Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Ambtenaar in de zin van dit besluit

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder ambtenaar, degene die bij het Ministerie van Defensie in burgerlijke openbare dienst is aangesteld.

Artikel 2 Niet toepasselijkheid van dit besluit

1. Dit besluit is niet van toepassing op Onze Minister.

2. De hoofdstukken 4 en 5 zijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld.

3. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing:

  1. hoofdstuk 2, paragraaf 4
  2. de hoofdstukken 4 en 5;
  3. hoofdstuk 6, paragrafen 2 en 3;
  4. de artikelen 63, 66, 67 en 69.

4. De hoofdstukken 4, 5, 6, en 8, alsmede de artikelen 70b, 70d tot en met 70f, 76, 85, 87a, 88, 93, 109 tot en met 111, 114, 121, eerste lid, onderdelen f en h en derde lid, 127 en 127a, zijn niet van toepassing op de ambtenaar die is aangesteld om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn.

Artikel 3 Definities

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister:
Onze Minister van Defensie;

b. hoofd defensieonderdeel
1º. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf;
2º. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando;
3º. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf;
4º. de commandant van het Commando Dienstencentra, voor zover het betreft het Commando Dienstencentra.

c. de commandant:
een bij ministeriele regeling aan te wijzen functionaris.

2. Tenzij anders is bepaald wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging, hetgeen daaronder wordt verstaan in het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.

3. Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.

Artikel 4 Gelijkstelling samenlevingsvormen met het huwelijk.

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:

a. echtgenote of echtgenoot:

1°. de geregistreerde partner;
2°. degene die door de ambtenaar als partner is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt, op voorwaarde dat de ambtenaar een bewijs van die aanmelding heeft overlegd aan de minister;

b. weduwe of weduwnaar:
de achtergebleven partner als bedoeld onder a;

c. gezinslid
de partner als bedoeld onder a;

d. huwelijk

1°. het geregistreerd partnerschap;
2°. de samenleving met de partner die door de ambtenaar als zodanig is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.

2. De gelijkstellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2° en onderdeel d, onder 2°, eindigen op de dag waarop de aanmelding van het partnerpensioen door het Stichting Pensioenfonds ABP wordt doorgehaald. De ambtenaar is verplicht die doorhaling aan Onze Minister te melden, waarbij hij een afschrift van de mededeling van die doorhaling verstrekt.

Naar het volgende hoofdstuk