In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. arbeidsongeschiktheid:
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
artikel 18,
eerste lid, van de WAO;
b. Arbo-dienst:
een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
c. deskundige persoon:
een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;
d. beroepsziekte:
ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de
ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder
deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid
is te wijten;
e. bedrijfsongeval:
ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de
ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder
deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid
is te wijten;
f. gangbare arbeid:
arbeid als bedoeld in
artikel 18, vijfde lid, van de WAO;
g. herplaatsingtoelage:
herplaatsingtoelage als bedoeld in
hoofdstuk 9 van het
pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP;
h. invaliditeitspensioen:
invaliditeitspensioen als bedoeld in
hoofdstuk 8 van het
pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP;
i. medisch advies:
advies van de deskundige persoon of de arbo-dienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in
artikel 18 van de
Arbeidsomstandighedenwet;
j. UWV:
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen genoemd in hoofdstuk 5 van de
Wet-SUWI;
k. passende arbeid:
alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van de ambtenaar is
berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale
aard niet van hem kan worden gevergd;
l. Pensioenreglement:
het Pensioenreglement van de
stichting pensioenfonds ABP;
m. Wet-SUWI:
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
n. WW:
Werkloosheidswet;
o. WAO:
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
p. ZW:
Ziektewet;
q. werknemersverzekering:
WAO, ZW, dan wel WW;
r. zijn arbeid:
hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge
artikel 19 van de
ZW.
1. Onverminderd hetgeen ter zake is bepaald in de Arbeidsomstandighedenwet geniet de ambtenaar bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig deze paragraaf.
2. Het hoofd defensieonderdeel is verantwoordelijk voor de bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar. Bij deze begeleiding neemt het hoofd defensieonderdeel de door of vanwege Onze Minister gestelde regels in acht.
3. Voor de uitvoering van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding laat het hoofd defensieonderdeel zich bijstaan door de deskundige persoon of de arbodienst.
1. Onverminderd de mogelijkheid de arts van de deskundige persoon of de arbodienst rechtstreeks te consulteren ter zake van met zijn arbeidssituatie samenhangende gezondheidsproblemen kan de ambtenaar het hoofd defensieonderdeel verzoeken hem in verband hiermede aan een onderzoek vanwege de bedrijfsgeneeskundige dienst te onderwerpen.
2. De ambtenaar, die in verband met het verrichten van zijn arbeid aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, wordt in overleg met of op aanwijzing van de deskundige persoon of de arbodienst onderworpen aan een periodiek bedrijfsgeneeskundig onderzoek.
3. Het hoofd defensieonderdeel draagt de ambtenaar op zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:
4. Het hoofd defensieonderdeel stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn passende arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld indien hem andere passende werkzaamheden kan worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval de overige bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing zijn.
5. De ambtenaar is gehouden aan een onderzoek als bedoeld in het tweede en derde lid zijn medewerking te verlenen. Hij is tevens gehouden zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken vanwege de deskundige persoon of de arbodienst, welke worden ingesteld ter beantwoording van de vraag:
6. Indien het medisch advies daartoe aanleiding geeft, verzoekt het hoofd defensieonderdeel het UWV de ambtenaar in aanmerking te brengen voor maatregelen of voorzieningen als bedoeld in het vijfde lid onderdeel b.
1. Het medisch advies wordt zo spoedig mogelijk door die dienst aan de ambtenaar en aan het hoofd defensieonderdeel medegedeeld.
2. Indien de ambtenaar binnen drie dagen na ontvangst van de mededeling zijn bedenkingen tegen het advies schriftelijk aan het hoofd defensieonderdeel kenbaar maakt, vindt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, een nieuw onderzoek plaats door een commissie van drie artsen, tenzij het hoofd defensieonderdeel na overleg met de deskundige persoon of de arbodienst reeds aanstonds van mening is dat de bedenkingen van de ambtenaar voldoende gegrond zijn.
3. De kosten van het in het tweede lid genoemde onderzoek komen voor rekening van het Ministerie van Defensie. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de in artikel 87, tweede lid, bedoelde regels.
