De ambtenaar vervult de uit zijn functie voortvloeiende plichten nauwgezet en ijverig en gedraagt zich zoals een goed ambtenaar betaamt.
De ambtenaar voldoet aan hetgeen voor hem inzake het afleggen van een eed of een belofte is bepaald.
1. De ambtenaar meldt aan Onze Minister, op een door Onze Minister te bepalen wijze, de nevenwerkzaamheden die de ambtenaar verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.
2. Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
3. De ambtenaar verricht geen nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
4. Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het derde lid.
1. Onze Minister wijst de ambtenaren aan die werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiele belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen ambtenaar meldt financiele belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.
2. Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
3. De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking tot de financiele belangen of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de door Onze Minister aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.
4. Het is de ambtenaar verboden financiele belangen te hebben, effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5. Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
1. De ambtenaar neemt geen deel, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij daarvoor toestemming is verleend.
2. De ambtenaar gedraagt zich naar hetgeen voor de ambtenaar is bepaald ten aanzien van het deelnemen, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.
Aan de ambtenaren of aan bepaalde groepen van ambtenaren van een bepaalde dienst kan door onze Minister worden verboden commissaris, bestuurder of vennoot te zijn van alle of nader te omschrijven vennootschappen, stichtingen of verenigingen die geregeld in aanraking komen of krachtens haar opzet kunnen komen met de betrokken dienst.
1. Vergoedingen, beloningen, giften of beloften worden door de ambtenaar in zijn ambt niet van derden gevorderd of verzocht of, anders dan met goedvinden van Onze Minister, aangenomen.
2. De ambtenaar neemt geen steekpenningen aan.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. organisatie:
een ministerie met inbegrip van de daaronder ressorterende diensten en
instellingen, de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Raad van State,
de Algemene Rekenkamer, het bureau van de Nationale ombudsman, de Hoge Raad van
Adel, de Kanselarij der Nederlandse Orden, het Kabinet der Koningin, de
commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, een
regionaal politiekorps, het Korps landelijke politiediensten, het Landelijk
selectie- en opleidingsinstituut politie, een voorziening tot samenwerking
waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon is ingesteld als bedoeld in artikel
47a van de Politiewet 1993, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad
van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de Raad voor de
rechtspraak en de daaronder ressorterende diensten, alsmede de diensten die door
een gerechtelijk college of de Raad voor de rechtspraak gezamenlijk of in
samenwerking met een ander orgaan van de rijksoverheid in stand worden gehouden;
b. bevoegd gezag:
het tot aanstellen bevoegde gezag, bedoeld in artikel 8, met dien verstande dat
daaronder mede wordt begrepen degene aan wie de bevoegdheid tot aanstellen is
gemandateerd en dat in de gevallen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, Onze
Minster optreedt als bevoegd gezag in de zin van deze paragraaf;
c. vermoeden van een misstand:
een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden van:
1° een schending van wettelijke voorschriften of beleidsregels;
2° een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu;
3° een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten, die een gevaar vormt voor
het goed functioneren van de openbare dienst;
bij het Ministerie van Defensie, of bij een andere organisatie indien de
ambtenaar uit hoofde van zijn ambtenaarschap met die organisatie in aanraking is
gekomen en kennis heeft gekregen van de misstand;
d. melder:
de ambtenaar die een vermoeden van een misstand meldt overeenkomstig dit
besluit;
e. melding:
de melding van een vermoeden van een misstand door een melder;
f. commissie:
de Commissie integriteit overheid als bedoeld in het Besluit melden vermoeden
van misstand bij Rijk en Politie;
g. vertrouwenspersoon:
de vertrouwenspersoon, bedoeld in artikel 70i.
1. Ten aanzien van een melder wordt als gevolg van het te goeder trouw melden van een vermoeden van een misstand geen besluit met nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie genomen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een melder niet op andere wijze bij de uitoefening van zijn functie nadelige gevolgen ondervindt ten gevolge van die melding.
2. Ten aanzien van een vertrouwenspersoon of een gewezen vertrouwenspersoon, wordt vanwege de uitoefening van zijn taken op basis van dit besluit geen besluit met nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie genomen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat hij niet op andere wijze bij de uitoefening van zijn functie nadelige gevolgen ondervindt in de uitoefening van zijn taken.
