curatieve tandheelkundige zorg voor militairen.

2. De tandarts draagt zorg voor de registratie van iedere tandheelkundige verrichting in het voorgeschreven geautomatiseerde tandheelkundig informatiesysteem, na voltooiing van de desbetreffende verrichting. Deze verrichtingen worden gewaardeerd op een aantal punten conform de uniforme particuliere tarieven als vastgesteld door het College tarieven gezondheidszorg. Het totaal van de aldus geregistreerde punten exclusief tandtechniek gedurende een kalenderjaar vormt de gerealiseerde omzet in dat jaar.

3. De maximaal in een jaar te behalen omzet wordt als volgt bepaald: bij een voltijdaanstelling van 254 roosterdagen per jaar worden 190 werkdagen berekend. Per werkdag worden zeven werkuren aan verrichtingen en een werkuur aan niet declareerbare patientgebonden administratieve werkzaamheden besteed. Een werkuur wordt gewaardeerd op gemiddeld 20 punten, waardoor een maximale jaaromzet wordt vastgesteld op 26.600 punten.

4. Door het hoofd tandheelkundige dienst wordt in overleg met de tandarts een raming van de omzet over een kalenderjaar vastgesteld, te bepalen in een aantal te behalen punten.

5. De tandarts met een voltijdaanstelling dient zodanig te presteren dat de krachtens het tweede lid bepaalde jaaromzet per kalenderjaar ten minste 11.818 punten bedraagt. Bij een deeltijdaanstelling wordt deze jaaromzet teruggerekend in verhouding naar het aantal uren van de deeltijdaanstelling.

6. Het hoofd defensieonderdeel kent aan de tandarts het maandsalaris toe, dat bij een voltijdaanstelling van 254 roosterdagen per jaar wordt bepaald aan de hand van de geraamde jaaromzet, met toepassing van de in bijlage B opgenomen tabel. Het maandsalaris wordt tot de definitieve afrekening beschouwd als een voorschotbetaling.

7. Bij een deeltijdaanstelling wordt de te behalen omzet herleid tot de omzet behorende bij een voltijdaanstelling. Aan de hand van deze gecorrigeerde omzet wordt het maandsalaris bepaald, met toepassing van de in bijlage B opgenomen tabel. Dit maandsalaris wordt teruggerekend in verhouding naar het aantal uren van de deeltijdaanstelling.

8. Mede op grond van de realisatie van de omzet in enig kalenderjaar wordt uiterlijk in de maand december van dat jaar door het hoofd tandheelkundige dienst in overleg met de tandarts voor het aankomende kalenderjaar een nieuwe raming van de omzet en het daarbij behorende maandsalaris vastgesteld.

Artikel 14. Definitieve afrekening tandarts

1. Na afloop van het kalenderjaar wordt de totale realisatie van de omzet van de tandarts door zorg van het hoofd tandheelkundige dienst getoetst aan de raming van de omzet. Het vaststellen van het bijbehorende salaris geschiedt aan de hand van de in bijlage C opgenomen tabel.

2. Indien de maximale omzet werd geraamd en er meer dan het maximum werd gerealiseerd vindt geen nabetaling van salaris plaats.

3. Indien een omzet werd geraamd, die lager is dan de maximale omzet, en er vervolgens meer is gerealiseerd dan geraamd, volgt suppletie van het te weinig betaalde salaris tot ten hoogste het maximum salarisbedrag.

4. Indien er minder omzet is gerealiseerd dan geraamd wordt na toepassing van het zesde lid het te veel betaalde salaris teruggevorderd. De terugvordering vindt plaats in het volgende kalenderjaar in twaalf gelijke maandtermijnen.

5. Het bedrag van de terugvordering dan wel van de suppletie behoort tot de grondslag voor de berekening van de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

6. Het aantal werkdagen van het afgesloten kalenderjaar wordt vastgesteld door het aantal van 254 roosterdagen te verminderen met het daadwerkelijke aantal dagen van afwezigheid. Indien het aantal werkdagen op jaarbasis minder bedraagt dan 190 dan wel het deeltijdaantal daarvan, kan de gerealiseerde jaaromzet lager uitvallen dan geraamd. Indien het verminderde aantal werkdagen aantoonbaar is en bovendien buiten de schuld van de tandarts is ontstaan, stelt het hoofd tandheelkundige dienst de gerealiseerde jaaromzet opwaarts bij.

7. Door het hoofd tandheelkundige dienst wordt onder meer in de volgende gevallen het verminderd aantal werkdagen opwaarts bijgesteld:

  1. langdurige ziekte;
  2. buitengewoon verlofdagen;
  3. het werken zonder assistentie ondanks inspanning om in vervanging te voorzien, waardoor de tandarts een geringere dagomzet realiseert;
  4. meer dan gemiddeld aantal niet verschenen patienten, mits de tandarts aantoonbare actie heeft ondernomen ter voorkoming van het niet op de afspraak verschijnen van patienten;
  5. meer dan gemiddeld aantal onderhoud- en reparatiewerkzaamheden aan de tandheelkundige installatie;
  6. tijdelijke afname van het patientenbestand, bijvoorbeeld ten gevolge van uitzending;
  7. deelname aan overleg- of projectgroepen.

8. In afwijking van de vorige leden geldt voor de tandarts, die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, dat terugbetaling in geval van het niet realiseren van de geraamde omzet achterwege blijft indien de gerealiseerde omzet minder dan 5% lager is dan de geraamde omzet. Indien het verschil tussen de geraamde en de gerealiseerde omzet meer bedraagt dan 5%, vindt terugbetaling uitsluitend over het meerdere plaats.

Artikel 15. Overige bepalingen tandarts

1. Bij aanstelling van een tandarts vindt op grond van zijn werkervaring door het hoofd tandheelkundige dienst inschaling plaats door het vaststellen van een geraamde omzet en het bijbehorende maandsalaris. In het eerste jaar van de aanstelling wordt telkens na een periode van drie maanden de realisatie aan de geraamde omzet getoetst. Op grond van deze toetsing wordt indien nodig opnieuw de raming van de omzet en het bijbehorende maandsalaris vastgesteld.

2. De artikelen 30da tot en met 30dd van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie met betrekking tot de flexibilisering van de arbeidsduur zijn van toepassing op de tandarts. Voor de tandarts die niet de maximaal te realiseren omzet behaalt, wordt de met de verkorting of verlenging behaalde omzet herleid tot de normaal te behalen omzet. Op het bijbehorende maandsalaris wordt dan de korting of de toeslag toegepast.

Hoofdstuk 3. Overige bezoldiging

Artikel 16. Toelage minimumloon

1. Het hoofd defensieonderdeel kent een toelage minimumloon toe aan de ambtenaar, wiens salaris minder is dan het maandbedrag van het minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als de ambtenaar. Het bedrag van de toelage per maand is gelijk aan het verschil tussen het bedoelde minimumloon en het salaris van de ambtenaar.

2. Voor de ambtenaar met een deeltijdaanstelling is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het naar evenredigheid van de deeltijd berekende minimumloon en het salaris van de ambtenaar.

Artikel 17. Waarnemingstoelage

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

a. waarneming:
het krachtens een daartoe strekkende opdracht van de commandant, tijdelijk verrichten van een samenstel van werkzaamheden dat een andere functie vormt dan die van de ambtenaar zelf;

b. volledige waarneming:
een zodanige waarneming dat in de plaats van de eigen functie het volledige samenstel van werkzaamheden van de waargenomen functie, met de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden, wordt uitgeoefend.

2. De commandant kent, voor de duur van de waarneming, een waarnemingstoelage toe aan de ambtenaar, die bij wijze van volledige waarneming tijdelijk een functie vervult, die bij toepassing van artikel 8, tweede en derde lid, zou leiden tot een hogere salarisschaal.

3. De commandant kan, voor de duur van de waarneming, een waarnemingstoelage toekennen aan de ambtenaar, die bij wijze van onvolledige waarneming tijdelijk een functie vervult, die bij toepassing van artikel 8, tweede en derde lid, zou leiden tot een hogere salarisschaal.

4. De toelage wordt, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, slechts toegekend wanneer de waarneming ten minste een tijdvak van dertig dagen beslaat.

5. De ambtenaar voor wie het een onderdeel is van de eigen functie om als plaatsvervanger op te treden van degene wiens functie moet worden waargenomen, komt bij onvolledige waarneming van die functie niet in aanmerking voor een waarnemingstoelage.

6. Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage per maand gelijk aan het verschil tussen het salaris waarop de ambtenaar aanspraak maakt en het salaris waarop hij aanspraak zou maken, indien de hogere salarisschaal met ingang van de dag waarop de waarneming is begonnen voor hem zou hebben gegolden, terwijl het voor hem geldende tijdstip waarop regulier een in de schaal naasthoger bedrag wordt toegekend, niet wordt gewijzigd.

7. Bij onvolledige waarneming wordt de toelage door de commandant vastgesteld op 50% van de toelage bij volledige waarneming in het desbetreffende geval.

Artikel 18. Wervingstoelage

1. Het hoofd defensieonderdeel kan aan de ambtenaar om redenen van werving een maandelijkse wervingstoelage toekennen voor de duur van een jaar.

2. Indien naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel sprake is van bijzondere omstandigheden kan de toelage voor een bepaalde duur langer dan een jaar worden toegekend.

Artikel 19. Toelage hoofd tandheelkundig centrum

Het hoofd defensieonderdeel kent een toelage hoofd tandheelkundig centrum toe aan de tandarts die de functie van hoofd van een of meer tandheelkundige centra vervult en hierdoor extra werkzaamheden verricht. De toelage bedraagt voor iedere maand dat hij deze functie vervult 37,5% van het maximale jaarsalaris, bedoeld in bijlage C, gedeeld door het aantal roosterdagen van 254, bedoeld in artikel 13, derde lid. Voor de tandarts met een deeltijdaanstelling wordt de toelage op een evenredig deel vastgesteld.

Artikel 20. Toelage onregelmatige dienst

1. De commandant kent een toelage onregelmatige dienst toe aan de ambtenaar, die anders dan bij wijze van overwerk, regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 08.00 uur en 18.00 uur.

2. De toelage onregelmatige dienst bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel:

  1. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 uur en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur;
  2. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 uur en 06.00 uur en tussen 22.00 uur en 24.00 uur;
  3. 45% voor de uren op zaterdag;
  4. 70% voor de uren op zondag;
  5. 100% voor de uren op de feestdagen genoemd in artikel 31g, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het maximumsalaris van salarisschaal 7.

3. Voor de in het tweede lid, onder a, genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen voor 07.00 uur, respectievelijk is beeindigd na 19.00 uur.

4. In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid ontvangt de ambtenaar met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt een vaste toelage onregelmatige dienst, mits hij op dat moment gedurende ten minste 5 jaar zonder een onderbreking van langer dan twee maanden aanspraak had op een toelage onregelmatige dienst.

5. De vaste toelage onregelmatige dienst, bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld op het bedrag dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aanspraak op een toelage onregelmatige dienst had en wordt aangepast aan een algemene salarismaatregel.

Artikel 21. Aflopende toelage onregelmatige dienst

1. De commandant kent gedurende een uitkeringsperiode een aflopende toelage onregelmatige dienst toe aan de ambtenaar wiens bezoldiging een blijvende verlaging ondergaat als gevolg van het buiten zijn toedoen beeindigen of verminderen van de toelage onregelmatige dienst, indien de verlaging tenminste 3% bedraagt van het salaris.

2. De aflopende toelage onregelmatige dienst wordt uitsluitend toegekend, indien de ambtenaar de toelage onregelmatige dienst direct voorafgaande aan het tijdstip van de blijvende verlaging van de bezoldiging gedurende tenminste twee jaar zonder een onderbreking van langer dan twee maanden heeft genoten.

3. De berekeningsbasis voor de aflopende toelage onregelmatige dienst is het bedrag waarop de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden, voorafgaande aan de datum waarop de blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan toelage onregelmatige dienst aanspraak had, verminderd met het bedrag dat hij daarna in totaal per maand aanspraak heeft aan toelage onregelmatige dienst en aan verhogingen van het salaris, anders dan die wegens een algemene salarismaatregel.

4. De uitkeringsperiode voor de aflopende toelage onregelmatige dienst is gelijk aan het naar boven op een maand afgeronde een vierde gedeelte van de tijd gedurende welke de ambtenaar direct voorafgaande aan het tijdstip van de blijvende verlaging van de bezoldiging zonder wezenlijke onderbreking de toelage onregelmatige dienst heeft genoten. De uitkeringsperiode is maximaal drie jaar.

