| Vastst./Wijz datum | Bron | Nummer | Wijz. t.a.v. | Inwerkingtr. datum |
| 30-05-88 | DAVB | PB/88/1599/1844 | 01-06-88 | |
| 24-03-94 | DAVB | PAV2003/94008887 | (nw) artikel 7a | 01-04-94 |
| 06-04-05 | HDP | P/2005003699 | Artikel 1 | 01-01-05 |
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a. burgerambtenaren:
de op de voordracht van of de door of vanwege de Minister van Defensie
aangestelde of op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij het Ministerie
van Defensie in dienst genomen personen;
b. bevoegd gezag:
1°. de secretaris-generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf;
2°. de bevelhebber van het krijgsmachtdeel of de commandant van het wapen der
Koninklijke Marechaussee, voor zover het betreft het desbetreffende
krijgsmachtdeel of wapen;
3°. de directeur Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de
Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht bij
de Bestuursstaf;
4°. de commandant Commando DienstenCentra, voor zover het betreft het Commando
DienstenCentra.
1. Het bevoegd gezag wijst burgerambtenaren aan die in bijzondere omstandigheden werkzaamheden verrichten die als een rechtstreekse deelname aan de vijandelijkheden zijn te beschouwen.
2. Of sprake is van rechtstreekse deelname aan de vijandelijkheden dient te worden beoordeeld aan de hand van de navolgende criteria
3. De aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt bij beschikking, waarvan afschrift wordt gezonden aan de betrokken burgerambtenaren, onder mededeling dat zij onder de in het eerste lid genoemde omstandigheden de status van lid van de krijgsmacht zullen genieten.
De op grond van arbeidsovereenkomst of aanstelling voor de burgerambtenaren geldende rechten en verplichtingen blijven ongewijzigd van kracht.
Uit de enkele aanwijzing op grond van artikel 2, eerste lid, vloeit niet de verplichting tot het dragen of de bediening van wapens voort.
De betrokken burgerambtenaren worden door of vanwege het bevoegd gezag onderwezen in de bijzondere rechten en verplichtingen, voortvloeiende uit de status van lid van de krijgsmacht.
1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor de verstrekking van het legitimatiebewijs waaruit het lidmaatschap van de krijgsmacht van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde burgerambtenaren blijkt.
2. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde burgerambtenaren zijn verplicht om het in het vorige lid bedoelde legitimatiebewijs in buitengewone omstandigheden bij zich te dragen.
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de in artikel 2, eerste lid, bedoelde burgerambtenaren in buitengewone omstandigheden als lid van de krijgsmacht herkenbaar zijn.
2. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde burgerambtenaren zijn verplicht om zich, op daartoe door of vanwege het bevoegd gezag gegeven opdracht, in buitengewone omstandigheden te gedragen naar hetgeen door of vanwege het bevoegd gezag is of wordt gesteld ten aanzien van het gestelde in het eerste lid.
Met ingang van 1 april 1994 berust deze regeling op de artikelen 70 en 78 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
Deze regeling kan worden aangehaald als "Regeling inzake het lidmaatschap van de krijgsmacht van burgerambtenaren".
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1988.