3. Onder een besluit met nadelige gevolgen voor de rechtspositie wordt in ieder geval verstaan een besluit dat strekt tot:
1. Onze Minister wijst een of meer vertrouwenspersonen aan.
2. De vertrouwenspersoon heeft tot taak:
3. Als vertrouwenspersoon wordt niet een ambtenaar belast met een feitelijke opsporingsfunctie aangewezen.
1. Een ambtenaar doet een melding bij zijn leidinggevende, bij een vertrouwenspersoon, of, indien daartoe aanleiding bestaat, rechtstreeks bij de commissie.
2. Een ambtenaar doet een melding over een organisatie anders dan het Ministerie van Defensie, bij een leidinggevende of bij een vertrouwenspersoon van die organisatie of indien daartoe aanleiding bestaat, rechtstreeks bij de commissie.
3. Een melding laat wettelijke verplichtingen tot het doen van aangifte van strafbare feiten onverlet.
Indien een melder niet meer werkzaam is bij de organisatie waarop de melding betrekking heeft, doet hij de melding binnen twee jaar na zijn vertrek.
De vertrouwenspersoon maakt de identiteit van de melder niet bekend zonder instemming van de melder.
Diegenen die betrokken zijn bij de behandeling van een melding gaan op behoorlijke en zorgvuldige wijze met de identiteit van de melder om.
Degene bij wie een melding is gedaan stelt de Secretaris-Generaal onverwijld schriftelijk in kennis van de melding en de datum waarop deze is ontvangen.
1. De Secretaris-Generaal:
2. Indien de Secretaris-Generaal de ontvangst van de melding aan de vertrouwenspersoon heeft gemeld, stuurt deze de ontvangstbevestiging door aan de melder.
1. Het bevoegd gezag stelt een onderzoek in naar het vermoeden van een misstand.
2. Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoede misstand.
3. Het onderzoek en de verdere behandeling van de melding kan in ieder geval achterwege worden gelaten als:
4. Het bevoegd gezag meldt het achterwege laten van een onderzoek en van de verdere behandeling van de melding zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de melder of de vertrouwenspersoon, alsmede aan de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een ander onderzoeksbelang kan worden geschaad. De vertrouwenspersoon stuurt de kennisgeving door aan de melder.
5. Bij de kennisgeving, bedoeld in het vierde lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de commissie.
1. Het bevoegd gezag stelt de melder of de vertrouwenspersoon binnen twaalf weken na de melding schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.
2. Als niet binnen twaalf weken toepassing kan worden gegeven aan het eerste lid, wordt de melder of de vertrouwenspersoon voordat deze termijn verlopen is daarvan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Daarbij wordt de termijn aangegeven waarbinnen de melder of de betrokken vertrouwenspersoon een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid ontvangt.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.
4. Indien het bevoegd gezag de kennisgeving, bedoeld in het eerste of tweede lid, zendt aan de vertrouwenspersoon, stuurt deze de kennisgeving door aan de melder.
5. Bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de commissie.
1. Behoudens de rechtstreekse melding bij de commissie, bedoeld in artikel 70j, eerste en tweede lid, kan een melder een vermoeden van een misstand melden bij de commissie, indien hij:
2. De melding bevat ten minste:
3. De melder verschaft voorts de gegevens die voor het advies van de commissie nodig zijn en waarover de melder redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
De commissie maakt de identiteit van de melder niet bekend zonder instemming van de melder.
De commissie bevestigt de ontvangst van een melding aan de melder en stelt het bevoegd gezag op de hoogte van de melding. De commissie informeert voorts de persoon of de personen op wie de vermoede misstand betrekking heeft, dat een melding is gedaan, tenzij dit een onderzoeksbelang kan schaden.
1. De commissie stelt een onderzoek in.
2. Het onderzoek en de verdere behandeling van de melding kan achterwege worden gelaten indien:
3. Het achterwege laten van een onderzoek en de verdere behandeling van de melding wordt onder vermelding van redenen zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld aan de melder, het bevoegd gezag, alsmede aan de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daar-door een ander onderzoeksbelang kan worden geschaad.
4. Ten behoeve van het onderzoek kan de commissie bij het bevoegd gezag alle inlichtingen inwinnen die zij voor de vorming van haar advies nodig acht. Het bevoegd gezag verschaft aan de commissie de gevraagde inlichtingen.
