1. De ambtenaar is gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.
2. Het is de ambtenaar verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven.
3. Het is de ambtenaar verboden bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekenen te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door Onze Minister-President, vergunning is verleend.
De ambtenaar is verplicht te voldoen aan hetgeen voor hem inzake het afleggen van een eed of een belofte is bepaald.
Ter zake van niet-naleving van bepalingen, welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.
1. In strijd met een regeling, door het bevoegd gezag getroffen, worden de ambtenaar geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.
2. Het gezag, dat een algemene regeling vaststelde, is niet bevoegd voor een bepaald geval ten nadele van de ambtenaar daarvan af te wijken, tenzij de regeling afwijking voorbehoudt.
De ambtenaar die door ziekte of anderszins verhinderd is zijn dienst te verrichten, is verplicht, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, daarvan mededeling te doen.
1. De ambtenaar kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen of waartoe zijn standplaats behoort, indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie.
2. De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.
1. De ambtenaar is verplicht indien hem een ambts- of dienstwoning ter bewoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de regels, die daaromtrent zijn gesteld. (10)
2. Hij draagt de onderhoudskosten, welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij door het bevoegd gezag ter zake een afwijkende regeling is vastgesteld.
1. De ambtenaar kan op zijn aanvraag een andere betrekking worden opgedragen.
2. Wanneer het belang van de dienst zulks vordert, is de ambtenaar verplicht, al dan niet in zijn dienstvak en al of niet op dezelfde standplaats, een andere betrekking te aanvaarden die hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen.
1. De ambtenaar kan worden verplicht tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. Hij kan echter niet worden verplicht werkzaamheden te verrichten in de plaats van stakers of uitgeslotenen in particuliere dienst, tenzij de opgedragen werkzaamheden worden verricht in dienst van het lichaam, waarbij hij werkzaam is, en voor de openbare dienst tijdens de staking of uitsluiting, dan wel als onmiddellijk gevolg daarvan redelijkerwijze dadelijk noodzakelijk zijn te achten.
2. Voorts kan aan de ambtenaar door Onze Minister de verplichting worden opgelegd in geval van buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken tot uitvoering van de taak van het ministerie of van de dienst of instelling, waarbij hij werkzaam is, in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren. (11)
3. De ambtenaar aan wie de in het tweede lid bedoelde verplichting is opgelegd, is tevens te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen, die verband houden met de in dat lid bedoelde werkzaamheden.
4. Bij de toepassing van het bepaalde in dit artikel wordt voor zoveel mogelijk rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar.
1. De ambtenaar die nevenwerkzaamheden verricht of dit voornemens is, is verplicht dit aan het bevoegd gezag te melden indien die nevenwerkzaamheden de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.
2. Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor naar het oordeel van het bevoegd gezag de goede vervulling van de functie of het goede functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
3. Het bevoegd gezag voert een registratie op basis van de ingevolge het eerste lid gedane opgaven.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het in het tweede lid genoemde verbod en de in het derde lid bedoelde registratie.
1. Het is de ambtenaar verboden, middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij hem op zijn aanvraag toestemming is verleend.
2. Hij is verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het deelnemen, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.
Aan de ambtenaren of aan bepaalde groepen van ambtenaren van een bepaalde dienst kan door Onze Minister worden verboden commissaris, bestuurder of vennoot te zijn van alle of nader te omschrijven vennootschappen, stichtingen of verenigingen die geregeld in aanraking komen of krachtens haar opzet kunnen komen met de betrokken dienst.
1. De ambtenaar, die een besturende, beherende dan wel toezichthoudende functie vervult in een naamloze vennootschap of ander rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit 's-Rijks kas, een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding in genoemde kas te storten, indien de benoeming in die functie:
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar, die een nevenfunctie vervult, welke verband houdt met het door hem beklede ambt en hem is opgedragen door Onze Minister, en voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit 's-Rijks kas, een vergoeding ontvangt.
3. Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing in de gevallen, waarin dit door Onze Minister-President is bepaald.
1. Het is de ambtenaar in zijn ambt verboden, anders dan met goedvinden van het bevoegd gezag, vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen.
2. Het aannemen van steekpenningen is onvoorwaardelijk en ten strengste verboden.
De ambtenaar is verplicht de dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister voorgeschreven is. (12)
1. Onze Minister kan de ambtenaar verplichten tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade:
2. Wanneer de schade is veroorzaakt door meedere tot het Defensiepersoneel behorende personen gezamenlijk, kan in beginsel ieder afzonderlijk tot vergoeding van de gehele schade worden verplicht.