1. Het hoofd defensieonderdeel is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid als gevolg van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten. Indien vaststaat dat zijn arbeid niet meer kan worden verricht en binnen het gezagsbereik van Onze Minister geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert het hoofd defensieonderdeel naar bij ministeriële regeling te stellen regels, de inschakeling van de ambtenaar in voor hem passende arbeid buiten het gezagsbereik van Onze Minister.
2. Uit hoofde van de verplichting bedoeld in het eerste lid, stelt het hoofd defensieonderdeel in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid van de WAO. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
1. De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte kan door het hoofd defensieonderdeel een andere functie worden opgedragen.
2. de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, is verplicht:
3. Gedurende het tweede jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden betrekking te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid. Deze verplichting geldt eveneens na afloop van het tweede jaar.
4. Dit artikel is op overeenkomstige wijze van toepassing indien aan de ambtenaar de eigen betrekking wordt opgedragen onder andere voorwaarden.
Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is zijn arbeid te verrichten kan worden bepaald, dat hij zijn arbeid slechts mag hervatten, nadat het hoofd defensieonderdeel hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend. Het hoofd defensieonderdeel neemt hieromtrent en omtrent de mate van werkhervatting geen beslissing dan na advies van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Deze toestemming van het hoofd defensieonderdeel is in ieder geval vereist, wanneer de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid.
Vervallen
[Vervallen]
Vervallen
[Vervallen]
Vervallen
1. De gewezen ambtenaar, die voor de beeindiging van zijn betrekking ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en nadien nog ongeschikt is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen, behoudt gedurende een termijn van twaalf maanden aanspraak op zijn volledige bezoldiging. Vervolgens heeft hij aanspraak op 70% van zijn bezoldiging. De vorige volzin geldt slechts voor zover de termijn van achttien kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste ziektedag, nog niet is verstreken en uiterlijk tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt.
2. De gewezen ambtenaar, die binnen een maand na de datum van de beëindiging van zijn betrekking wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen, ontvangt- mits hij gedurende tenminste twee maanden onmiddellijk aan dat tijdstip voorafgaande in dienst is geweest - gedurende zijn ongeschiktheid, doch uiterlijk tot een jaar na de aanvang van deze ongeschiktheid, dan wel - indien dit eerder is - uiterlijk tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, zijn laatstelijk genoten bezoldiging.
3. Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing op de ambtenaar die na de beëindiging van zijn betrekking in verband met de aanvaarding van een betrekking van gelijke omvang aanspraak kan maken op loon of bezoldiging, dan wel op een uitkering krachtens de ZW ter zake van die aanvaarde betrekking.
4. Indien de gewezen ambtenaar binnen een tijdvak van vier weken nadat de volgens het eerste en tweede lid geregelde doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging in verband met zijn herstel is gestaakt, wederom wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen, wordt de nieuw opgetreden ongeschiktheid als een voortzetting van de vorige ongeschiktheid beschouwd en wordt de doorbetaling hervat. Voor het bepalen van het tijdstip, waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen zijn verstreken, worden perioden van ongeschiktheid om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
5. De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na de datum van beëindiging van haar betrekking, ontvangt over een periode aanvangende met de 41ste dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling en eindigende met de 70ste dag na de datum waarop de bevalling plaatsvond haar laatstelijk genoten bezoldiging. Deze periode wordt verlengd tot 16 weken indien deze periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
Indien de bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na de datum van beëindiging van haar betrekking, maar niettemin binnen die termijn plaatsvindt, ontvangt de gewezen ambtenaar haar laatstelijk genoten bezoldiging uitsluitend gedurende 70 dagen na de datum van bevalling.
Indien en voor zolang de ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge de eerste of tweede volzin toekomende uitkeringen nog ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, dan wel binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot het verrichten van haar arbeid, zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing. De in het tweede lid bedoelde termijn van een jaar wordt geacht aan te vangen op de dag na de bevalling.
6. Ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het vijfde lid is de ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar zij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder eerstgenoemde arbeid wordt verstaan gangbare arbeid.
7. Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 52, tweede lid, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering ingevolge artikel 35 van de ZW, dan wel artikel 53 van de WAO en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.
8. Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salariswijziging.