5. De hoogte van de aflopende toelage onregelmatige dienst wordt bepaald door de uitkeringsperiode in drie gelijke delen te splitsen, waarbij te beginnen met het eerste deel, afronding naar boven plaatsvindt op een hele maand, met dien verstande dat hierdoor de maximale uitkeringsperiode niet wordt overschreden. Gedurende deze drie deelperioden bedraagt de toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand van toepassing zijnde berekeningsbasis.

6. Indien de blijvende verlaging van de bezoldiging intreedt op de eerste dag van een maand, vangt de toelage op die datum aan. Treedt deze verlaging in op een andere dag van de maand, dan gaat de toelage in op de eerste dag van de erop volgende maand. In het laatste geval wordt aan de ambtenaar over de maand waarin de blijvende verlaging van de bezoldiging intreedt, een aanvulling toegekend op het over die maand toegekende bedrag aan toelage onregelmatige dienst, tot het gemiddelde maandbedrag waarop hij hieraan over de twaalf maanden, voorafgaande aan de blijvende verlaging van de bezoldiging, aanspraak had.

7. Op aanvraag van de ambtenaar kan de aflopende toelage worden uitbetaald als eenmalige uitkering.

8. De hoogte van de eenmalige uitkering is gelijk aan het totale bedrag van de aflopende toelage onregelmatige dienst die de ambtenaar gedurende de uitkeringsperiode, bedoeld in het vierde lid, zou hebben ontvangen. Voor het vaststellen van de berekeningsbasis wordt geen rekening gehouden met verhogingen van het salaris.

Artikel 22. Verschuivingstoelage

1. De commandant kent een verschuivingstoelage toe aan de ambtenaar die krachtens een rooster, anders dan bij wijze van overwerk, regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen van maandag tot en met vrijdag tussen 08.00 uur en 18.00 uur, indien hij in opdracht van de commandant arbeid verricht op uren die afwijken van dat rooster, voor zover met die uren het totaal van het per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren niet wordt overschreden.

2. Op de verschuivingstoelage bestaat geen aanspraak indien tussen het geven van de opdracht en het verrichten van de arbeid meer dan 72 uren zijn verstreken.

3. De verschuivingstoelage bedraagt voor elk vol uur waarop in afwijking van het rooster arbeid is verricht 40% van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur, met dien verstande dat dit percentage wordt berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het maximumsalaris van salarisschaal 7.

Artikel 23. Consignatietoelage

1. De commandant kent een consignatietoelage toe aan de ambtenaar die buiten de werktijden die voor hem gelden krachtens een rooster, ingevolge een schriftelijke opdracht van de commandant zich regelmatig of vrij regelmatig bereikbaar en beschikbaar moet houden teneinde bij oproep arbeid te gaan verrichten.

2. De consignatietoelage bedraagt per uur bereikbaarheid en beschikbaarheid een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel:

  1. 5% voor de uren op maandag tot en met vrijdag;
  2. 10% voor de uren op zaterdag en zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 30b, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie,

met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het maximumsalaris van salarisschaal 7.

3. Het bedrag van de toelage wordt verdubbeld over de uren waarop aan de opgedragen bereikbaarheid en beschikbaarheid een extra plaatsgebondenheid op of rond de plaats van tewerkstelling is verbonden.

Artikel 24. Toelage en vergoeding brandweerdiensten defensie

1. In afwijking van artikel 20 tot en met 23 en artikel 49 kent de commandant een toelage brandweerdiensten defensie toe, wegens extra beslaglegging binnen het voor betrokkene geldende rooster, aan de ambtenaar die werkzaam is bij een door Onze Minister aangewezen brandweerdienst van het Ministerie van Defensie anders dan in het kader van bedrijfszelfbeschermingsactiviteiten, indien hij gekazerneerd is ten behoeve van repressieve brandweertaken en uitrukdiensten en hij 24-uursdiensten verricht.

2. De brandweertoelage defensie bedraagt per maand 17,05% van het voor de ambtenaar geldende salaris, met dien verstande dat genoemd percentage wordt berekend over ten hoogste het maximumsalaris van salarisschaal 7.

3. Indien het aantal 24-uursdiensten volgens het rooster bij een brandweerdienst kleiner is dan 122 per jaar, wordt de toelage berekend door dat aantal 24-uursdiensten te delen door 122 en de uitkomst te vermenigvuldigen met de uitkomst van de in het tweede lid aangegeven berekening.

4. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar wordt wegens dienstverrichting in het kader van een 24-uursdienst buiten het rooster een toeslag extra beslaglegging toegekend.

5. De toeslag extra beslaglegging in het kader van een 24-uursdienst buiten het rooster bedraagt voor een 24-uursdienst: het salaris per uur, vermenigvuldigd voor de diensten op maandag tot en met vrijdag met een factor 14, voor de diensten op zaterdag met een factor 16 en voor de diensten op zondag en op feestdagen als bedoeld in artikel 31g, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie met een factor 18.

6. In de toeslag extra beslaglegging in het kader van een 24-uursdienst buiten het rooster is een vergoeding voor vier uren arbeid, verricht tijdens de periode dat de betrokken ambtenaar zich bereikbaar en beschikbaar moet houden teneinde bij oproep arbeid te verrichten, begrepen. Indien het aantal uren actief verrichte arbeid tijdens die periode groter is dan vier, wordt het meerdere vergoed op basis van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.

7. De toeslag extra beslaglegging in het kader van een 24-uursdienst buiten het rooster voor een gedeeltelijke 24-uursdienst wordt naar rato van het in het vijfde lid bepaalde berekend, waarbij als een halve 24-uursdienst worden aangemerkt:

  1. acht uren waarop arbeid wordt verricht;
  2. zestien uren waarop de ambtenaar zich bereikbaar en beschikbaar moet houden teneinde bij oproep arbeid te verrichten.

8. Aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaar van wie de som van het salaris en de toelage brandweerdiensten defensie een blijvende verlaging ondergaat als gevolg van het buiten zijn toedoen beeindigen van die toelage, wordt een aflopende toelage toegekend, mits direct voorafgaande aan het tijdstip van de beeindiging gedurende ten minste twee jaren zonder onderbreking van langer dan twee maanden aanspraak bestond op de toelage brandweerdiensten.

9. De aflopende toelage bedraagt gedurende de eerste drie maanden 100% van het in het tweede lid bedoelde bedrag, en vervolgens een maand 75%, een maand 50% en een maand 25% van dat bedrag.

10. In afwijking van het bepaalde in het achtste en negende lid wordt aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaar van 50 jaar of ouder, van wie de som van het salaris en de toelage brandweerdiensten defensie een verlaging ondergaat, als gevolg van het buiten diens toedoen beeindigen van die toelage, een vaste toelage toegekend ter hoogte van het oorspronkelijke bedrag, mits hij de toelage brandweerdiensten direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beeindiging gedurende ten minste tien jaren zonder onderbreking van langer dan twee maanden heeft genoten.

11. De aflopende toelage wordt, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 50 jaar bereikt en hij, onmiddellijk voor de aanvang van de aflopende toelage, gedurende ten minste tien jaren zonder onderbreking van langer dan twee maanden een toelage brandweertoelage heeft genoten, omgezet in een vaste toelage ter hoogte van het bedrag van de aflopende toelage op dat moment.

12. Voor de toepassing van het tiende en elfde lid wordt een toelage op grond van de Regeling vergoeding Korps Marinebrandweer van 29 november 1985 of van de Regeling vergoeding Korps Marinebrandweer van 12 december 1983 beschouwd als een toelage als bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 4. Bezoldiging tijdens ziekte

Artikel 25. Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. WAO:
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

b. ZW:
Ziektewet;

c. WW:
Werkloosheidswet;

d. Werknemersverzekering:
WAO, ZW, dan wel WW;

e. arbeidsongeschiktheid:
arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO;

f. bedrijfsgeneeskundige dienst:
een door of vanwege Onze Minister aangewezen uitvoeringsorgaan bedrijfsgezondheidszorg;

g. Stichting Pensioenfonds ABP:
de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;

h. pensioenreglement:
het pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP;

i. herplaatsingstoelage:
een herplaatsingstoelage als bedoeld in paragraaf 9 van het pensioenreglement;

j. passende arbeid:
arbeid als bedoeld in artikel 30 van de Ziektewet;

k. gangbare arbeid:
arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO;

l. loonvormende arbeid:
arbeid gericht op het leveren van productie.

Artikel 26. Bezoldiging tijdens ziekte

1. De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte heeft vanaf de dag waarop deze ongeschiktheid aanvangt, gedurende een termijn van twaalf maanden aanspraak op zijn volledige bezoldiging. Vervolgens heeft hij tot het einde van zijn betrekking aanspraak op 70% van zijn bezoldiging.

2. Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid gedurende een bepaalde tijd zwangerschaps- of bevallingsverlof op basis van artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg geniet wordt het betreffende tijdvak van twaalf maanden met dat verlof verlengd.

3. Voor het vaststellen van het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde termijn van twaalf maanden verstreken is, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij vaststelling van de periode van vier weken blijven periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten op basis van artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg, buiten beschouwing.

4. De ambtenaar heeft ook na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn van twaalf maanden aanspraak op zijn volledige bezoldiging:

  1. indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
  2. gedurende de periode dat zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten op basis van artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg.

5. In afwijking van het eerste lid heeft de ambtenaar ook na het eerste tijdvak van twaalf maanden recht op doorbetaling van zijn bezoldiging over het aantal uren dat hij loonvormende arbeid heeft verricht, niet zijnde reļntegratieactiviteiten, waaronder therapeutische arbeid, onderwijs of scholing.

6. In afwijking van het vijfde lid wordt onderwijs of scholing beschouwd als loonvormende arbeid indien dit onderwijs of deze scholing is gekoppeld aan de functievervulling van een voor de ambtenaar beschikbare functie.

Artikel 27. Samenloop van bezoldiging en uitkering op grond van een werknemersverzekering, de Wet arbeid en zorg of bovenwettelijke regeling

1. Indien de ambtenaar, bedoeld in artikel 26, ter zake van de betrekking waaruit de aanspraak op bezoldiging voortvloeit, recht heeft op een of meerdere uitkeringen op grond van een werknemersverzekering, de Wet arbeid en zorg of een bovenwettelijke WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag waarop hij ingevolge artikel 26 recht heeft.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar uit hoofde van twee of meer betrekkingen recht heeft op een uitkering op grond van een werknemersverzekering, de Wet arbeid en zorg of een bovenwettelijke WW-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van het eerste lid toegerekend aan de betrekking ter zake waarvan hij aanspraak heeft op bezoldiging naar rato van de bezoldiging uit hoofde van de desbetreffende betrekkingen.

3. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar de uitkering ingevolge een werknemersverzekering, de Wet arbeid en zorg, dan wel de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk niet wordt toegekend, wordt die uitkering voor de toepassing van het eerste lid steeds aangemerkt als een uitkering die onverminderd is genoten. Indien het een uitkering betreft op grond van de WAO die in het geheel niet wordt toegekend, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de uitkering op grond van de WAO zoals die zou zijn toegekend bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

4. In de gevallen, bedoeld in het derde lid, kan Onze Minister op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat het bedrag van de niet uitbetaalde bezoldiging geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar zal worden uitbetaald. Ingeval Onze Minister van deze bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald, indien de in artikel 57, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie bedoelde commissie van artsen te zijnen gunste heeft geoordeeld.

Artikel 28. Geen aanspraak op bezoldiging ingeval van herplaatsing

1. De in artikel 26 bedoelde aanspraak op volledige of gedeeltelijke bezoldiging eindigt indien de ambtenaar op grond van artikel 58a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie wordt herplaatst.

2. Indien de herplaatsing, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 121, derde lid, onderdeel a, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is verstreken en de bezoldiging van de ambtenaar als gevolg van de herplaatsing vermindering ondergaat, heeft hij tot het eind van de genoemde termijn recht op een aanvullende uitkering.

3. De aanvullende uitkering, bedoeld in het tweede lid, bedraagt het verschil tussen het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 26 recht zou hebben gehad indien hij niet zou zijn herplaatst en zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval vermeerderd met een uit de oorspronkelijke betrekking voortvloeiend recht op uitkering op grond van de WAO en herplaatsingstoelage.

Artikel 29. Sancties

1. Geen aanspraak op bezoldiging als bedoeld in artikel 26 bestaat:

  1. indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte niet kan worden aangenomen;
  2. indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
  3. indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na een medisch
    onderzoek als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, en tevens blijkt, dat de ambtenaar onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen ten gevolge waarvan de verklaring van geschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid ten onrechte heeft plaatsgevonden, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

2. De ambtenaar heeft geen aanspraak op bezoldiging, als bedoeld in artikel 26, indien en gedurende de tijd dat hij:

  1. weigert zich te onderwerpen aan een onderzoek vanwege de bedrijfsgeneeskundige dienst of, na voor zulk een onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;
  2. zonder voldoende gronden nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften die hem door de behandelende arts gegeven zijn, met dien verstande dat voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard hierbij zijn uitgezonderd;
  3. zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
  4. tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de bedrijfsgeneeskundige dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
  5. in gebreke blijft op het door de bedrijfsgeneeskundige dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate zijn arbeid te hervatten, tenzij hij daarvoor een door deze dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;
  6. zonder deugdelijke grond weigert hem aangeboden passende arbeid, dan wel gangbare arbeid, waartoe de bedrijfsgeneeskundige dienst hem in staat acht, te aanvaarden.

3. Het hoofd defensieonderdeel kan bepalen, dat de aanspraak op bezoldiging, bedoeld in artikel 26, vervalt, indien de ambtenaar de voorschriften overtreedt die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.

4. De ambtenaar kan aan een onderzoek vanwege de bedrijfsgeneeskundige dienst worden onderworpen ter beantwoording van de vraag of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in het eerste of tweede lid, onderdeel b of c, van dit artikel. De ambtenaar is gehouden aan een zodanig onderzoek zijn medewerking te verlenen.

5. Het in het eerste lid bedoelde verplichtingen- en sanctieregime is van overeenkomstige toepassing indien de ambtenaar bij doorbetaling van bezoldiging tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid de in dat lid bedoelde aanspraak niet had kunnen hebben.

6. In de gevallen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, kan Onze Minister op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat het bedrag van de niet uitbetaalde bezoldiging geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar zal worden uitbetaald. Ingeval Onze Minister van deze bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald, indien de in artikel 57, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie bedoelde commissie van artsen te zijnen gunste heeft geoordeeld.

7. Indien de ambtenaar recht heeft op een uitkering op grond van een werknemersverzekering of de Wet arbeid en zorg, is in plaats van het eerste tot en met vierde lid het verplichtingen- en sanctieregime van de desbetreffende wet op hem van toepassing.

8. Indien ten aanzien van de uitkering die de ambtenaar geniet op grond van een werknemersverzekering of de Wet arbeid en zorg een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door het hoofd defensieonderdeel zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd, dan wel een overeenkomende sanctie toegepast, op het bedrag waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 26, eerste lid, na toepassing van artikel 27, eerste lid.

Artikel 30. Begrip bezoldiging

1. Ingeval de ambtenaar aanspraak heeft op een toelage onregelmatige dienst, als bedoeld in artikel 20, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk deze toelage vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge het voor hem geldende rooster zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn arbeid zou zijn onttrokken. Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit, met inachtneming van de percentages zoals genoemd in artikel 20, berekend over het voor de ambtenaar geldende salaris, zulks naar aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn arbeid werd onttrokken, ingevolge het voor hem geldende rooster gemiddeld per maand is gewerkt.

2. In geval de ambtenaar aanspraak heeft op een consignatietoelage, als bedoeld in artikel 23, wordt deze toelage vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge het voor hem geldende consignatierooster zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn arbeid zou zijn onttrokken. Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, wordt dit bedrag berekend naar de berekeningsgrondslag en de percentages zoals genoemd in artikel 23, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn arbeid werd onttrokken, gemiddeld per maand consignatiediensten zijn verricht.

3. Indien ook voor het overige de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip waarop de verhindering tot dienstverrichting is ontstaan. Voor zover de ambtenaar op evenbedoeld tijdstip nog geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij voor het ontstaan van de verhindering in dienst is geweest.

Artikel 31. Afwijkende aanspraken voor tijdelijke ambtenaren

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement ABP. In geval van ziekte ontvangt hij tijdens de duur van zijn dienstverband op een hem op grond van de Ziektewet of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekende uitkering een aanvulling tot zijn bezoldiging. Indien de ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is voor de uitoefening van zijn dienstbetrekking, ontvangt hij gedurende de eerste twaalf maanden van die ongeschiktheid 100% en daarna tot aan het einde van zijn betrekking 70% van zijn bezoldiging, nadat daarop de uitkering ingevolge de Ziektewet of de de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in mindering is gebracht. Op die vermindering zijn de artikelen 27 en 29 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5. Bezoldiging tijdens bijzondere situaties

Artikel 32. Non-activiteitswedde

1. Het hoofd defensieonderdeel kent een non-activiteitswedde toe aan de ambtenaar die, ingevolge artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt in verband met de werkzaamheden die voortvloeien uit een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen. De non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de laatstelijk door hem in zijn ambt genoten bezoldiging het bedrag van de inkomsten die de ambtenaar in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college geniet, overschrijdt.

2. Voor de toepassing van het eerste lid geldt voorts dat:

  1. toekenning van de non-activiteitswedde plaatsvindt op de voet van het bepaalde in de artikelen 4, tweede tot en met vijfde lid, en 5 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement;
  2. onder inkomsten die in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college worden genoten wordt verstaan: alle inkomsten die aan die werkzaamheden zijn verbonden.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de functie van substituutombudsman met de in het eerste lid bedoelde functie gelijkgesteld.

4. Dit artikel is niet van toepassing op degene die een non-activiteitswedde geniet uit hoofde van artikel 4, eerste lid, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.

Artikel 33. Vergaderingen van en werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges

1. Het hoofd defensieonderdeel past een vermindering toe op de bezoldiging van de ambtenaar die een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem ingevolge artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet verlof is verleend. De bezoldiging wordt verminderd in evenredigheid met het aantal uren dat de ambtenaar verlof is verleend. De vermindering bedraagt maximaal de vaste vergoeding die de ambtenaar in de bedoelde functie zou ontvangen voor de uren die overeenkomen met een hierna vastgestelde taakduur.

2. De in het eerste lid bedoelde taakduur wordt voor een lid van de Provinciale Staten vastgesteld op een taakduur van 11 uur per week.

3. De in het eerste lid bedoelde taakduur wordt voor een lid van de raad van een gemeente vastgesteld op:

  1. 7 uur per week voor een gemeente met ten hoogste 30.000 inwoners;
  2. 12 uur per week voor gemeente met ten hoogste 100.000 inwoners;
  3. 24 uur per week voor een gemeente met meer dan 100.000 inwoners.

4. De in het eerste lid bedoelde taakduur wordt voor een wethouder vastgesteld op een taakduur van:

  1. 16 uur per week voor een gemeente tot 2.000 inwoners;
  2. 20 uur per week voor een gemeente tot 4.000 inwoners;
  3. 24 uur per week voor een gemeente tot 8.000 inwoners;
  4. 28 uur per week voor een gemeente tot 14.000 inwoners;
  5. 32 uur per week voor een gemeente tot 18.000 inwoners.

Artikel 34. Bezoldiging bij verrichten van enkele diensten

De bezoldiging van de ambtenaar die is aangesteld op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel g, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie wordt bepaald op een bedrag voor elk geval of voor elke te verrichten dienst afzonderlijk vast te stellen.

Artikel 35. Bezoldiging bij opzettelijke nalatigheid

De ambtenaar ontvangt geen bezoldiging over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten.

Artikel 36. Bezoldiging bij schorsing

1. Bij de ambtenaar die ingevolge artikel 109, eerste lid, dan wel ingevolge artikel 109, tweede lid, onderdeel a of b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is geschorst, wordt door de commandant voor de duur van die schorsing eenderde gedeelte ingehouden van de bezoldiging, tenzij het hoofd defensieonderdeel bepaalt dat geen inhouding zal plaatsvinden.

2. In geval een schorsing als bedoeld in het eerste lid, langer duurt dan zes weken, kan het hoofd defensieonderdeel bepalen dat gedurende die verdere duur van die schorsing een verdere inhouding plaatsvindt tot het volle bedrag der bezoldiging. Bij de afweging omtrent de hoogte van de inhouding wordt de financiele positie van de ambtenaar in de beschouwing betrokken.

3. Bij de ambtenaar die ingevolge artikel 109, tweede lid, onderdeel c, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is geschorst, vindt geen inhouding van bezoldiging plaats.

4. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien een schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, onderdeel a of b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie niet wordt gevolgd door een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, een vrijheidsbenemende maatregel, ontslag op grond van artikel 121, eerste lid, onderdeel e, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid, die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks, naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel, onredelijk of onbillijk is.

5. In geval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar is voor de berekening van de bezoldiging artikel 30 van toepassing.

Artikel 37. Bezoldiging bij nevenwerkzaamheden tijdens diensttijd

1. In dit artikel wordt verstaan onder nevenwerkzaamheden: activiteiten, geen deel uitmakend van die welke in het kader van de functievervulling aan de werknemer zijn opgedragen, die de werknemer al of niet tegen vergoeding verricht, waaronder nevenbetrekkingen, het drijven van nering of handel, het middellijk of onmiddellijk deelnemen aan aannemingen en leveringen en het zijn van commissaris, bestuurder of vennoot van een vennootschap, stichting of vereniging.

2. De ambtenaar aan wie buitengewoon verlof is verleend voor het verrichten van nevenwerkzaamheden, heeft over de verlofuren geen aanspraak op bezoldiging.

3. Indien de commandant van oordeel is dat de nevenwerkzaamheden overwegend in het algemeen belang worden verricht, wordt, in afwijking van het tweede lid, de bezoldiging van de ambtenaar verminderd met de inkomsten die hij uit hoofde van zijn nevenwerkzaamheden ontvangt. De vermindering bedraagt ten hoogste de bezoldiging waarop de ambtenaar over zijn verlofuren aanspraak zou hebben.

4. Geen vermindering van de bezoldiging vindt plaats indien het aantal verleende verlofuren is beperkt tot maximaal 10% van de voor de ambtenaar geldende gemiddelde arbeidsduur per week.

Artikel 38. Bezoldiging tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof

1. Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof op grond van artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging.

2. De commandant draagt ervoor zorg dat de vrouwelijke ambtenaar door zijn tussenkomsteen uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg aanvraagt. Deze uitkering moet uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschaps- en bevallingsverlof onderscheidenlijk de datum waarop de vrouwelijke ambtenaar het recht op de uitkering wil laten ingaan, worden aangevraagd.

3. Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie zwangerschaps- en bevallingsverlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een uitkering op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt door de commandant betreffende de periode waarin sprake is van een samenloop een inhouding op de bezoldiging, als bedoeld in het eerste lid, toegepast die overeenkomt met het bedrag van bedoelde uitkering.

4. Indien aan de voorwaarden voor het toekennen van een uitkering als bedoeld in het derde lid, is voldaan, maar geen uitkering is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past de commandant het derde lid op overeenkomstige wijze toe.

Artikel 39. Bezoldiging tijdens adoptieverlof

1. Gedurende het adoptieverlof op grond van artikel 3:2, eerste tot en met derde lid, van de Wet arbeid en zorg, behoudt de ambtenaar zijn aanspraak op bezoldiging.

2. De commandant draagt ervoor zorg dat de ambtenaar door zijn tussenkomst een uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg aanvraagt bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Deze uitkering moet uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het adoptieverlof onderscheidenlijk de datum waarop de ambtenaar het recht op de uitkering wil laten ingaan, worden aangevraagd.

3. Indien de ambtenaar aan wie adoptieverlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een uitkering op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt door de commandant betreffende de periode waarin sprake is van een samenloop een inhouding op de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid, toegepast die overeenkomt met het bedrag van bedoelde uitkering.

4. Indien aan de voorwaarden voor het toekennen van een uitkering, als bedoeld in het derde lid, is voldaan, maar geen uitkering is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past de commandant het derde lid op overeenkomstige wijze toe.

Artikel 40. Samenloop bezoldiging en financiele tegemoetkoming Wet arbeid en zorg

1. De commandant wijst de ambtenaar, aan wie, in het kader van arbeid en zorg buitengewoon verlof met geheel of gedeeltelijk behoud van bezoldiging is verleend, in voorkomend geval op de mogelijkheden tot het aanvragen van een financiele tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.

2. Indien de ambtenaar gedurende het verlof, bedoeld in het eerste lid, of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiele tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg, wordt door de commandant betreffende de periode waarin sprake is van een samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast. De inhouding bedraagt maximaal het bedrag van de in het eerste lid bedoelde financiele tegemoetkoming voor zover in totaal door de samenloop 100% van de inkomsten zou worden overschreden.

3. Indien aan de in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiele tegemoetkoming is voldaan maar door toedoen van de ambtenaar geen financiele tegemoetkoming is toegekend, kan de commandant het tweede lid op overeenkomstige wijze toepassen. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiele tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

Artikel 41. Samenloop bezoldiging en militaire inkomsten

1. De ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is, heeft geen aanspraak op bezoldiging, tenzij de werkelijke dienst wordt vervuld tijdens door hem opgenomen vakantie of buiten de voor hem geldende werktijd, bedoeld in artikel 30a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.

2. In afwijking van het eerste lid behoudt de ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is, aanspraak op zijn bezoldiging voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire inkomsten, indien hij door Onze Minister is tewerkgesteld:

  1. onder leiding of toezicht van een orgaan van de Verenigde Naties;
  2. bij of ten behoeve van een bondgenootschappelijk orgaan of bondgenootschappelijke strijdkrachten;
  3. ten behoeve van operaties in het kader van internationale overeenkomsten of andere verplichtingen door Nederland aangegaan.

3. Ingeval de ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, aanspraak heeft op een toelage onregelmatige dienst dan wel een consignatietoelage is voor de berekening van de bezoldiging artikel 30 van toepassing.

4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder militaire inkomsten verstaan, hetgeen bij of krachtens het Inkomstenbesluit militairen of het Algemeen militair ambtenarenreglement wordt aangemerkt als:

  1. militaire bezoldiging;
  2. vaste vergoeding voor extra beslaglegging;
  3. vliegtoelage;
  4. garantievliegtoelage;
  5. toelage officieren-arts, -tandarts en -apotheker;
  6. toelage officieren-medisch specialist;
  7. brevettoelage;
  8. vergoeding extra werkdruk bij vredes- en humanitaire operaties;
  9. opkomsttoelage.

Voor de berekening van de militaire inkomsten wordt in voorkomend geval de inhouding wegens gebruik van voeding en huisvesting in mindering gebracht.

5. Op de ambtenaar, die in tijdelijke dienst is aangesteld, zijn de bepalingen van dit artikel slechts van toepassing tot en met de dag, waarop de burgerlijke betrekking zou zijn beeindigd, indien hij niet als militair in werkelijke dienst zou zijn geweest.

Artikel 42. Overige samenloopbepalingen

1. Het bepaalde in artikel 41, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar, die is tewerkgesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst.

2. De ambtenaar die in werkelijke dienst is als een vrijwillige ambtenaar van politie, als bedoeld in het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, behoudt aanspraak op zijn bezoldiging, met dien verstande, dat deze bezoldiging, indien de werkelijke dienst langer dan twee weken duurt, voor de verdere duur wordt verminderd met de inkomsten, waarop de ambtenaar als vrijwillige ambtenaar van politie aanspraak heeft. Het bepaalde in artikel 41 is verder voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6. Overige inkomsten

Artikel 43. Vakantie-uitkering

1. Het hoofd defensieonderdeel kent aan de ambtenaar per maand een vakantie-uitkering toe ten bedrage van 8% van de bezoldiging van de ambtenaar.

2. Voor de ambtenaar die 22 jaar of ouder is bedraagt de vakantieuitkering bij een voltijdaanstelling per maand tenminste € 148,85. Bij een deeltijdaanstelling wordt dit bedrag naar evenredigheid verminderd.

3. Voor de ambtenaar die jonger is dan 22 jaar bedraagt de vakantieuitkering ten minste het in het tweede lid berekende bedrag verminderd met 10% voor elk leeftijdsjaar of gedeelte van een leeftijdsjaar dat hij jonger is dan 22 jaar. De vermindering bedraagt maximaal 30%.

4. Indien de ambtenaar aanspraak heeft op een gedeelte van de bezoldiging wordt de vakantie-uitkering naar evenredigheid van de bezoldiging berekend, tenzij anders vermeld. Indien de ambtenaar geen aanspraak heeft op bezoldiging heeft de ambtenaar geen aanspraak op vakantie-uitkering, tenzij anders vermeld.

5. In afwijking van het vierde lid heeft de ambtenaar, die op grond van artikel 26 aanspraak heeft op een gedeelte van de bezoldiging, aanspraak op de vakantie-uitkering berekend over de volledige bezoldiging.

6. In afwijking van het vierde lid, heeft de ambtenaar, die aanspraak heeft op militaire inkomsten als bedoeld in artikel 41, aanspraak op een vakantie-uitkering, voor zo veel de vakantie-uitkering, berekend over de volledige bezoldiging, meer bedraagt dan de vakantie-uitkering waarop hij als militair aanspraak heeft.

7. In afwijking van artikel 6 wordt de vakantie-uitkering eenmaal per jaar in de maand mei uitbetaald over de periode van 12 maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. Bij ontslag van de ambtenaar vindt de uitbetaling plaats zo snel mogelijk na zijn ontslag.

Artikel 44. Eindejaarsuitkering

1. Het hoofd defensieonderdeel kent een eindejaarsuitkering per maand toe aan de ambtenaar ten bedrage van 5% van het salaris van de ambtenaar.

2. Indien ingevolge artikel 27 op het salaris van de ambtenaar een uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in mindering is gebracht, wordt voor de toepassing van het eerste lid geen rekening gehouden met deze vermindering.

3. Voor de toepassing van het eerste lid is het vierde tot en met zevende lid van artikel 43 van overeenkomstige toepassing.

4. Onze Minister kent een eindejaarsuitkering toe aan de gewezen ambtenaar, die in het genot is van wachtgeld als bedoeld in artikel 22 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie, of een uitkering op grond van het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie. De eindejaarsuitkering bedraagt 0,8% van het genoten wachtgeld of de genoten uitkering na toepassing van de bij of krachtens die besluiten geldende vermindering wegens inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.

5. In afwijking van artikel 6 wordt de eindejaarsuitkering over de periode december van het voorgaande jaar tot en met november van het lopende jaar uitbetaald in de maand november. Bij ontslag van de ambtenaar vindt de uitbetaling van de tot de datum van het ontslag opgebouwde uitkering zo snel mogelijk na het ontslag plaats.

6. In afwijking van het vijfde lid wordt de eindejaarsuitkering in het jaar 2009 over de periode januari 2009 tot en met november 2009 uitbetaald in de maand november. Bij ontslag van de ambtenaar vindt de uitbetaling van de tot de datum van het ontslag opgebouwde uitkering zo snel mogelijk na het ontslag plaats.

Artikel 44a. Inkomenstoeslag

De burgerambtenaar heeft aanspraak op een inkomenstoeslag ter hoogte van € 123,93 per maand. Deze inkomenstoeslag wordt voor de ambtenaar met een deeltijdaanstelling vastgesteld op een evenredig deel van de uitkering behorend bij een voltijdaanstelling.

Artikel 45. Beloningen

1. De commandant kan aan de ambtenaar die zich bijzonder heeft onderscheiden door optreden of gedragingen dan wel door buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichtingen, een of meer van de onderstaande beloningen toekennen:

  1. geschenk;
  2. geldelijke beloning;
  3. functioneringsgratificatie.

2. De totale waarde van een of meer van de beloningen bedraagt maximaal 20% van het tot een jaarbedrag herleide salaris in de maand van toekenning. Bij de berekening van de totale waarde van de beloningen wordt geen rekening gehouden met de verschuldigde loonheffing en inhoudingen, bedoeld in het derde lid.

3. De in voorkomend geval over een of meer van die beloningen verschuldigde loonheffing en de inhoudingen, bedoeld in paragraaf 5 van de Wet financiele voorzieningen privatisering ABP, komen voor rekening van Defensie.

Artikel 46. Functioneringstoelage

1. De commandant kan aan de ambtenaar die het voor hem geldende maximumsalaris heeft bereikt een functioneringstoelage toekennen, indien de wijze van functioneren van de ambtenaar daartoe naar het oordeel van de commandant aanleiding geeft.

2. De functioneringstoelage wordt toegekend voor een periode van tenminste een jaar.

3. De functioneringstoelage bedraagt ten hoogste 10 procent van het salaris van de ambtenaar.

4. Indien een ambtenaar, die in het genot is van een functioneringstoelage, een andere functie krijgt opgedragen waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, vervalt de functioneringstoelage met ingang van de datum waarop die hogere salarisschaal van toepassing wordt.

5. Indien een ambtenaar, die in het genot is van een functioneringstoelage, tijdelijk wordt bezoldigd conform een hogere salarisschaal, wordt het bedrag van de functioneringstoelage gedurende de tijd dat de ambtenaar dat hogere salaris ontvangt, op nul gesteld.

6. Indien een ambtenaar na het opdragen van de andere functie bedoeld in het vierde lid dan wel gedurende de periode dat hij tijdelijk aanspraak heeft op bezoldiging conform een hogere salarisschaal, aanspraak heeft op een salaris dat lager is dan het salaris vermeerderd met de functioneringstoelage waarop hij direct voorafgaand aan het opdragen van de andere functie dan wel de periode waarover hij de tijdelijke hogere bezoldiging geniet aanspraak had, heeft hij aanspraak op een overbruggingstoelage.

7. De overbruggingstoelage bedoeld in het zesde lid is gelijk aan het verschil tussen het salaris zoals de ambtenaar dat wegens het opdragen van de andere functie of gedurende de periode waarin hij de tijdelijke hogere bezoldiging geniet en het salaris vermeerderd met de functioneringstoelage zoals hij dat voorafgaand daaraan genoot.

8. De aanspraak op de in het zesde lid bedoelde overbruggingstoelage vervalt indien de ambtenaar na de periode waarin hij tijdelijk conform een hogere salarisschaal werd bezoldigd weer aanspraak heeft op de functioneringstoelage.

9. De aanspraak op de in het zesde lid bedoelde overbruggingstoelage eindigt op de datum waarop de toegekende functioneringstoelage volgens de toekenningsbeschikking zou eindigen.

Artikel 47. Bindingspremie

1. Het hoofd defensieonderdeel kan aan een ambtenaar die in vaste dienst is aangesteld en die zich verbindt om gedurende een bepaalde periode onafgebroken deel uit te maken van het burgerpersoneel, een bindingspremie toekennen.

2. Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld omtrent de toekenning van een bindingspremie.

Artikel 48. Samenloop beloningen en bindingspremie

Vervallen bij Stb. 2007, 576

Artikel 49. Vergoeding voor overwerk

1. De commandant kent aan de ambtenaar met een salarisschaal tot en met 10 een vergoeding voor overwerk toe, indien de ambtenaar in opdracht van de commandant overwerk verricht.

2. Onder overwerk wordt verstaan: arbeid die wordt verricht buiten de werktijden, die voor de ambtenaar gelden krachtens een rooster, voor zover daardoor het per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren wordt overschreden.

3. In afwijking van het eerste lid wordt voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur aansluitend aan de dagelijkse werktijd wordt verricht, geen vergoeding toegekend.

4. De werkperiode bedoeld in het tweede lid wordt gesteld op:

  1. een dag, indien aanvang en einde van de werktijd in de regel niet aan wisselingen onderhevig zijn;
  2. een tijdvak van tenminste zeven dagen, indien de tijdstippen van aanvang en einde van de werktijd volgens een tevoren vastgesteld rooster wisselen.

5. De vergoeding voor overwerk bestaat uit:

  1. verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van het per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren, en
  2. een overwerktoelage in geld, die voor elk uur van die overschrijding een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur bedraagt.

6. De vergoeding in verlof wordt zo spoedig mogelijk toegekend, doch in de regel niet later dan in de kalendermaand volgende op die, waarin de overschrijding plaats had, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de ambtenaar.

7. Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van verlof, wordt in plaats van verlof voor ieder uur een additionele overwerktoelage in geld toegekend gelijk aan het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.

8. Indien de werkperiode een dag omvat, bedraagt het in het vijfde lid, onderdeel b, bedoelde percentage:

  1. behoudens het gestelde onder b en c, het getal, vermeld in de onderstaande tabel:
Overwerk verricht op zondag op maandag op dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag op zaterdag
tussen 0 en 6 uur 100 100 50 50
tussen 6 en 18 uur 100 25 25 50
tussen 18 en 20 uur 100 25 25 75
tussen 20 en 24 uur 100 50 50 75
  1. 50, indien gedurende langer dan twee uur overwerk is verricht, voor zover het overwerk betreft, dat na de eerste twee uur is verricht op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 06.00 uur en 20.00 uur, behoudens het gestelde onder c;
  2. 100, indien het overwerk is verricht op een der feestdagen, genoemd in artikel 31g, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie dan wel op de daarop volgende dag tussen 00.00 uur en 06.00 uur.

9. Indien de werkperiode een tijdvak van tenminste zeven dagen omvat, bedraagt het in het vijfde lid, onderdeel b, bedoelde percentage:

  1. 50, behoudens het gestelde onder b;
  2. 100, indien het overwerk is verricht op zondag, op maandag tussen 00.00 uur en 06.00 uur, op een der feestdagen, genoemd in artikel 31g, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, dan wel op de dag, volgende op de laatstgenoemde dag tussen 00.00 uur en 06.00 uur.

10. Voor het vaststellen van de duur van de overschrijding gelden de uren waarop krachtens het vijfde lid onder a, of krachtens het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie dan wel een overeenkomstige regeling vakantie of verlof is genoten, als uren waarop is gewerkt.

11. Aan ambtenaren voor wie verschillende salarisschalen gelden, die ingevolge een opdracht als bedoeld in het eerste lid gelijke werkzaamheden verrichten kan, in afwijking van het in dit artikel bepaalde, naar billijkheid een voor alle betrokken ambtenaren gelijke vergoeding worden toegekend.

Artikel 49a Tijdelijke maatregel bij de vergoeding voor overwerk

1. De commandant kent aan de ambtenaar met salarisschaal 11 en 12 een vergoeding voor overwerk als bedoeld in artikel 49, tweede lid, toe, indien de ambtenaar in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 28 februari 2010 in opdracht van de commandant overwerk verricht.

2. Artikel 49, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

3. De vergoeding voor overwerk bedraagt per uur de helft van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.

Artikel 50. Oefentoelage

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

a. etmaal:
een tijdsbestek van 24 uur aaneengesloten;

b. oefening:
een oefening, als bedoeld in artikel 30a, onderdeel k, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;

c. ZZF-dag:
een zaterdag, zondag of feest- en gedenkdag, als bedoeld in artikel 31g, eerste of tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.

2. De commandant kent, in afwijking van de artikelen 23 en 49, aan de ambtenaar met een salarisschaal tot en met 10 een oefentoelage toe voor een oefening, die een etmaal of langer duurt en waarbij sprake is van consignatie in de zin van artikel 23 of overwerk in de zin van artikel 49.

3. De oefentoelage wordt niet toegekend, indien de oefening korter dan een etmaal duurt. De artikelen 23 en 49 zijn in dit geval van toepassing.

4. De oefentoelage bedraagt per etmaal 3% van:

  1. het maximumsalaris per maand van salarisschaal 3 voor de ambtenaar met salarisschaal 1 tot en met 6;
  2. het maximumsalaris per maand van salarisschaal 8 voor de ambtenaar met salarisschaal 7 tot en met 10.

5. Indien bij een oefening langer dan een etmaal sprake is van een niet volledig etmaal, wordt de oefentoelage over het niet volledige etmaal berekend per half etmaal. Een tijdvak van minder dan 12 uren telt hierbij voor een half etmaal en van 12 uren of meer voor een heel etmaal.

6. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid wordt aan de ambtenaar voor een oefening per etmaal 8 uur vrije tijd verleend, indien dit plaatsvindt op een ZZF-dag. Hierbij telt een periode van 8 uur of langer voor een etmaal. Bij een periode korter dan 8 uur wordt geen vergoeding in vrije tijd verleend.

7. Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van de vergoeding in vrije tijd, bedoeld in het zesde lid, wordt in plaats van deze vergoeding voor ieder uur een compensatie in geld toegekend dat gelijk is aan het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.

8. De ambtenaar die aanspraak heeft op een toelage of vergoeding ingevolge dit artikel heeft uit anderen hoofde geen aanspraak op een toelage wegens beschikbaarheid of bereikbaarheid, vergoeding in geld of tijd voor overwerk of beloning voor bezwarende werkomstandigheden.

Artikel 51. Vervangingstoelage

1. Voor de ambtenaar die op 30 juni 2003 aanspraak heeft op een toelage op grond van de Toelageregeling afschaffing tariefbeloning Defensie, wordt die aanspraak met ingang van 1 juli 2003 omgezet in een vervangingstoelage.

2. Het bedrag van de vervangingstoelage is op 1 juli 2003 gelijk aan het bedrag van de toelage waarop de ambtenaar op 30 juni 2003 aanspraak heeft op grond van de Toelageregeling afschaffing tariefbeloning Defensie.

3. Voor zover de toelage op grond van de Toelageregeling afschaffing tariefbeloning Defensie op 30 juni 2003 deel uitmaakt van de bezoldiging onderscheidenlijk de grondslag voor de vakantie-uitkering onderscheidenlijk het pensioengevend inkomen, maakt de vervangingstoelage vanaf 1 juli 2003 op overeenkomstige wijze deel uit van de bezoldiging onderscheidenlijk de grondslag voor de vakantie-uitkering onderscheidenlijk het pensioengevend inkomen.

4. Voor zover de toelage op grond van de Toelageregeling afschaffing tariefbeloning Defensie voor 30 juni 2003 wordt aangepast met het percentage van een algemene salarismaatregel, wordt de vervangingstoelage vanaf 1 juli 2003 op overeenkomstige wijze aangepast met het percentage van een algemene salarismaatregel.

Artikel 52. Overige inkomsten

1. Bij ministeriėle  regeling kan de ambtenaar een aanspraak worden toegekend op:

  1. een toelage voor het verrichten van werkzaamheden waaraan naar het oordeel van Onze Minister bijzondere risico’s of inconvenienten zijn verbonden;
  2. een toelage in verband met het vervullen van een door Onze Minister aangewezen functie of het bezit van een door Onze Minister aangewezen bekwaamheid;
  3. een diensttijdgratificatie bij een – naar het oordeel van Onze Minister – eervolle diensttijd van twaalfeneenhalf, vijfentwintig, veertig of vijftig jaren;
  4. een vergoeding of een tegemoetkoming in de kosten of – in de plaats daarvan – voorzieningen in natura ter zake van het verblijf van de ambtenaar buiten Nederland;
  5. een vergoeding of een tegemoetkoming in de kosten van recepties en representatie;
  6. een vergoeding of een tegemoetkoming in de kosten van maaltijden bij overwerk;
  7. een vergoeding of een tegemoetkoming in de kosten van communicatie;
  8. een vergoeding of een tegemoetkoming in de extra kosten voor zorg voor jonge kinderen bij inzet;
  9. eventuele overige inkomsten.

2. Van de bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriėle  regelingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d tot en met h, wordt mandaat verleend aan de hoofddirecteur personeel van het Ministerie van Defensie.

Hoofdstuk 7.

Vervallen

Artikel 53. t/m 58

Vervallen

Hoofdstuk 8. Verschuldigde bedragen

Artikel 59. Definitie

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

berekeningsbasis:
de bezoldiging met uitzondering van een toelage onregelmatige dienst, een aflopende toelage onregelmatige dienst en een consignatietoelage, met dien verstande dat de bezoldiging bij deeltijdaanstelling herleid wordt tot de bezoldiging, die geldt bij een voltijdaanstelling.

Artikel 60. Verschuldigde bedragen wegens kost en inwoning

1. De ambtenaar is voor het verstrekken van kost en van inwoning door Defensie, anders dan bij een dienstreis als bedoeld in artikel 1 van het Besluit dienstreizen defensie, per maand een bedrag verschuldigd van onderscheidenlijk 12% en 8% van zijn berekeningsbasis, met inachtneming van bij ministeriėle  regeling te bepalen maxima.

2. In afwijking van het eerste lid wordt voor de ambtenaar, wiens berekeningsbasis gelijk aan of lager is dan het maandbedrag van het minimumloon dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, geldt voor werknemers in de leeftijd van 23 jaar of ouder, het verschuldigde bedrag bij ministeriėle  regeling vastgesteld.

Artikel 61. Verschuldigde bedragen wegens gebruik van een woning

1. De ambtenaar is voor het gebruik van een woning die door Defensie beschikbaar is gesteld en voor verdere verstrekkingen in die woning waarvan de kosten niet afzonderlijk kunnen worden vastgesteld, per maand een bedrag verschuldigd aan Defensie, overeenkomende met de hierna genoemde percentages van zijn berekeningsbasis:

  1. voor het gebruik van de woning:
    1°. die in Nederland is gelegen: 12%;
    2°. die buiten Nederland is gelegen: 17%;
  2. voor verwarming van de woning: 2,4%;
  3. voor energie voor kookdoeleinden: 0,9%;
  4. voor elektrische energie, anders dan voor verwarming van de woning en voor kookdoeleinden: 0,9%;
  5. voor leidingwater: 0,4%,

zulks met inachtneming van door Onze Minister aan te geven maxima voor de verstrekkingen bedoeld onder b tot en met e.

2. Indien de ambtenaar aantoont dat de huurwaarde van de woning voor de heffing van de inkomsten- en loonbelasting minder bedraagt dan het op grond van het bepaalde in het eerste lid geldende bedrag wegens het gebruik van de woning, wordt het verschuldigde bedrag op dat van die huurwaarde gesteld.

3. Voor het gebruik van de verstrekkingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b tot en met e, is geen bedrag verschuldigd in het geval, bedoeld in het tweede lid, en in de gevallen waarin tevens kost en inwoning wordt verstrekt.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 62. Hardheidsclausule

Indien de billijkheid dat vordert, kan Onze Minister de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming toekennen.

Artikel 63 tot en met 74

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]

Artikel 75. Intrekking besluiten

De volgende besluiten worden ingetrokken:

  1. het Besluit betaling emolumenten burgerlijke ambtenaren defensie;
  2. het Besluit maaltijdvergoeding bij overwerk burgerlijke ambtenaren defensie;
  3. het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie;
  4. het Interimbesluit ziektekosten burgerlijke ambtenaren defensie;
  5. het Telefoonkostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.

Artikel 76. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het besluit wordt geplaatst, met dien verstande dat de artikelen 63, onderdeel A, 64, 65, 66, 68, 69, 70, onderdeel W, 71, onderdeel C, 72, onderdeel C, en 73 terugwerken tot en met 1 augustus 2004.

Artikel 77. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.


Bijlage A (IBBAD, artikel 8, tweede lid) van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie

Bedragen met ingang van 1 maart 2009

Nr. Salaris Schaal
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
1 1347.40 0                              
2 1413.49 - 0                            
3 1513,90 1 - 0                          
4 1547,22 - 1 1 0                        
5 1578,46 2 - - 1                        
6 1607,65 3 2 2 - 0                      
7 1641,99 4 - - 2 -                      
8 1677,34 5 3 3 - 1                      
9 1722,93 6 4 - 3 - 0                    
10 1775,69 7 5 4 - 2 1                    
11 1838,72   6 5 4 - -                    
12 1900,18   7 6 5 3 2                    
13 1959,11   8 7 6 4 - 0                  
14 2017,53     8 7 5 3 1                  
15 2073,86     9 8 6 4 -                  
16 2130,73     10 9 7 5 2                  
17 2186,06       10 8 6 -                  
18 2240,86       11 9 7 3 0                
19 2298,77         10 8 4 -                
20 2354,60         11 9 5 1   0            
21 2408,42           10 6 -   -            
22 2466,81           11 7 2 0 1            
23 2525,74             8 - - -            
24 2587,21             9 3 1 2            
25 2656,36             10 4 - -            
26 2720,92             11 5 2 3            
27 2775,73               6 - -            
28 2836,21               7 3 4            
29 2898,16               8 - -            
30 2956,08               9 4 5            
31 3008,84               10 - -            
32 3062,65                 5 6            
34 3171,26                 6 7 0          
36 3293,19                 7 8 1          
38 3404,85                 8 9 2          
40 3512,46                   10 3          
42 3616,97                   11 4          
44 3733,28                   12 5          
46 3852,64                     6 0        
48 3964,31                     7 1        
50 4076,51                     8 2        
52 4188,72                     9 3        
54 4296,81                     10 4        
55 4354,71                     11 -        
56 4411,05                       5 0      
58 4523,27                       6 1      
60 4631,35                       7 2 0    
62 4744,07                       8 3 1    
64 4884,45                       9 4 2    
65 4953,11                       10 - -    
66 5023,79                         5 3 0  
68 5164,70                         6 4 1  
70 5305,57                         7 5 2  
71 5373,20                         8 - -  
72 5445,45                         9 6 3 0
73 5519,72                         10 - - -
74 5594,02                           7 4 1
76 5746,67                           8 5 2
78 5903,45                           9 6 3
80 6091,48                           10 7 4
82 6285,63                             8 5
84 6485,96                             9 6
86 6692,93                             10 7
88 6906,57                               8
90 7126,86                               9
91 7252,90                               10

 

Leeftijd

Sch1

Sch2

Sch3 Sch4 Sch5
J19 909,36 943,18 1059,73 1083,05 1125,36
J20 1044,10 1077,91 1211,12 1237,78 1286,12
J21 1178,85 1212,66 1362,51 1392,50 1446,89

 

Bijlage B (IBBAD, artikel 13, zesde lid) van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie

Maandsalaris burgertandartsen

Bedragen met ingang van 1 maart 2009

Aantal punten per jaar:

van t/m maandsalaris
  11818,0 3945,00
11818,1 13167,0 4105,42
13167,1 14516,0 4329,75
14516,1 15884,0 4579,50
15884,1 17233,0 4826,25
17233,1 18582,0 5068,00
18582,1 19931,0 5253,00
19931,1 21280,0 5443,17
21280,1 22629,0 5616,33
22629,1 23978,0 5801,58
23978,1 25327,0 5908,58
25327,1 26599,9 5987,08
26600,0 en meer 6022,83

Bijlage C (IBBAD, artikel 14, eerste lid) van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie

Jaarsalaris burgertandartsen
Bedragen met ingang van 1 maart 2009
aantal
punten
per jaar
jaar-salaris aantal
punten
per jaar
jaar-salaris aantal
punten
per jaar
jaar-salaris aantal
punten
per jaar
jaar-salaris aantal
punten
per jaar
jaar-salaris
11818 47340                
11913 47538 14858 54199 17822 60677 20767 65580 23731 70256
11989 47728 14953 54390 17898 60816 20862 65723 23807 70315
12084 47917 15029 54576 17993 60898 20938 65861 23902 70374
12160 48112 15124 54764 18069 61040 21033 65999 23978 70430
12236 48304 15200 54954 18164 61184 21109 66008 24073 70493
12331 48493 15276 55141 18240 61327 21204 66147 24149 70551
12407 48688 15371 55331 18316 61470 21280 66284 24244 70608
12502 48881 15447 55520 18411 61611 21356 66426 24320 70669
12578 49077 15542 55707 18487 61753 21451 66560 24396 70725
12673 49265 15618 55898 18582 61898 21527 66698 24491 70784
12749 49458 15713 56086 18658 62037 21622 66840 24567 70845
12844 49653 15789 56219 18753 62182 21698 66979 24662 70903
12920 49842 15884 56407 18829 62325 21793 67117 24738 70964
12996 50035 15960 56595 18924 62465 21869 67258 24833 71021
13091 50228 16036 56785 19000 62608 21964 67396 24909 71077
13167 50419 16131 56972 19076 62752 22040 67535 25004 71136
13262 50608 16207 57160 19171 62896 22116 67673 25080 71198
13338 50806 16302 57350 19247 63036 22211 67811 25156 71257
13433 50995 16378 57541 19342 63180 22287 67953 25251 71317
13509 51185 16473 57729 19418 63322 22382 68090 25327 71375
13604 51380 16549 57915 19513 63463 22458 68232 25422 71432
13680 51571 16644 58104 19589 63608 22553 68369 25498 71493
13756 51764 16720 58293 19684 63751 22629 68509 25593 71550
13851 51957 16796 58481 19760 63894 22724 68648 25669 71609
13927 52098 16891 58669 19836 64034 22800 68782 25764 71667
14022 52288 16967 58860 19931 64178 22876 68923 25840 71724
14098 52483 17062 59049 20007 64318 22971 69063 25916 71786
14193 52675 17138 59235 20102 64461 23047 69200 26011 71845
14269 52863 17233 59424 20178 64603 23142 69339 26106 71904
14364 53057 17309 59613 20273 64748 23218 69478 26182 71961
14440 53249 17404 59803 20349 64889 23313 69619 26258 72023
14516 53440 17480 59993 20444 65033 23389 69756 26353 72079
14611 53634 17556 60178 20520 65172 23484 69896 26429 72137
14687 53827 17651 60367 20596 65318 23560 70034 26524 72199
14782 54013 17727 60529 20691 65442 23636 70197 26600 72274

 


Nota van toelichting

Algemeen

Ingevolge artikel 125 van de Ambtenarenwet wordt de rechtspositie van burgerambtenaren, voor zover zulks niet reeds bij of krachtens wet is geregeld, vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Dit is ook van toepassing op het burgerpersoneel aangesteld bij het ministerie van Defensie. De algemene rechtspositie van het burgerlijk defensiepersoneel is voor een belangrijk deel nader geregeld in het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD).

De financiele rechtspositie van het burgerpersoneel van de sector Defensie was, voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, nader geregeld in een aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriėle  regelingen. Dit besluit, het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (IBBAD), strekt ertoe een overzichtelijke regeling van de financiele rechtspositie van het burgerpersoneel voor de sector Defensie tot stand te brengen door middel van een integratie en codificatie van de voor de inwerkingtreding van dit besluit bestaande regelgeving. Doel is de toegankelijkheid en de inzichtelijkheid van de financiele rechtspositie van het burgerpersoneel van Defensie te vergroten. Daarnaast is een forse bijdrage geleverd aan de deregulering door het terugdringen van de hoeveelheid regelgeving op dit gebied waardoor vijf besluiten en18 ministeriėle  regelingen zijn vervangen door een besluit en een ministeriėle  regeling.

Ten opzichte van de ingetrokken regelgeving is door het IBBAD, in materiele zin, geen wijziging tot stand gebracht in de financiele rechtspositie van de betrokken ambtenaren. Een enkel onderdeel dat verouderd is of niet meer is toegepast, is verwijderd. Verder is de rechtspositie geactualiseerd en geharmoniseerd, waardoor de rechtspositie op onderdelen is herschreven zonder materiele wijzigingen tot stand te brengen.

Door de integratie wordt een vijftal besluiten samengevoegd en gecodificeerd. Het betreft het Besluit betaling emolumenten burgerlijke ambtenaren defensie, het Besluit maaltijdvergoeding bij overwerk burgerlijke ambtenaren defensie, het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (BBAD), het Interimbesluit ziektekosten burgerambtenaren defensie en het Telefoonkostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Daarnaast was een aantal bijzondere bepalingen betreffende de bezoldiging opgenomen in het BARD. Ook deze zijn in het IBBAD opgenomen. Daardoor bestrijkt het IBBAD nagenoeg het gehele terrein van de inkomsten die de burgerambtenaar van defensie uit hoofde van zijn aanstelling geniet. De belangrijkste uitzondering is de bijzondere voorziening voor de personenchauffeur, omdat in het desbetreffende besluit een onlosmakelijk geheel van voorzieningen zijn getroffen in het kader van arbeidstijd, vakantieverlof en vaste financiele aanvullingen.

Het IBBAD is van toepassing op het burgerlijke personeel dat is aangesteld bij het Ministerie van Defensie, en betreft dezelfde categorie burgerambtenaren als die waarop het BARDvan toepassing is. Het IBBAD is niet van toepassing op de ambtenaar, wiens bezoldiging is geregeld bij wet. Evenmin geldt het IBBADvoor de burgerambtenaar die werkzaam is bij Defensie, maar is aangesteld bij de Algemene Bestuursdienst (ABD), voor de gewezen ambtenaar, voor ambtenaren die bezoldiging genieten als leden van raden, besturen en commissies en voor de geestelijk verzorger bij de krijgsmacht. Dit wordt, zo nodig, nader toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 1 en 2.

In het onderhavige besluit is aandacht besteed aan de bevoegdhedentoedeling, zoals opgedragen in de Algemene wet bestuursrecht. Dit geldt voor zowel de regelgevende als de uitvoerende bevoegdheden. De uit dit besluit voortkomende regelgevende bevoegdheden zijn voorbehouden aan Onze Minister, met dien verstande dat voor het vaststellen van enige toelagen en voorzieningen mandaat wordt verleend aan de Hoofddirecteur Personeel.

Voor wat betreft de uitvoerende bevoegdheden is in het IBBAD gekozen voor rechtstreekse attributie aan hetzij Onze Minister, hetzij het hoofd defensieonderdeel, hetzij de commandant. Attributie aan Onze Minister vindt plaats voor wat betreft de primaire arbeidsvoorwaarden, zoals het salaris. Attributie van uitvoerende bevoegdheden aan het hoofd defensieonderdeel, als hoofd van een van de zeven Defensieonderdelen, is aan de orde indien het een zwaarwegend personeelstechnisch of financieel belang betreft. Attributie van bevoegdheden aan de commandant is aan de orde, indien de financiele aanspraak rechtstreeks gerelateerd is aan de bedrijfsvoering – dat wil zeggen: de dagelijkse gang van zaken bij een onderdeel – zoals onregelmatige diensten, overwerk en dergelijke. Het begrip «bevoegd gezag», zoals dat onder andere voorkwam in het nu ingetrokken BBAD, is niet langer toegepast.

In het IBBAD is de volgende structuur aangebracht. De financiele aanspraken van de burgerlijke defensieambtenaar, dat wil zeggen: zijn inkomsten, kunnen worden onderscheiden in bezoldiging en overige inkomsten. De bezoldiging wordt vervolgens onderverdeeld in salaris en overige bezoldiging. Met andere woorden: de inkomsten bestaan uit het salaris plus de overige bezoldiging (anders dan salaris) plus de overige inkomsten (anders dan bezoldiging). De structuur van het IBBAD volgt deze indeling.

Aangezien het salaris de meest primaire arbeidsvoorwaarde vormt, komt dit element als eerste, na de algemene bepalingen, aan de orde. Daarna volgen hoofdstukken over de overige bezoldiging en de bezoldiging bij ziekte en tijdens bijzondere situaties. De term bezoldiging is een kernbegrip in de financiele rechtspositie. De bezoldiging is het aangrijpingspunt voor de inkomsten tijdens ziekte en tijdens bijzondere situaties en vormt tevens de berekeningsgrondslag voor allerlei post-actieve uitkeringen en voor bijvoorbeeld de vakantie-uitkering.

Inkomsten die geen deel uitmaken van de bezoldiging, zoals de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de tegemoetkoming ziektekostenverzekering bevatten de inhoud van de overige hoofdstukken. Enkele aanspraken worden bij ministeriėle  regeling nader geregeld. Dat betreft onder andere aanspraken wegens het verrichten van werkzaamheden waaraan bijzondere risico’s of inconvenienten zijn verbonden of aanspraken wegens het vervullen van een aangewezen functie of het bezitten van een aangewezen bekwaamheid. Eveneens bij ministeriėle  regeling kunnen kostenvergoedingen of tegemoetkomingen in de kosten worden verleend. Naast de inkomsten kan er ook sprake zijn van verschuldigde bedragen, bijvoorbeeld wegens gebruik van een woning. Dit onderwerp is geregeld in hoofdstuk 8.

Bij de hierna volgende artikelsgewijze toelichting is niet bij elk artikel een uitgebreide toelichting opgenomen. Een aantal artikelen behoeft binnen de gegeven context nauwelijks nadere toelichting. Daarnaast zijn de meeste artikelen, hetzij min of meer letterlijk uit de hierboven genoemde rechtspositieregelingen overgenomen of wijken daarvan inhoudelijk niet of slechts op enkele punten van ondergeschikt belang af. In deze gevallen is slechts een verkorte toelichting opgenomen. Voor een nadere toelichting kan worden verwezen naar de overeenkomstige artikelen van de in de eerder in deze Nota van Toelichting genoemde besluiten. Ten behoeve hiervan is na de artikelsgewijze toelichting een transponeringstabel opgenomen, waaruit kan worden afgeleid met welke artikelen uit de hierboven genoemde financiele regelingen de artikelen van het onderhavige besluit corresponderen.