De ambtenaar die wordt aangesteld om na afloop van een opleiding voor een functie daarin te worden tewerkgesteld, kan overeenkomstig door Onze Minister vastgestelde regels (14), bij die aanstelling worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke (terug)betaling van de kosten van de opleiding ingeval hem overeenkomstig zijn aanvraag of anders dan eervol, ontslag wordt verleend in het opleidingstijdvak dan wel binnen een in evenbedoelde regels aangegeven tijdvak na afloop van de opleiding. Het bepaalde in de vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar in tijdelijke dienst, wiens aanstelling voor een bepaalde tijd overeenkomstig zijn aanvraag niet wordt verlengd of overeenkomstig zijn aanvraag niet wordt gewijzigd in een aanstelling in vaste dienst.
De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten wegens dienstreizen ingevolge het Besluit dienstreizen defensie.
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot het tijdstip waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.
2. Door het bevoegd gezag kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels, financieel worden bijgedragen in de kosten van de ambtenaar voor kinderopvang van een of meerdere kinderen, dat of die blijkens een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens op hetzelfde adres woont dan wel wonen als de ambtenaar en waarvan de ambtenaar duurzaam de verzorging en opvoeding als eigen kind of kinderen op zich heeft genomen.
3. De bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, eindigt met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag wordt verleend.
4. Wanneer sprake is van een ontslag op grond van artikel 116 van dit besluit, eindigt de bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het vierde lid, 6 maanden na de datum waarop dat ontslag is ingegaan of op het moment dat uit andere hoofde aanspraak bestaat op een bijdrage, als bedoeld in het tweede lid. Gedurende deze periode van 6 maanden blijft de situatie van voor het ontslag ongewijzigd gehandhaafd.
1. De ambtenaar, die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen-, lokalen en -terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts kan verlenen na positief advies van de Arbo-dienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel b.
2. De ambtenaar, die verkeert in de in het eerste lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de bedrijfsgeneeskundige dienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de de Arbo-dienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel b gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.
3. Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
1. Aan de wijze van functievervulling van de ambtenaar en aan zijn gedrag in relatie tot zijn functie wordt ten minste een keer per jaar aandacht besteed door middel van het houden van een functioneringsgesprek.
2. Aan het functioneringsgesprek wordt deelgenomen door de ambtenaar en diens functionele chef.
3. Op verzoek van een van de deelnemers aan het functioneringsgesprek en met instemming van beide deelnemers kunnen een of meer andere personen aan het gesprek deelnemen.
4. Het functioneringsgesprek is ten minste gericht op de navolgende onderdelen:
5. De functionele chef legt een samenvatting van de inhoud van het gesprek alsmede de gemaakte afspraken en besproken aandachtspunten in het functioneringsgesprekformulier vast. Het formulier wordt voor een correcte weergave daarvan door de functionele chef en de ambtenaar ondertekend. De functionele chef verstrekt de ambtenaar een afschrift van het functioneringsgesprekformulier. De afspraken en aandachtspunten worden opgelegd in het personeelsdossier van de betrokkene.
6. Onze Minister stelt beleidsregels ten aanzien van het houden van functioneringsgesprekken alsmede het functioneringsgesprekformulier, waarin ten minste de in het vierde lid genoemde onderdelen zijn opgenomen.
1. Indien het bevoegd gezag of de ambtenaar dit wenselijk vindt, wordt een beoordeling opgemaakt. De ambtenaar dient daartoe een aanvraag in bij het bevoegd gezag.
2. Onze Minister kan opdracht geven tot het opmaken van een beoordeling.
3. De ambtenaar wordt beoordeeld omtrent de wijze waarop hij zijn functie heeft vervuld en omtrent zijn gedrag in relatie tot die functie, gedurende het beoordelingstijdvak. De beoordeling is gebaseerd op concrete handelingen, resultaten en gedragingen van de te beoordelen ambtenaar.
4. Bij het opmaken van een beoordeling kan een toekomstverwachting worden opgemaakt.
5. Het beoordelingstijdvak omvat een periode van ten minste zes maanden en ten hoogste twee jaren. Per kalenderjaar kan maximaal één beoordeling worden opgemaakt.
6. De beoordeling wordt opgemaakt door een eerste en in beginsel een tweede beoordelaar. Als eerste beoordelaar treedt op de functionele chef van de ambtenaar. De tweede beoordelaar is het bevoegd gezag dan wel een door het bevoegd gezag aangewezen functionaris. In geval het bevoegd gezag is opgetreden als eerste beoordelaar, treedt in beginsel als tweede beoordelaar op de functionele chef van het bevoegd gezag.
7. Gelet op de vereiste deskundigheid kan bij het uitbrengen van een beoordeling een personeelsbeoordelingsadviseur aan de beoordelaar worden toegevoegd.
8. Na het opmaken van de beoordeling van de ambtenaar:
9. Nadat de beoordeling door de tweede beoordelaar is vastgesteld, wordt aan de ambtenaar een afschrift verstrekt. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing indien er sprake is van één beoordelaar.
10. Onze Minister stelt beleidsregels ten aanzien van het opmaken en vaststellen van beoordelingen alsmede het beoordelingsformulier volgens welke de ambtenaar wordt beoordeeld.
1. Alvorens de ambtenaar met een (vertrouwens)functie wordt belast, wordt te zijnen aanzien een veiligheidsonderzoek ingesteld. Dit geschiedt eveneens, indien de door hem beklede functie als vertrouwensfunctie wordt aangewezen of de door hem beklede vertrouwensfunctie een andere inhoud krijgt waardoor het naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is dat opnieuw een veiligheidsonderzoek wordt ingesteld. Hij wordt door het bevoegd gezag van het instellen van het onderzoek in kennis gesteld.
2. De ambtenaar wordt van tegen hem op grond van de uitslag van het onderzoek gerezen twijfels in kennis gesteld. Hij kan zijn bedenkingen daartegen aan het bevoegd gezag kenbaar maken. Alvorens het bevoegd gezag daarop een beslissing neemt is het gehouden het advies in te winnen van een door Onze Minister ingestelde commissie. Op deze commissie is het bepaalde in hoofdstuk 9 niet van toepassing.
3. Onze Minister stelt omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels vast. Hij geeft daarbij onder meer regels met betrekking tot de werkwijze van de in het vorige lid bedoelde commissie. (17)
1. De ambtenaar die werkzaam is in een vertrouwensfunctie waarin hij toegang heeft tot zeer geheime of geheime gegevens waarvan de kennisneming door niet-gerechtigden zeer ernstige of ernstige schade aan de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat kan veroorzaken, is verplicht van een, anders dan in de uitoefening van zijn functie, voorgenomen reis naar of een verblijf in bij koninklijk besluit aangewezen landen (18), ten minste zes weken voor vertrek mededeling te doen aan een door Onze Minister aan te wijzen functionaris.
2. Een ambtenaar die tijdens het verblijf in een land als bedoeld in het eerste lid betrokken is geweest bij een incident dat van belang kan zijn uit oogpunt van veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat, is verplicht daarvan onmiddellijk bij terugkomst melding te doen aan een daartoe aangewezen functionaris van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
3. Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar, bedoeld in artikel 21 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Verplichting tot zekerheidsstelling wordt de ambtenaar niet opgelegd.
1. De ambtenaar die namens een minister is belast met de in artikel 24, tweede en derde lid, van de Compabiliteitswet 2001 vermelde taken, is verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, wanneer hem ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
2. De ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid onder c, van het Besluit materieelbeheer 1996, is verplicht schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
1. De burgerambtenaar kan, al dan niet op eigen aanvraag, door het bevoegd gezag worden aangewezen voor het volgen van een om- of bijscholingsopleiding teneinde de benodigde kennis en vaardigheden te behouden voor het vervullen van de huidige functie, dan wel te verkrijgen voor de vervulling van toekomstige functies. De ambtenaar wordt tijdig in de gelegenheid gesteld tot het volgen van die opleiding.
2. Het bevoegd gezag kent de ambtenaar een vergoeding toe voor de aan een om- of bijscholingsopleiding verbonden noodzakelijk te zijnen laste komende kosten.
3. De ambtenaar die is aangewezen voor het volgen van een om- of bijscholingsopleiding, kan daarvan door het bevoegd gezag worden ontheven, indien hij niet voldoet aan de bij de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van de ambtenaar om andere redenen noodzakelijk is.
4. Artikel 86 is van overeenkomstige toepassing.
Aan de ambtenaar die dat wenst, kunnen naar bij ministeriële regeling te stellen regels bepaalde studiefaciliteiten worden verleend, indien de ambtenaar naar het oordeel van het bevoegd gezag een studie of opleiding voor eigen rekening volgt of heeft voltooid die mede in het belang van de dienst of in het belang van de bevordering van de externe werkzekerheid is.
Vervallen, zie de artikelen 31s tot en met 31v.
1. Aan de ambtenaar kan door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.
2. Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde, die ten aanzien van het verblijf aldaar zijn vastgesteld.
Het is de ambtenaar verboden gedurende de werktijd alcoholhoudende dranken te gebruiken, bij zich te hebben of in de dienstlokalen te bewaren.
[Vervallen, zie hoofdstuk 3, artikelen 11 en 12 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, MP 33-300, regelingnummer 100]