Voor zoveel voor ambtenaren nadere regels ter uitwerking of aanvulling van de bepalingen van dit besluit worden vereist, worden zodanige regels door Onze Minister vastgesteld.
Van de bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de hoofdstukken 4, 5 en 7 kan mandaat worden verleend aan de hoofddirecteur personeel van het Ministerie van Defensie.
1. De ambtenaar in de zin van artikel 1 die is aangesteld op grond van artikel 7, eerste respectievelijk tweede lid van het Algemeen rijksambtenarenreglement wordt geacht met ingang van de datum van inwerkingtreden van dit besluit te zijn aangesteld op grond van artikel 8, eerste respectievelijk tweede lid van dit besluit.
2. De ambtenaar die bij koninklijk besluit in algemene dienst van het Rijk is aangesteld op grond van artikel 7, vierde lid van het Algemeen rijksambtenarenreglement en werkzaam is bij het Ministerie van Defensie wordt geacht met ingang van de datum van inwerkingtreden van dit besluit te zijn aangesteld bij het Ministerie van Defensie.
1. Voor zover op grond van de bepalingen van dit besluit nadere regels moeten worden gegeven gelden na de inwerkingtreding van dit besluit ten aanzien van de ambtenaar als genoemd in artikel 1 van dit besluit de op basis van de overeenkomstige bepalingen van het Algemeen rijksambtenarenreglement vastgestelde regels als nadere regels berustende op dit besluit voor zover zij daarmede niet in strijd zijn. Zij blijven gedurende één jaar na het inwerkingtreden van dit besluit van toepassing op de in artikel 1 genoemde ambtenaar tenzij Onze Minister anders bepaalt.
2. Besluiten ten aanzien van ambtenaren als genoemd in artikel 1 van dit besluit, welke na 1 april 1993 op basis van het Algemeen rijksambtenarenreglement zijn genomen worden geacht te zijn genomen op basis van dit besluit.
Voor de ambtenaar die op datum van inwerkingtreding van dit besluit in dienst is bij het Ministerie van Defensie, wordt de tijd dat hij aangesteld is geweest bij een onderdeel van de sector Rijk meegeteld voor het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onder e en g.
1. Voor de ambtenaar die op 1 januari 2006 was geplaatst op een functie als:
2. Voor de ambtenaar die op 1 januari 2006 was geplaatst op een functie:
3. Aan de ambtenaar bedoeld in het eerste of tweede lid kan eervol ontslag worden verleend met ingang van de eerste van de maand, volgende op die waarin de voor de ambtenaar geldende leeftijdsgrens wordt bereikt. Dit ontslag wordt aangemerkt als een ontslag als bedoeld in artikel 114, eerste lid, indien wordt voldaan aan de daar bedoelde voorwaarden.
4. Het in het derde lid bedoelde ontslag kan op aanvraag of met instemming van de ambtenaar voor de duur van ten hoogste één jaar worden opgeschort indien dit door het bevoegde gezag in het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar blijkens de uitslag van een onderzoek door de deskundige persoon of de arbodienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel b, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn functie te blijven waarnemen. De opschorting kan op gelijke voet telkenmale voor één jaar worden verlengd. Niettemin kan aan de ambtenaar, die tussentijds blijkens de uitslag van een bedrijfsgeneeskundig onderzoek ongeschikt is geworden voor de verdere waarneming van zijn functie, eervol ontslag worden verleend met ingang van de eerste van de maand, volgende op die waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is gebracht.
5. De ambtenaar bedoeld in het eerste of tweede lid voor wie tijdens de periode gelegen na het vijfenvijftigste levensjaar op basis van een individuele afweging het voortzetten van de uitoefening van zijn functie leidt tot een te grote fysieke belasting, wordt een passende functie opgedragen, bij voorkeur in of in de nabijheid van zijn standplaats, met behoud van het uitzicht op functioneel leeftijdsontslag als bedoeld in het derde lid.
6. De ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die de leeftijd van vijfenvijftig respectievelijk zestig jaar bereikt in het jaar 2023 of later, wordt vóór het bereiken van de leeftijd van zestig respectievelijk tweeënzestig jaar een andere functie dan bedoeld in het eerste of tweede lid opgedragen. Indien dit niet mogelijk blijkt, wordt ontslag verleend als bedoeld in het derde lid.
[Vervallen bij Stb. 2006, 353]
De Algemene Termijnenwet (21) is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld, met uitzondering van die, genoemd in de artikelen 11, eerste en tweede lid, 57, derde en vierde lid alsmede in hoofdstuk 11.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1993.
Dit besluit wordt aangehaald als "Burgerlijk ambtenarenreglement defensie".