Dit besluit heeft geen financiele gevolgen voor het Ministerie van Defensie of voor individuele burgerambtenaren, aangezien met de integratie en codificatie van de regelgeving geen wijzigingen in de bestaande rechtspositionele aanspraken als zodanig zijn vastgesteld. Over het besluit is op 29 juni 2004 overeenstemming bereikt in het overleg met de Sectorcommissie Defensie.

Artikelsgewijs

Artikel 1

De begripsbepalingen voor Onze Minister, het hoofd defensieonderdeel en de commandant sluiten aan bij de bevoegdhedentoedeling, zoals beschreven in het algemene gedeelte. De hoofden defensieonderdeel zijn de hoofden van de zeven Defensieonderdelen. De commandant is het hoofd van een diensteenheid; deze autoriteit zal worden aangewezen bij ministeriėle  regeling in de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie (IRBAD), die gelijktijdig in werking treedt met dit besluit.

De begripsbepalingen voor salaris, bezoldiging en inkomsten betreffen het meer inhoudelijke onderwerp van het besluit. Het salaris van de ambtenaar wordt vastgesteld aan de hand van hoofdstuk 2, de bezoldiging aan de hand van het salaris en de overige toelagen ingevolge hoofdstuk 3 en inkomsten is een verzamelbegrip voor alle financiele aanspraken tezamen.

Artikel 2

Op de ambtenaar die bezoldiging geniet als lid van een raad, bestuur of commissie is het Vacatiegeldenbesluit 1988 van toepassing. Dit onderhavige besluit geldt niet voor hem. De burgerambtenaar die is aangesteld om als geestelijk verzorger bij de krijgsmacht werkzaam te zijn, wordt – onverminderd zijn burgerlijke aanstelling – bezoldigd als militair. De inkomsten van de geestelijk verzorger zijn derhalve geregeld in het Inkomstenbesluit militairen.

Voor enkele categorieen burgerpersoneel is het besluit slechts gedeeltelijk van toepassing. De ambtenaar die tijdelijk is ontheven van de uitoefening van zijn ambt in verband met werkzaamheden die voortvloeien uit een functie in een publiekrechtelijk college, ontvangt uitsluitend een non-activiteitswedde.

Voor de ambtenaar die is aangesteld in de functie van tandarts geldt het besluit eveneens slechts gedeeltelijk. Met name de toelagen i.v.m. extra beslaglegging zijn niet op de burgertandarts van toepassing.

Artikel 3

Gelet op de bijzondere taak van de krijgsmacht, kan Onze Minister, in geval van buitengewone omstandigheden, om operationele redenen tijdelijk afwijken van hetgeen bij of krachtens dit besluit is bepaald.

Artikel 4

De uit dit besluit voortkomende uitvoerende bevoegdheden zijn voorbehouden aan Onze Minister, tenzij anders bepaald.

Artikelen 5 en 6

Dit artikel bevat enige algemeen geldende eigenschappen van aanspraken en hun uitbetaling. Voorheen werd het salaris en de overige toelagen die per dag moesten worden vastgesteld, bepaald door het maandbedrag te delen door het werkelijke aantal dagen in de betreffende maand. Hier is de bepaling voor militairen overgenomen waarbij een dag salaris en de overige toelagen per dag worden vastgesteld op eendertigste van het maandbedrag.

Artikel 7

Dit artikel is vrijwel ongewijzigd overgenomen uit artikel 3b van het BBAD. Het vloeit voort uit de maatregelen die zijn genomen als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen met ingang van 1 januari 2001. De debrutering van het pensioen gevend inkomen is opgenomen in dit artikel.

Artikel 8

Dit artikel is, op enige redactionele wijzigingen na, ongewijzigd overgenomen uit artikel 5 van het BBAD. Het salaris vormt voor de ambtenaar de meest belangrijke financiele arbeidsvoorwaarde voor het verrichten van diensten als overheidswerknemer. De ambtenaar wordt gesalarieerd volgens een van de salarisschalen uit bijlage A. De salarisschaal wordt bepaald door de zwaarte van de functie van de ambtenaar, zoals genormeerd in het door Onze minister vastgestelde functiewaarderingssysteem defensie (FUWADEF).

In het vierde lid wordt tot uitdrukking gebracht dat in geval de ambtenaar een andere functie bij wijze van tijdelijke waarneming uitoefent de voordien, dat wil zeggen de voor de aanvang van de tijdelijke waarneming, voor hem geldende salarisschaal van toepassing blijft.

In het vijfde lid is het uitgangspunt opgenomen, dat voor een ambtenaar in beginsel geen lagere salarisschaal kan gelden. Afwijking is slechts mogelijk in een limitatief aantal gevallen, opgesomd in het vijfde en zesde lid.

Indien de salarisschaal 15 of hoger is, geschiedt de toekenning van de salarisschaal bij Koninklijk Besluit. Deze bepaling is overeenkomstig het oude artikel 26, tweede lid, van het BBAD.

Artikel 9

Dit artikel regelt materieel hetgeen in het oude artikel 6 van het BBAD was geregeld. Voor een verdere toelichting op de in deze bepaling vervatte bezwarenprocedure met betrekking tot de functiewaardering is het gestelde in de Regeling bezwarenprocedure functiewaardering BBRA 1984 van toepassing.

Artikel 10

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 7 van het BBAD. Binnen de salarisschaal wordt het salaris toegekend door de commandant. In beginsel wordt het salaris toegekend dat behoort bij salarisnummer nul, of, in geval van jongeren, het bij de leeftijd behorende jeugdsalaris. Het tweede lid biedt de mogelijkheid van het in het eerste lid genoemde beginsel af te wijken door toekenning van een hoger salaris dan met toepassing van het eerste lid kan worden toegekend. Voor het toekennen van een hoger salaris moet naar het oordeel van de commandant aanleiding bestaan. Een dergelijke aanleiding kan bijvoorbeeld bestaan ingeval de aan te stellen ambtenaar reeds elders ervaring heeft opgedaan.

Artikel 11

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 8 van het BBAD. Het salaris van de ambtenaar wordt jaarlijks verhoogd, indien hij naar het oordeel van zijn commandant zijn functie naar behoren vervult. Indien de ambtenaar zijn functie zeer goed of uitstekend vervult, kan de commandant een beslissing nemen tot het toekennen van een extra verhoging van het salaris. Anderzijds kan de commandant besluiten tot het achterwege laten van de jaarlijkse periodiek, indien de ambtenaar naar zijn oordeel niet naar behoren functioneert.

Artikel 12

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 9 van het BBAD. Het salaris van de ambtenaar die een deeltijdaanstelling heeft, wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een voltijdsaanstelling. In dit artikel is tevens de vaststelling van het salaris voor de oproepkracht geregeld.

Artikel 13 t/m 15

Deze artikelen zijn, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 9a van het BBAD en de oude artikelen 1 tot en met 7 en 9 van de Salarisregeling burgertandartsen defensie.

Artikel 16

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 14 van het BBAD. In dit artikel wordt aanspraak gegeven op een toelage indien en voor zover het salaris minder zou bedragen dan het minimumloon, zoals dat krachtens de wet is vastgesteld voor werknemers in het bedrijfsleven.

Artikel 17

De tekst van dit artikel is samengesteld uit bepalingen van het oude artikel 13 van het BBAD en de Regeling waarnemingstoelagen burgerlijke ambtenaren defensie. In geval de ambtenaar een functie waarneemt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt, gelet op artikel 8, vierde lid, geen hogere salarisschaal toegepast. De ambtenaar wordt in dit geval een waarnemingstoelage toegekend. Deze toelage is beperkt tot de gevallen, waarin de functie die wordt waargenomen is gewaardeerd met een hogere salarisschaal dan de eigen functie. Daarnaast moet de waarneming tenminste dertig dagen duren. In dat geval wordt de toelage wel berekend vanaf de eerste dag dat de waarneming is begonnen. De hoogte van de toelage bij volledige waarneming is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de vervanger in de hogere salarisschaal zou verkrijgen en het door hem genoten salaris. Bij onvolledige waarneming is de hoogte van de toelage op de helft vastgesteld. De vaststelling van de toelage op driekwart is vervallen daar deze niet werd gebruikt en derhalve niet langer benodigd is.

Artikel 18

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 19 van het BBAD. Deze maandelijkse toelage is bedoeld voor de ambtenaar wiens positie op de arbeidsmarkt gekenmerkt wordt door structurele schaarste.

Artikel 19

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 8 van de Salarisregeling burgertandartsen defensie.

Artikel 20

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 15 van het BBAD. De ambtenaar die regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht in onregelmatige diensten, heeft aanspraak op een toelage onregelmatige dienst.

Artikel 21

De tekst van dit artikel is samengesteld uit bepalingen van het oude artikel 17 van het BBAD en de Regeling aflopende toelage artikel 17 BBAD. De ambtenaar die blijvend aanzienlijk in inkomsten achteruit gaat door het buiten zijn toedoen wegvallen of verminderen van de toelage onregelmatige dienst, heeft aanspraak op een overgangsregeling, die beoogt de vermindering van inkomsten te mitigeren.

Artikel 22

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 16 van het BBAD. Aan de ambtenaar die krachtens een rooster, anders dan bij wijze van overwerk regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen van maandag tot en met vrijdag tussen 08.00 uur en 18.00 uur wordt voor het in opdracht verrichten van arbeid op uren die afwijken van het vastgestelde rooster een toelage toegekend

Artikel 23

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 18 van het BBAD. De ambtenaar wordt een consignatietoelage toegekend in geval van extra gebondenheid aan de dienst. In beginsel gaat het hierbij om periodieke passieve tijd- en plaatsgebondenheid buiten de vastgestelde werktijden, welke voortvloeit uit de aard van de dienstbetrekking en daarvan een wezenlijk onderdeel vormt.

Artikel 24

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan de Regeling vergoeding brandweerdiensten defensie. De toelage en vergoeding maken deel uit van de bezoldiging, hetgeen de reden is om deze regeling nu op te nemen in dit besluit.

Artikelen 25 tot en met 31

Dit hoofdstuk is, met uitzondering van enige redactionele wijzigingen, ongewijzigd overgenomen uit hoofdstuk 6 van het BARD. Voor een toelichting wordt met name verwezen naar de laatste ingrijpende wijziging (Stb. 2002, 453).

Artikelen 32 en 33

Artikel 32 is geredigeerd tot opzichte van de tekst van het oude artikel 21 van het BARD. Artikel 33 is, met redactionele wijzigingen, een samenvoeging van het oude artikel 41 van het BARD en de de Regeling taakduur lidmaatschap publiekrechtelijke colleges burgerambtenaren defensie. Ten aanzien van de ambtenaar die is benoemd of verkozen in een functie in een publiekrechtelijk college geldt het volgende. Indien de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement van toepassing is, volgt zijn rechtspositie rechtstreeks uit die wet.

Indien de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement niet van toepassing is, zijn er vervolgens twee modaliteiten. In de eerste plaats kan de ambtenaar, ingevolge artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet, tijdelijk worden ontheven van de waarneming van zijn ambt. Artikel 32 kent deze ambtenaar een non-activiteitswedde toe, indien de laatstelijk door hem genoten bezoldiging groter was dan het bedrag van de inkomsten die de ambtenaar in verband met zijn werkzaamheden in het publiekrechtelijk college geniet.

In de tweede plaats kan de ambtenaar, ingevolge artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet, verlof worden verleend. Artikel 33 regelt, dat de bezoldiging van de ambtenaar wordt verminderd in evenredigheid met het aantal uren dat de ambtenaar verlof is verleend, althans indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit hoofde van de publieke functie. Aan de vermindering van de bezoldiging is echter een maximum verbonden, dat overeenkomt met de vaste vergoeding die de ambtenaar in de bedoelde functie zou ontvangen voor de uren die overeenkomen met een nader vast te stellen taakduur.

Artikel 34 en 35

Deze artikelen zijn, met enkele redactionele wijzigingen, gelijk aan de artikelen 20 en 19 van het BARD.

Artikel 36

Dit artikel is, met enkele redactionele wijzigingen, gelijk aan artikel 10a van het BARD.

De mogelijkheid om gedurende de eerste zes weken van een schorsing op de inkomsten te kunnen korten, is vervangen door een bepaling dat de aanspraak op inkomsten in die periode wordt teruggebracht tot tweederde gedeelte van de inkomsten, tenzij het bevoegde gezag anders bepaalt. Tevens is er geregeld dat de ingevolge artikel 109, tweede lid, onder a, van het BARD ingehouden inkomsten alsnog worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Wordt een andere straf door de rechter opgelegd (bijvoorbeeld een geldboete), dan kan het bevoegde gezag bepalen de ingehouden inkomsten alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar uit te betalen. Verder is hier geregeld dat de ingevolge artikel 109, tweede lid, onder b, van het BARDingehouden inkomsten alsnog worden uitbetaald, indien op de schorsing geen onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf volgt.