9. Indien de gewezen ambtenaar ter zake van de betrekking waaruit het recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging voortvloeit, recht heeft op een uitkering op grond van een werknemersverzekering, een uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg, dan wel een bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij ingevolge dit artikel recht heeft. Artikel 27 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie is van overeenkomstige toepassing.
10. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan bedoeld in het negende lid, worden op het bedrag waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit artikel recht heeft in mindering gebracht. Bij deze vermindering wordt uitgegaan van de volledige laatstgenotenbezoldiging.
11. Ten aanzien van gevallen als bedoeld in het eerste lid is het tiende lid niet van toepassing indien de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf vóór het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte werden genoten en de omvang van die dienstbetrekking niet is toegenomen.
12. Ten aanzien van gevallen als bedoeld in het tweede en vijfde lid is het tiende lid niet van toepassing indien de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf vóór de datum van beëindiging van de betrekking werden genoten en de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
13. De gewezen ambtenaar die ingevolge dit artikel aanspraak heeft op doorbetaling van bezoldiging, heeft eveneens aanspraak op vakantie-uitkering overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 5 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
14. In de gevallen, bedoeld in dit artikel, zijn de artikelen 56, 57, en artikel 29 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, van overeenkomstige toepassing.
[Vervallen bij Stb 2006, 353]
1. In geval van een door de ambtenaar opgelopen beroepsziekte of een hem overkomen bedrijfsongeval worden de te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel noodzakelijk gemaakte kosten voor geneeskundige behandeling of verzorging aan hem vergoed.
2. Onze Minister kan omtrent het bepaalde in het vorige lid nadere voorschriften geven.
1. Aan de gewezen ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, wordt – indien de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en de ongeschiktheid niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten – door Onze Minister een aanvullende uitkering verleend.
2. De in het eerste lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de gedeeltelijke, dan wel verminderde bezoldiging, bedoeld in artikel 62, negende lid, alsmede de eventuele uitkering op grond van de ZW, dan wel de WAO vermeerderd met de suppletie krachtens de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschiktensector Defensie, aan te vullen tot 90,02% van de bezoldiging welke de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag.
3. De in het eerste lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering op grond van de ZW, dan wel de WAO, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging welke de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: 90,02%
65 tot 80% 73,31%
55 tot 65% 56,59%
45 tot 55% 45,01%
35 tot 45% 34,08%
25 tot 35% 22,50%
15 tot 25% 15,00%.
4. De aanvullende uitkering als bedoeld in het tweede lid eindigt op het moment dat de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden en in ieder geval na ommekomst van de duur van de suppletie dan wel met ingang van de eerste dag van de maand waarin de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt.
De aanvullende uitkering als bedoeld in het derde lid eindigt op het moment dat de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden en in ieder geval met ingang van de eerste dag van de maand waarin de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt.
5. Indien het overlijden van een ambtenaar in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, wordt aan degene die in verband met dit overlijden krachtens het pensioenreglement, bedoeld in artikel 54a, onderdeel h, een nabestaandenpensioen geniet, door Onze Minister een uitkering toegekend ten bedrage van 18 procent van het resultaat van de vermenigvuldiging van:
De uitkering eindigt met ingang van de maand waarin de overleden ambtenaar de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, dan wel, indien de weduwe aan wie bedoeld pensioen werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgend op die van het hertrouwen.
6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar ten aanzien van wie het eerste lid toepassing heeft gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat lid.
7. Artikel 62, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op de bezoldiging, bedoeld in het tweede en derde lid.
Vervallen
[Vervallen]
Met uitzondering van paragraaf 1 en van artikel 64 is het bepaalde in dit hoofdstuk niet van toepassing op de ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het pensioenreglement. In geval van ziekte ontvangt hij tijdens de duur van zijn dienstverband op een hem op grond van de Ziektewet of WAO toegekende uitkering een aanvulling tot zijn bezoldiging. Indien de ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is voor de uitoefening van zijn dienstbetrekking, ontvangt hij gedurende de eerste 18 maanden van die ongeschiktheid 100% en daarna tot aan het einde van zijn betrekking 80% van zijn bezoldiging, nadat daarop de uitkering ingevolge de ZW of de WAO in mindering is gebracht. Op die vermindering zijn de artikelen 27 en 29 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie van overeenkomstige toepassing.