Hoofdstuk 13 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 168 Nadere algemene voorschriften

Voor zoveel voor ambtenaren nadere regels ter uitwerking of aanvulling van de bepalingen van dit besluit worden vereist, worden zodanige regels door Onze Minister vastgesteld.

Artikel 168a Mandaatverlening

Van de bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de hoofdstukken 4, 5 en 7 kan mandaat worden verleend aan de hoofddirecteur personeel van het Ministerie van Defensie.

Artikel 169

1. De ambtenaar in de zin van artikel 1 die is aangesteld op grond van artikel 7, eerste respectievelijk tweede lid van het Algemeen rijksambtenarenreglement wordt geacht met ingang van de datum van inwerkingtreden van dit besluit te zijn aangesteld op grond van artikel 8, eerste respectievelijk tweede lid van dit besluit.

2. De ambtenaar die bij koninklijk besluit in algemene dienst van het Rijk is aangesteld op grond van artikel 7, vierde lid van het Algemeen rijksambtenarenreglement en werkzaam is bij het Ministerie van Defensie wordt geacht met ingang van de datum van inwerkingtreden van dit besluit te zijn aangesteld bij het Ministerie van Defensie.

Artikel 170

1. Voor zover op grond van de bepalingen van dit besluit nadere regels moeten worden gegeven gelden na de inwerkingtreding van dit besluit ten aanzien van de ambtenaar als genoemd in artikel 1 van dit besluit de op basis van de overeenkomstige bepalingen van het Algemeen rijksambtenarenreglement vastgestelde regels als nadere regels berustende op dit besluit voor zover zij daarmede niet in strijd zijn. Zij blijven gedurende één jaar na het inwerkingtreden van dit besluit van toepassing op de in artikel 1 genoemde ambtenaar tenzij Onze Minister anders bepaalt.

2. Besluiten ten aanzien van ambtenaren als genoemd in artikel 1 van dit besluit, welke na 1 april 1993 op basis van het Algemeen rijksambtenarenreglement zijn genomen worden geacht te zijn genomen op basis van dit besluit.

Artikel 171

Voor de ambtenaar die op datum van inwerkingtreding van dit besluit in dienst is bij het Ministerie van Defensie, wordt de tijd dat hij aangesteld is geweest bij een onderdeel van de sector Rijk meegeteld voor het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onder e en g.

Artikel 171a Overgangsbepaling functioneel leeftijdsontslag

1. Voor de ambtenaar die op 1 januari 2006 was geplaatst op een functie als:

  1. verpleegkundige, in hoofdzaak werkzaam bij het ambulancevervoer van patiënten;
  2. ambtenaar van de brandweer belast met de actieve deelname aan de repressieve brandbestrijding;
  3. burgerverkeersleider bij de Koninklijke luchtmacht;
  4. bootsman, matroos of tweede machinist aan boord van een zeesleper of een haven- of kustsleper van de Rijks Havendienst, geldt een leeftijdsgrens indien hij de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereikt:
    1°. in het jaar 2010, van vijfenvijftig jaar en drie maanden;
    2°. in het jaar 2011, van vijfenvijftig jaar en zes maanden;
    3°. in het jaar 2012, van vijfenvijftig jaar en negen maanden;
    4°. in het jaar 2013, van zesenvijftig jaar;
    5°. in het jaar 2014, van zesenvijftig jaar en drie maanden;
    6°. in het jaar 2015, van zesenvijftig jaar en zes maanden;
    7°. in het jaar 2016, van zevenenvijftig jaar;
    8°. in het jaar 2017, van zevenenvijftig jaar en zes maanden;
    9°. in het jaar 2018, van achtenvijftig jaar;
    10°. in het jaar 2019, van achtenvijftig jaar en zes maanden;
    11°. in het jaar 2020, van negenenvijftig jaar;
    12°. in het jaar 2021, van negenenvijftig jaar en zes maanden;
    13°. in het jaar 2022 van zestig jaar.

2. Voor de ambtenaar die op 1 januari 2006 was geplaatst op een functie:

  1. die in hoofdzaak bestaat uit de daadwerkelijke verpleging van lichamelijk en geestelijk zieken. Hieronder worden medebegrepen de niet-gekwalificeerde functionarissen die in de daadwerkelijke verpleging werkzaam zijn;
  2. als directrice of adjunct-directrice van een inrichting voor verpleging van zieken;
  3. als commandant van de brandweer die op grond van de organisatie van deze dienst tijdens een brand door één of meerdere officieren wordt bijgestaan;
  4. bij het geüniformeerd burgerpersoneel van het Marine Bewakings Korps of als de bediende aan boord van een zeeloodsvaartuig;
  5. in nader door Onze Minister aan te wijzen functies in de operationele sector bij de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst;
  6. belast met de interceptie (verwerven en verwerken) van bijzonder verbindings- en berichtenverkeer ten behoeve van veiligheidsdoeleinden, dan wel (tevens) rechtstreeks met de leiding daarvan;
  7. als kapitein of eerste machinist aan boord van een zeesleper of een haven- of kustsleper van de Rijks Havendienst;
  8. aan boord van de tanker of de transportvaartuigen van de Rijks Havendienst;
  9. aan boord van een schip van de Hydrografische Dienst;
  10. bij het burgerbewakingspersoneel van het Joint Operations Centre;
  11. als bewaker-hondengeleider of bewaker-hondengeleider-portier bij het burgerbewakingspersoneel van de Koninklijke landmacht, voor zover belast met de continubewaking van afgelegen objecten onder verzwarende terreinomstandigheden, geldt een leefijdsgrens indien hij de leeftijd van zestig jaar bereikt:
    1°. in het jaar 2010, van zestig jaar en twee maanden;
    2°. in het jaar 2011, van zestig jaar en vier maanden;
    3°. in het jaar 2012, van zestig jaar en vijf maanden;
    4°. in het jaar 2013, van zestig jaar en zeven maanden;
    5°. in het jaar 2014, van zestig jaar en tien maanden;
    6°. in het jaar 2015, van één en zestig jaar;
    7°. in het jaar 2016, van één en zestig jaar en drie maanden;
    8°. in het jaar 2017, van één en zestig jaar en vijf maanden;
    9°. in het jaar 2018, van één en zestig jaar en negen maanden;
    10°. in het jaar 2019, van één en zestig jaar en elf maanden;
    11°. in het jaar 2020, 2021 of 2022, van tweeënzestig jaar.

3. Aan de ambtenaar bedoeld in het eerste of tweede lid kan eervol ontslag worden verleend met ingang van de eerste van de maand, volgende op die waarin de voor de ambtenaar geldende leeftijdsgrens wordt bereikt. Dit ontslag wordt aangemerkt als een ontslag als bedoeld in artikel 114, eerste lid, indien wordt voldaan aan de daar bedoelde voorwaarden.

4. Het in het derde lid bedoelde ontslag kan op aanvraag of met instemming van de ambtenaar voor de duur van ten hoogste één jaar worden opgeschort indien dit door het bevoegde gezag in het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar blijkens de uitslag van een onderzoek door de deskundige persoon of de arbodienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel b, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn functie te blijven waarnemen. De opschorting kan op gelijke voet telkenmale voor één jaar worden verlengd. Niettemin kan aan de ambtenaar, die tussentijds blijkens de uitslag van een bedrijfsgeneeskundig onderzoek ongeschikt is geworden voor de verdere waarneming van zijn functie, eervol ontslag worden verleend met ingang van de eerste van de maand, volgende op die waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is gebracht.

5. De ambtenaar bedoeld in het eerste of tweede lid voor wie tijdens de periode gelegen na het vijfenvijftigste levensjaar op basis van een individuele afweging het voortzetten van de uitoefening van zijn functie leidt tot een te grote fysieke belasting, wordt een passende functie opgedragen, bij voorkeur in of in de nabijheid van zijn standplaats, met behoud van het uitzicht op functioneel leeftijdsontslag als bedoeld in het derde lid.

6. De ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die de leeftijd van vijfenvijftig respectievelijk zestig jaar bereikt in het jaar 2023 of later, wordt vóór het bereiken van de leeftijd van zestig respectievelijk tweeënzestig jaar een andere functie dan bedoeld in het eerste of tweede lid opgedragen. Indien dit niet mogelijk blijkt, wordt ontslag verleend als bedoeld in het derde lid.

Artikel 172

[Vervallen bij Stb. 2006, 353]

Artikel 173 Toepasselijkheid Algemene Termijnenwet

De Algemene Termijnenwet (21) is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld, met uitzondering van die, genoemd in de artikelen 11, eerste en tweede lid, 57, derde en vierde lid alsmede in hoofdstuk 11.

Artikel 174 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1993.

Artikel 175 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als "Burgerlijk ambtenarenreglement defensie".