Artikel 37

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan de Regeling vermindering bezoldiging bij nevenwerk tijdens diensttijd, waarbij de definitie van nevenwerkzaamheden is ontleend aan de Regeling nevenwerkzaamheden Defensie. Indien buitengewoon verlof wordt verleend voor het tijdens diensturen verrichten van nevenwerkzaamheden, wordt, als hoofdregel, geen bezoldiging doorbetaald over de uren waarop geen dienst wordt verricht. Op de hoofdregel zijn twee uitzonderingen: indien

de nevenwerkzaamheden, naar het oordeel van de commandant, in het algemeen belang zijn en indien de verlofuren minder dan 10% bedragen van de arbeidsduur van de ambtenaar.

Artikel 38, 39 en 40

Deze artikelen zijn, met uitzondering van enige redactionele wijzigingen, ongewijzigd overgenomen uit de artikelen 46a, 46b en 47 van het BARD. Voor een toelichting wordt met name verwezen naar de laatste ingrijpende wijziging: het Besluit van 22 juli 2002, Stb. 453.

Artikel 41

Dit artikel is samengevoegd uit de artikelen 22 tot en met 26 en 28 van het BARDen de Regeling begrip militaire beloning. Hierbij is de tekst ingrijpend gewijzigd, hetgeen samenhangt met, enerzijds, het schrappen van verouderde bepalingen en, anderzijds, met vernieuwing. Het schrappen van verouderde bepalingen houdt verband met het opschorten van de opkomstplicht voor dienstplichtigen. Daardoor is een aantal bepalingen uit het BARD niet meer actueel, zoals bezoldiging tijdens eerste oefening (BARD artikel 24) of tijdens herhalingsoefeningen (BARD artikel 25) of anderszins tijdens militaire dienst ingevolge wettelijke verplichting (BARD artikel 23).

De vernieuwing bestaat uit het formuleren van een heldere hoofdregel voor samenloop van bezoldiging als ambtenaar en als militair. De ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is, heeft in beginsel geen aanspraak op bezoldiging als ambtenaar. Daarmee wordt een dubbele bezoldiging voorkomen. Van de hoofdregel is uitgezonderd de ambtenaar die de militaire dienst in zijn vrije tijd vervult, tijdens door hem opgenomen vakantieverlof of buiten de voor hem geldende werktijd.

Daarnaast geldt voor enkele speciale tewerkstellingen, genoemd in het tweede lid van het artikel, de uitzondering dat de ambtenaar aanspraak op zijn bezoldiging behoudt, voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire inkomsten. Hetgeen verstaan moet worden onder bezoldiging en onder militaire inkomsten, wordt uitgewerkt in het derde en vierde lid. De opsomming van militaire inkomsten is gemoderniseerd ten opzichte van de verouderde Regeling begrip militaire inkomsten.

Artikel 42

De samenloopbepalingen met militaire inkomsten is thans geregeld in artikel 41, waardoor enkele overbodig geworden bepalingen in de artikelen 27 en 29 van het BARDzijn vervallen. Voor het overige deel is dit artikel, met enige redactionele wijzigingen, afkomstig uit de desbetreffende artikelen van het BARD.

Artikel 43

Deze artikelen zijn, met enkele redactionele wijzigingen, gelijk aan de artikelen 22 en 23 van het BBAD.

Artikel 44

Dit artikel is, met enkele redactionele wijzigingen, gelijk aan het artikel 21a van het BBAD.

De eindejaarsuitkering en de vakantie-uitkering hebben van elkaar afwijkende berekeningsgrondslagen: de eindejaarsuitkering wordt berekend als een percentage van het salaris, terwijl de vakantie-uitkering wordt berekend als een percentage van de bezoldiging. De eindejaarsuitkering wordt eveneens toegekend aan enkele andere categorieen van defensiepersoneel, die de salarisontwikkeling van het defensiepersoneel volgen.

Artikel 45 en 46

Deze artikelen zijn, met enkele redactionele wijzigingen, gelijk aan de artikelen 11 en 12a van het BBAD.

Artikel 47

De tekst van dit artikel is samengesteld uit bepalingen van het oude artikel 24 van het BBADen de Beleidsregel toekenning bindingspremies aan burgerlijke ambtenaren defensie. Het begrip «Werving- en behoudpremie» is daarbij vervangen door het eveneens voor militairen gebezigde begrip «bindingspremie», dat materieel hetzelfde is. In de genoemde beleidsregel was het motief voor het toekennen van een bindingspremie verder uitgewerkt, namelijk voor de ambtenaar waarvan, mede op basis van het functioneren, het behoud van de betrokkene voor de organisatie van groot belang wordt geacht. Deze formulering is thans overgenomen. Verder is onder meer de maximale hoogte van de premie overgenomen uit de beleidsregel: elk jaar maximaal 20% van het in het betreffende jaar genoten salaris.

Artikel 48

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 20a van het BBAD. Het artikel heeft tot doel de cumulatie van een aantal toelagen en premies te beperken tot een percentage van het jaarsalaris.

Artikel 49

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 25 van het BBAD.

Artikel 50

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, overgenomen van de Regeling oefentoelage burgerpersoneel defensie.

Artikel 51

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, gelijk aan het oude artikel 29a van het BBAD.

Artikel 52

Een aantal aanspraken wordt bij ministeriėle  regeling nader geregeld. Het betreft in de eerste plaats aanspraken wegens het verrichten van werkzaamheden waaraan bijzondere risico’s of inconvenienten zijn verbonden of aanspraken wegens het vervullen van een door Onze Minister aangewezen functie of het bezitten van een door Onze Minister aangewezen bekwaamheid. Dit zijn aanspraken die in de regel slechts bij een beperkt aantal diensteenheden voorkomen. Aangezien deze aanspraken bovendien niet tot de bezoldiging behoren, kan worden volstaan met vaststelling bij ministeriėle  regeling.

In de tweede plaats worden bij ministeriėle  regeling de diensttijdgratificatie en de buitenlandvoorzieningen geregeld. Voor het vaststellen van de laatstgenoemde wordt tevens mandaat verleend aan de Hoofddirecteur Personeel van het Ministerie van Defensie, aangezien deze toelage bij fluctuaties in de valutakoersen snel moet kunnen worden aangepast.

In de derde plaats kunnen bij ministeriėle  regeling kostenvergoedingen of tegemoetkomingen in de kosten worden verleend. Het betreft hier uitsluitend een vergoeding van of een tegemoetkoming voor kosten die de ambtenaar maakt ten behoeve van zijn dienstverband, waaronder kosten voor de maaltijdvergoeding bij overwerk en de vergoeding voor telefoonkosten, onderwerpen die tot dusver waren geregeld in het Besluit maaltijdvergoeding bij overwerk burgerlijke ambtenaren defensie en het Telefoonkostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Voor dergelijke vergoedingen of tegemoetkomingen geldt, dat de onderwerpen niet van een zodanig zwaarwegend belang zijn dat dit op het niveau van een algemene maatregel van bestuur moet worden geregeld, zodat met een ministeriėle  regeling kan worden volstaan. Voor andere kostenvergoedingen of tegemoetkomingen geldt, dat de hoogte van de vergoeding of tegemoetkoming bijstelling behoeven als gevolg van kostenontwikkelingen elders, zodat ook om deze reden de voorkeur wordt gegeven aan een ministeriėle  regeling.

Met uitzondering van de buitenlandvoorzieningen zullen alle desbetreffende ministeriėle  regelingen worden opgenomen in de IRBAD, die gelijktijdig in werking treedt met dit besluit.

Tenslotte kan Onze Minister, indien de billijkheid dat vordert, naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming toekennen.

Artikel 53 en 54

Deze artikelen zijn, geactualiseerd en met redactionele wijzigingen, overgenomen uit de artikelen 1, 2 en 3 van het Interimbesluit ziektekosten burgerlijke ambtenaren defensie (IZBAD). De zinsnede voor de echtgenote: «die behoort tot het huishouden van de ambtenaar en aan dit besluit niet zelfstandig aanspraken ontleent en van wie de inkomsten lager zijn dan die van de ambtenaar» heeft een andere plaats gekregen ten opzichte van het oude artikel uit het IZBAD. Hetzelfde geldt voor de zinsnede voor de kinderen: «indien de ambtenaar voor hen de premie voor de ziektekostenverzekering betaalt». Deze zinsneden zijn opgenomen in artikel 54. Daarnaast was in de genoemde artikelen van het IZBAD nog een verwijzing opgenomen naar artikel 26 van de Algemene Kinderbijslagwet. Dat artikel is inmiddels ingetrokken en derhalve verwijderd. De begripsbepalingen voor het kind jonger dan 16 jaar en het kind in de leeftijd van 16 tot 27 jaar kon daardoor worden vereenvoudigd. Al deze wijzigingen leiden niet tot een wijziging in de bestaande aanspraken.

In artikel 54 is de aanspraak op de tegemoetkoming ziektekostenverzekering opgenomen. De tegemoetkoming is opgebouwd uit een tegemoetkoming voor de ambtenaar zelf en tegemoetkomingen voor de diverse gezinsleden. Op enige redactionele wijzigingen na, is dit artikel overeenkomstig het artikel 3 van het IZBAD.

Artikel 55

Dit artikel is, op enige redactionele wijzigingen na, ongewijzigd overgenomen uit lid 1, 2 en 4 van artikel 7 van het IZBAD. Dit artikel regelt de aanspraak op een tegemoetkoming voor de ambtenaar met een deeltijdaanstelling. Het derde lid van het voormalige IZBADis opgenomen in artikel 56.

Artikel 56

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, samengesteld uit artikel 4 en artikel 7, derde lid, van het Interimbesluit ziektekosten burgerlijke ambtenaren defensie. De ambtenaar die al elders aanspraken heeft op geneeskundige verzorging of op tegemoetkomingen in de kosten daarvan, heeft geen aanspraak op een tegemoetkoming op grond van dit besluit. Voor gezinsleden van de ambtenaar gelden vergelijkbare bepalingen. Door dit artikel worden dubbele aanspraken voorkomen.

Artikel 57

Dit artikel is, geactualiseerd en met redactionele wijzigingen, overgenomen uit de artikelen 5 en 12 van het IZBAD. Voor de ambtenaar en voor ieder gezinslid voor wie aanspraak bestaat, wordt een maandelijkse tegemoetkoming vastgesteld. Het bedrag van de tegemoetkoming is een netto aanspraak. Indien en voor zover er over de tegemoetkoming loonheffing en sociale verzekeringspremies verschuldigd zijn, komen die voor rekening van Defensie.

Artikel 58

Dit artikel is, met redactionele wijzigingen, samengesteld uit de artikelen 8, 9 en 10 van het IZBADen bevat bepalingen inzake de uitbetaling van de tegemoetkoming.

Artikel 59, 60 en 61

Hoofdstuk 8 bevat bepalingen voor bedragen of inhoudingen die de ambtenaar in voorkomend geval aan Defensie is verschuldigd wegens genot van een woning of verstrekte kost en inwoning. De artikelen zijn, met redactionele wijzigingen, overgenomen uit het Besluit betaling emolumenten burgerlijke ambtenaren defensie. De hoogte van de verschuldigde bedragen worden via ministeriėle  regeling vastgesteld en zijn opgenomen in de IRBAD, die gelijktijdig in werking treedt met dit besluit. De inhouding wegens het prive-gebruik van een dienstauto zijn vervallen omdat prive gebruik van dienstauto’s niet is toegestaan.

Artikel 62

De mogelijkheid tot financiele kostenvergoedingen uit billijkheidsoverwegingen is overgenomen uit artikel 88 van het BARD.

Artikel 63 t/m 74

[Bevat de toelichting op de wijzigingen]

Artikel 75

De onderscheidenlijke besluiten zijn verwerkt in het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.

Artikel 76

Door een wijziging van de organisatie in de topstructuur van het Ministerie van Defensie is de Directeur-Generaal Personeel en Materieel vervangen door de Hoofddirecteur Personeel met ingang van 1 augustus 2004.

Artikel 77

De aanhaling van het besluit kan worden afgekort tot IBBAD.