5. Wanneer de inhoud van bepaalde door het bevoegd gezag verstrekte inlichtingen vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter kennisneming van de commissie dient te blijven, wordt dit aan de commissie medegedeeld. De commissie draagt er zorg voor in dergelijke gevallen vertrouwelijk met deze informatie om te gaan en deze waar nodig te beveiligen tegen kennisneming door onbevoegden.
6. De kosten van het onderzoek komen voor rekening van de organisatie waarop de melding betrekking heeft.
1. De commissie legt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twaalf weken na ontvangst van de melding, haar bevindingen omtrent de melding neer in een advies, gericht aan het bevoegd gezag.
2. Als niet binnen twaalf weken kan worden geadviseerd, kan de commissie het uitbrengen van een advies verdagen. Het bevoegd gezag en de melder worden daarover tijdig schriftelijk en met vermelding van redenen geďnformeerd. Daarbij wordt de termijn aangegeven waarbinnen zij het advies ontvangen.
3. De commissie zendt aan de melder een afschrift van het advies.
1. Na ontvangst van het advies, bedoeld in artikel 70v, stelt het bevoegd gezag de melder, de commissie en, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad, de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twaalf weken schriftelijk in kennis van zijn standpunt dienaangaande en de eventuele consequenties die het daaraan verbindt.
2. Als het standpunt en de consequenties afwijken van het advies, vermeldt het bevoegd gezag de reden voor de afwijking.
3. Als de commissie de identiteit van de melder niet bekend heeft gemaakt, stuurt de commissie de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, door aan de melder.
4. Nadat de commissie het standpunt van het bevoegd gezag heeft ontvangen maakt deze haar advies in geanonimiseerde vorm openbaar. Indien de commissie het standpunt na twaalf weken na verzending van het advies aan het bevoegd gezag nog niet heeft ontvangen, maakt de commissie haar advies openbaar. Indien zwaarwegende redenen hieraan in de weg staan blijft openbaarmaking van het advies achterwege.
5. Het bevoegd gezag maakt zijn standpunt in geanonimiseerde vorm openbaar tenzij zwaarwegende redenen hieraan in de weg staan.
1. De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon die bezwaar maakt, beroep of hoger beroep instelt of een verzoek om voorlopige voorziening bij de bestuursrechter doet, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van die procedures, op voorwaarde dat:
2. De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon die op grond van artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze naar voren brengt met betrekking tot een voorgenomen besluit, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten op voorwaarde dat:
3. De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwens-persoon richt een verzoek om een tegemoetkoming aan het bevoegd gezag.
1. Aanspraak op een tegemoetkoming bestaat alleen voor zover:
2. Het bevoegd gezag kan het verzoek in ieder geval afwijzen indien het onderzoek en de verdere behandeling van de melding op grond van artikel 70p, derde lid, en 70u, tweede lid, achterwege zijn gelaten.
1. De tegemoetkoming voor iedere afzonderlijke procedure, genoemd in artikel 70x, eerste en tweede lid, is gelijk aan tweemaal het bedrag, genoemd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
2. Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
1. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken op het verzoek.
2. Het bevoegd gezag kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Degene aan wie een tegemoetkoming is toegekend, kan worden verplicht tot terugbetaling, indien hij de procedure waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, staakt voordat op het bezwaar is beslist of uitspraak is gedaan. Deze verplichting geldt niet, indien het staken van de procedure direct voortvloeit uit de intrekking door het bevoegd gezag van het besluit, waartegen de procedure is gericht.
1. Als een besluit of een voorgenomen besluit waarvoor op grond van artikel 70x, eerste of tweede lid, aanspraak bestaat op een tegemoetkoming in de kosten van de procedures, in de bezwaarprocedure of zienswijzeprocedure wordt herroepen wegens een aan het bevoegd gezag te wijten onrechtmatigheid of het bestreden besluit als gevolg van een uitspraak van de rechter die onherroepelijk is geworden wordt vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen niet in stand worden gelaten, vergoedt het bevoegd gezag voor iedere afzonderlijke procedure aan de melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon alle daadwerkelijk en in redelijkheid door hem gemaakte kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met dien verstande dat:
2. De in het eerste lid genoemde bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumenten-prijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar.