Besluit medezeggenschap Defensie 2008

Vastst./Wijz datum  Staatsbladnummer  Wijz. t.a.v.  Inwerkingtr. datum
05-07-08 321 01-09-08

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1. In dit Besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister:
Onze Minister van Defensie;

b. secretaris-generaal:
de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie;

c. werknemer:
1°. de militair in werkelijke dienst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement,
2°. de ambtenaar, bedoeld in artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie,
3°. degene die in het kader van de werkzaamheden van de diensteenheid daarin ten minste 24 maanden werkzaam is op grond van detachering of een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

d. defensieonderdeel:
de Bestuursstaf, het Commando Zeestrijdkrachten, het Commando Landstrijdkrachten, het Commando Luchtstrijdkrachten, de Koninklijke Marechaussee, het Commando DienstenCentra onderscheidenlijk de Defensie Materieelorganisatie;

e. hoofd defensieonderdeel:
de plaatsvervangend secretaris-generaal voor de bestuursstaf van het ministerie van Defensie, de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, de Commandant van het Commando DienstenCentra onderscheidenlijk de Directeur van de Defensie Materieelorganisatie voor dat gedeelte dat geen deel uitmaakt van de bestuursstaf;

f. diensteenheid:
een schip, een inrichting der zeemacht, een bataljon of eenheid van overeenkomstig niveau, een eenheid of groep eenheden bij het korps mariniers ter grootte van een bataljon of van een overeenkomstig niveau, een vliegbasis of een overeenkomstig onderdeel, een district of een eenheid van een overeenkomstig niveau dan wel een met een eigen taak bedeeld administratief of organisatorisch zelfstandig onderdeel van het ministerie van Defensie onderscheidenlijk een onderdeel van een bondgenootschappelijk orgaan of bondgenootschappelijke strijdkrachten in Nederland of door Onze Minister aan te wijzen nationale of internationale overheidsdiensten waar werknemers in de zin van dit besluit werkzaam zijn;

g. sectorcommissie Defensie:
de commissie, bedoeld in artikel 2 van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie;

h. college voor geschillen:
het college, bedoeld in artikel 33;

i. centrale:
een centrale van verenigingen van ambtenaren als bedoeld in artikel 4 van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie;

j. ambtelijk secretaris:
een van buiten de medezeggenschapscommissie te benoemen functionaris ter ondersteuning van het secretariaat van de medezeggenschapscommissie.

2. Voor de toepassing van dit besluit wordt de bestuursstaf geacht te bestaan uit de diensteenheden genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met f, van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2005, alsmede de staf van de Defensie Materieelorganisatie.

3. Voor de toepassing van dit besluit worden werknemers die hun werkzaamheden bij meer dan één diensteenheid verrichten, geacht werkzaam te zijn bij de diensteenheid waar zij in overwegende mate hun werkzaamheden verrichten.

Artikel 2 Algemene uitzondering

Het bij of krachtens dit besluit bepaalde is niet van toepassing:

  1. tijdens buitengewone omstandigheden en in de gevallen, genoemd in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht;
  2. bij de uitoefening van bij of krachtens wet opgedragen taken voor zover de toepassing van dit besluit een goede taakuitoefening belemmert;
  3. in door Onze Minister te bepalen gevallen waarin onderdelen van de krijgsmacht worden ingezet;
  4. tijdens oefeningen;
  5. op werknemers die werkzaam zijn bij een niet of niet uitsluitend onder Nederlands gezag staand onderdeel van de krijgsmacht gevestigd in het buitenland;
  6. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de omstandigheden, bedoeld onder a, b, c en d.

Artikel 2a Specifieke uitzondering

Onze Minister kan na overleg met de sectorcommissie Defensie bepalen dat een onderdeel van een bondgenootschappelijk orgaan of bondgenootschappelijke strijdkrachten in Nederland of door Onze Minister aan te wijzen nationale of internationale overheidsdiensten waar werknemers in de zin van dit besluit werkzaam zijn, geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de werking van dit besluit.

Hoofdstuk 2 Instelling medezeggenschapscommissies en werkgroepen

Artikel 3 Medezeggenschapscommissie

1. Onze Minister stelt in het belang van het goed functioneren van de organisatie in al haar doelstellingen bij een diensteenheid een medezeggenschapscommissie in ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de bij de diensteenheid werkzame personen.

2. Onze Minister voert overleg met de sectorcommissie Defensie over de wijze waarop medezeggenschap in haar totaliteit wordt ingericht.

Artikel 4 Gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie

1. Onze Minister stelt bij door hem aan te wijzen diensteenheden gemeenschappelijke medezeggenschapscommissies in indien dit bevorderlijk is voor de goede werking van de medezeggenschap.

2. In het instellingsbesluit wordt bepaald voor welke diensteenheden en voor welke periode de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie wordt ingesteld alsmede wie als hoofd van de diensteenheid voor deze gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie wordt aangemerkt en welke functionaris het overleg met deze commissie voorzit.

3. De betrokken medezeggenschapscommissies worden vooraf in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het instellen van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie.

4. Een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie bestaat uit leden, gekozen door de betrokken medezeggenschapscommissies uit leden van elk van die commissies. Voor ieder lid kan een plaatsvervanger worden gekozen die dezelfde rechten en plichten heeft als het lid dat hij vervangt.

5. Elke betrokken medezeggenschapscommissie levert een gelijk aantal leden in de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie. Onze Minister kan na overleg met de sectorcommissie Defensie hiervan afwijken voor zover de toepassing een goede werking van de medezeggenschap belemmert. In het instellingsbesluit wordt de samenstelling van de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie bepaald.

6. Een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie kan in haar reglement bepalen dat van die commissie, behalve de in het vierde lid bedoelde leden, ook deel kunnen uitmaken vertegenwoordigers van eenheden waarvoor geen medezeggenschapscommissie is ingesteld. De gemeenschappelijke medezeggenschapcommissie regelt in haar reglement het aantal en de wijze van verkiezing van de bedoelde vertegenwoordigers.

7. Het reglement van de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie bevat voorzieningen dat de verschillende groepen van de in de betrokken diensteenheden werkzame personen zoveel mogelijk in de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie vertegenwoordigd zijn. De betrokken medezeggenschapscommissies worden over de vaststelling van de betrokken bepalingen in het reglement gehoord.

8. Het lidmaatschap van een lid of plaatsvervangend lid van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie eindigt van rechtswege als zijn lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie eindigt. Het lidmaatschap van de vertegenwoordiger, bedoeld in het zesde lid, eindigt van rechtswege als hij niet langer bij de betrokken diensteenheid werkzaam is.

9. De gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie behandelt uitsluitend aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor een meerderheid van de diensteenheden waarvoor zij is ingesteld.

10. Indien een in dit artikel bedoelde gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie uit vertegenwoordigers van diensteenheden bestaat die afkomstig zijn uit meerdere defensieonderdelen wordt de secretarisgeneraal aangemerkt als hoofd defensieonderdeel.

11. De artikelen 9, 13, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 en de hoofdstukken 4 tot en met 6 zijn van overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie.

Artikel 5 Defensieonderdeel medezeggenschapscommissie

1. Onze Minister stelt bij ieder defensieonderdeel een defensieonderdeel medezeggenschapscommissie in.

2. Een defensieonderdeel medezeggenschapscommissie behandelt uitsluitend aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor de meerderheid van de diensteenheden van dat defensieonderdeel.

3. Artikel 4, met uitzondering van het eerste, het derde en het negende lid, is van overeenkomstige toepassing op de defensieonderdeel medezeggenschapscommissie.

Artikel 6 Centrale medezeggenschapscommissie

1. Onze Minister stelt op departementsniveau een centrale medezeggenschapscommissie in, waarin iedere defensieonderdeel medezeggenschapscommissie is vertegenwoordigd.

2. Een centrale medezeggenschapscommissie behandelt uitsluitend aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor een meerderheid van de betrokken defensieonderdelen.

3. Artikel 4, met uitzondering van het eerste, het derde en het negende lid, is van overeenkomstige toepassing op de centrale medezeggenschapscommissie.

Artikel 7 Tijdelijke reorganisatie medezeggenschapscommissie

1. Onze Minister stelt een tijdelijke reorganisatie medezeggenschapscommissie in voor het overleg over een reorganisatie waarbij meerdere diensteenheden zijn betrokken, tenzij de reorganisatie naar het oordeel van Onze Minister in overeenstemming met de betrokken medezeggenschapscommissies behandeld kan worden binnen de bestaande medezeggenschapsstructuur.

2. In het instellingsbesluit wordt bepaald voor welke diensteenheden de tijdelijke reorganisatie medezeggenschapscommissie wordt ingesteld alsmede wie als hoofd van de diensteenheid voor de tijdelijke reorganisatie medezeggenschapscommissie wordt aangemerkt en welke functionaris het overleg met deze commissie voorzit.

3. De tijdelijke reorganisatie medezeggenschapscommissie wordt ingesteld voor de duur van de reorganisatie, en houdt van rechtswege op te bestaan zodra overeenstemming is bereikt over de voorgenomen maatregel die verband houdt met de reorganisatie.

4. Indien een in dit artikel bedoelde tijdelijke reorganisatie medezeggenschapscommissie wordt ingesteld zijn de in artikelen 4, 5, 6 en 8 bedoelde medezeggenschapscommissies niet bevoegd ten aanzien van de door deze medezeggenschapscommissie te behandelen onderwerpen.

5. Artikel 4, met uitzondering van het eerste en het tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8 Locatie medezeggenschapscommissie

1. Onze Minister stelt bij een groep van schepen in combinatie met de ondersteunende wal-organisatie, een inrichting der zeemacht, op een kazerne, op een vliegbasis, op een kantorencomplex of op een overeenkomstig complex een locatie medezeggenschapscommissie in indien sprake is van overleg over aangelegenheden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, die betrekking hebben op personeel van verschillende diensteenheden dat op dezelfde locatie werkt of woont.

2. De in artikelen 4, 5, 6 en 7 bedoelde medezeggenschapscommissies zijn niet bevoegd ten aanzien van door in dit artikel bedoelde locatie medezeggenschapscommissies te behandelen onderwerpen.

3. Het defensieonderdeel waaruit het merendeel van de leden van de locatie medezeggenschapscommissie afkomstig is, wordt als hoofd defensieonderdeel aangemerkt.

4. Artikel 4, met uitzondering van het eerste en het tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9 Werkgroepen

1. Een medezeggenschapscommissie kan werkgroepen instellen die zij voor de vervulling van haar taak redelijkerwijze nodig heeft.

2. De medezeggenschapscommissie legt haar voornemen om een werkgroep in te stellen schriftelijk voor aan het hoofd van de diensteenheid met vermelding van de taak, de samenstelling, de bevoegdheden en de werkwijze van de in te stellen werkgroep.

3. De medezeggenschapscommissie kan in het instellingsbesluit van de werkgroep haar rechten en bevoegdheden ten aanzien van die aangelegenheden inclusief de bevoegdheid tot het plegen van overleg met het betrokken hoofd van de diensteenheid of de door deze bevoegd verklaarde functionaris, met uitzondering van het voeren van rechtsgedingen, geheel of gedeeltelijk aan de betrokken werkgroep overdragen.

4. Indien de medezeggenschapscommissie aan een werkgroep de bevoegdheid tot het plegen van overleg met het hoofd van de diensteenheid of de door deze bevoegd verklaarde functionaris als bedoeld in het derde lid, heeft overgedragen, is ten aanzien van dat overleg hoofdstuk 4 van overeenkomstige toepassing. In dit overleg kunnen geen aangelegenheden worden behandeld die in het overleg met de medezeggenschapscommissie worden behandeld.

5. In een werkgroep kunnen naast leden van de medezeggenschapscommissie ook andere bij de diensteenheid werkzame werknemers zitting hebben. Het voorzitterschap berust bij een lid van de medezeggenschapscommissie.

6. Ten aanzien van de leden van door de medezeggenschapscommissie ingestelde werkgroepen, die geen lid zijn van de medezeggenschapscommissie, is artikel 16 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3 Samenstelling en werkwijze

Artikel 10 Samenstelling medezeggenschapscommissie

1. De leden van een medezeggenschapscommissie worden door de bij de diensteenheid werkzame werknemers uit hun midden gekozen. Werknemers zijn kiesgerechtigd vanaf het moment dat zij bij het ministerie van Defensie werkzaam zijn. Werknemers zijn verkiesbaar als zij op het moment van de verkiezingen ten minste zes maanden bij het ministerie van Defensie werkzaam zijn.

2. De medezeggenschapscommissie telt bij een diensteenheid:

  1. met minder dan 100 werknemers ten minste 3 en ten hoogste 7 leden;
  2. met 100 tot 500 werknemers ten minste 5 en ten hoogste 11 leden;
  3. met 500 tot 2000 werknemers ten minste 9 en ten hoogste 13 leden;
  4. met 2000 of meer werknemers ten minste 13 en ten hoogste 19 leden.

3. In het reglement, bedoeld in artikel 17, wordt binnen de in het tweede lid genoemde grenzen het aantal leden van de medezeggenschapscommissie vastgesteld.

4. Het hoofd van de diensteenheid en in voorkomend geval de door deze voor het voeren van overleg met de medezeggenschapscommissie aangewezen functionaris, zijn niet verkiesbaar tot lid van de medezeggenschapscommissie.

5. Tijdens de zittingsperiode van de medezeggenschapscommissie wordt het aantal leden van de commissie niet gewijzigd.

6. Het aantal zetels van de medezeggenschapscommissie dat werknemers die in opleiding zijn bij een diensteenheid kunnen bekleden, bedraagt niet meer dan de helft van het totaal aantal zetels van die medezeggenschapscommissie.

Artikel 11 Verkiezingen

1. Het hoofd defensieonderdeel bepaalt op voordracht van de betreffende medezeggenschapscommissie de verkiezingsdatum.

2. De leden van een medezeggenschapscommissie worden gekozen bij geheime schriftelijke stemming en door middel van stembiljetten waarop kandidatenlijsten zijn vermeld.

3. Voor het uitbrengen van een geldige stem kan de werknemer slechts één stem uitbrengen op één van de op het stembiljet vermelde kandidaten.

4. De werknemer kan zijn stem bij schriftelijke volmacht uitbrengen.

5. Een werknemer kan gelijktijdig met het uitbrengen van zijn eigen stem voor ten hoogste twee andere kiesgerechtigden bij schriftelijke volmacht stemmen.

6. Indien het aantal kandidaten kleiner is dan het minimum aantal zetels, bedoeld in artikel 10, tweede lid, worden nieuwe verkiezingen gehouden.

Artikel 12 Kandidatenlijst

1. Een kandidatenlijst kan worden ingediend door:

  1. een centrale;
  2. bij de diensteenheid werkzame kiesgerechtigde werknemers die geen lid zijn van een bij een centrale aangesloten vereniging van ambtenaren, mits deze lijst wordt gesteund door een derde deel of meer van de bij de diensteenheid werkzame kiesgerechtigde werknemers, met dien verstande dat met dertig handtekeningen kan worden volstaan.

2. Een werknemer wordt slechts geplaatst op één kandidatenlijst.

3. Een werknemer kan door het plaatsen van zijn handtekening één kandidatenlijst mee indienen, tenzij hij als kandidaat op een door een centrale ingediende lijst staat.

4. Een centrale kan een kandidatenlijst met burgerkandidaten en een kandidatenlijst met militaire kandidaten indienen.

5. Centrales kunnen een gecombineerde kandidatenlijst indienen. Indien een gecombineerde kandidatenlijst is ingediend, kunnen de betrokken centrales niet alsnog een afzonderlijke kandidatenlijst indienen.

Artikel 13 Taakverdeling

1. De medezeggenschapscommissie kiest uit haar leden een voorzitter en één of meer plaatsvervangende voorzitters.

2. De medezeggenschapscommissie kiest uit haar leden een secretaris. In voorkomend geval kan het hoofd van de diensteenheid in overeenstemming met de medezeggenschapscommissie een ambtelijk secretaris benoemen. Een dergelijke voordracht wordt in ieder geval éénmaal in een overlegvergadering behandeld.

3. De medezeggenschapscommissie maakt de namen en functies van haar leden bekend aan alle bij de diensteenheid werkzame werknemers en aan degenen die kandidatenlijsten hebben ingediend.

Artikel 14 Einde lidmaatschap

1. De leden van de medezeggenschapscommissie treden om de twee jaar gelijktijdig af.

2. In afwijking van het eerste lid kan in het instellingsbesluit worden bepaald dat de leden van de medezeggenschapscommissie om de vier jaar gelijktijdig aftreden dan wel dat om de twee jaar de helft van de leden aftreedt.

3. Als een lid van de medezeggenschapscommissie niet meer werkzaam is bij de diensteenheid eindigt van rechtswege zijn lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie.

4. De leden van een medezeggenschapscommissie kunnen te allen tijde hun lidmaatschap beëindigen.

Artikel 15 Tussentijdse vacatures

1. Een vacature die ontstaat tijdens de zittingsduur van de medezeggenschapscommissie, wordt vervuld door de eerstvolgende niet gekozen kandidaat van de lijst waarop het vertrekkende lid stond. Een vacature die ontstaat als gevolg van een uitzending, wordt tijdelijk voor de duur van de uitzending vervuld.

2. Indien op de kandidatenlijst geen kandidaten meer aanwezig zijn, wordt voor alle opengevallen plaatsen met uitzondering van de vacatures die ontstaan als gevolg van een uitzending, tussentijdse verkiezingen gehouden overeenkomstig de daarvoor bij artikel 11 en 12 gestelde regels met dien verstande dat deze verkiezingen niet worden gehouden indien binnen zes maanden algemene medezeggenschapsverkiezingen plaatsvinden.

3. De op grond van het eerste en tweede lid aangetreden medezeggenschapsleden treden aan voor de duur van de resterende periode waarvoor de medezeggenschapscommissie is ingesteld.

Artikel 16 Uitsluiting leden

1. Het hoofd defensieonderdeel kan op verzoek van het hoofd van de diensteenheid of van de medezeggenschapscommissie een lid van de commissie voor bepaalde tijd uitsluiten van deelname aan de werkzaamheden van de commissie. Het hoofd van de diensteenheid kan alleen om uitsluiting verzoeken als het gedrag van het lid het overleg ernstig belemmert. De medezeggenschapscommissie kan alleen om uitsluiting verzoeken als het gedrag van het lid de werkzaamheden van de commissie ernstig belemmert. Het lid wordt door de verzoeker vooraf in de gelegenheid gesteld zijn oordeel over het verzoek te geven.

2. Het lid kan zich door een raadsman laten bijstaan.

Artikel 17 Reglement

1. De medezeggenschapscommissie maakt een reglement waarin de onderwerpen worden geregeld die bij dit besluit ter regeling aan de medezeggenschapscommissie zijn opgedragen of overgelaten. In het reglement worden in ieder geval de kandidaatstelling, de inrichting van de verkiezingen, de vaststelling van de uitslag daarvan en de werkwijze van de medezeggenschapscommissie geregeld.

2. De medezeggenschapscommissie kan in haar reglement bepalen dat voor bepaalde groepen van in de diensteenheid werkzame personen dan wel voor bepaalde onderdelen van de diensteenheid afzonderlijke kandidatenlijsten worden ingediend, teneinde als grondslag te dienen voor de verkiezing door de betrokken personen of onderdelen van een tevens in het reglement te bepalen aantal leden van de medezeggenschapscommissie. Bij het hanteren van dit stelsel, gelden de in artikel 12 van dit besluit ten aanzien van het indienen van kandidatenlijsten gestelde eisen voor iedere aangewezen groep of ieder aangewezen onderdeel afzonderlijk.

3. Het reglement of een wijziging daarvan wordt vastgesteld bij besluit van de medezeggenschapscommissie en bevat geen bepalingen die in strijd zijn met dit besluit of die een goede toepassing van dit besluit in de weg staan. Een besluit tot vaststelling behoeft de instemming van twee derde van het aantal leden van de medezeggenschapscommissie.

4. Voordat de medezeggenschapscommissie het reglement of een wijziging daarvan vaststelt, wordt het hoofd van de diensteenheid in de gelegenheid gesteld zijn standpunt daarover kenbaar te maken.

5. Nadat de medezeggenschapscommissie het reglement of een wijziging daarvan heeft vastgesteld, wordt een afschrift daarvan aan het hoofd van de diensteenheid en aan het hoofd defensieonderdeel gezonden.

Artikel 18 Deskundigen

1. De medezeggenschapscommissie kan één of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een vergadering van die commissie met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp.

2. De leden van de medezeggenschapscommissie kunnen in de vergadering aan de deskundigen inlichtingen en adviezen vragen.

3. Een deskundige kan eveneens worden uitgenodigd een schriftelijk advies uit te brengen.

4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de werkgroepen van een medezeggenschapscommissie.

Artikel 19 Voorzieningen

1. Het hoofd van de diensteenheid staat een medezeggenschapscommissie, de werkgroepen van die commissies en, indien het hoofd van de diensteenheid aan een medezeggenschapscommissie een ambtelijk secretaris heeft toegevoegd, de ambtelijk secretaris van die commissie het gebruik toe van de voorzieningen waarover hij als zodanig kan beschikken en die een medezeggenschapscommissie, de werkgroepen en de ambtelijk secretaris van die commissie voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig hebben. Het hoofd van de diensteenheid stelt de medezeggenschapscommissie en de werkgroepen van die commissies in staat de bij de diensteenheid werkzame werknemers te raadplegen en stelt deze werknemers in de gelegenheid hieraan hun medewerking te verlenen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van de taak van een medezeggenschapscommissie en de werkgroepen.

2. De medezeggenschapscommissies en de werkgroepen van die commissies vergaderen zoveel mogelijk tijdens de normale werktijd.

Artikel 20 Faciliteiten

1. Het hoofd van de diensteenheid stelt de leden van een medezeggenschapscommissie en de leden van de werkgroepen van die medezeggen-schapscommissie(s) gedurende een door het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie gezamenlijk vast te stellen aantal uren per jaar in werktijd en met behoud van bezoldiging in de gelegenheid voor onderling beraad en overleg met andere personen over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun taak zijn betrokken, alsmede voor kennisneming van de arbeidsomstandigheden in de diensteenheid. Voor de voorzitter en de secretaris bedraagt het aantal uren ten minste 100 per jaar. Voor de overige leden bedraagt het aantal uren ten minste 60 per jaar.

2. Het hoofd van de diensteenheid biedt de leden van een medezeggenschapscommissie en de leden van een werkgroep, gedurende een door het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie gezamenlijk vast te stellen aantal dagen per jaar, in werktijd en met behoud van bezoldiging de gelegenheid de scholing en vorming te ontvangen welke zij in verband met de vervulling van hun taak nodig oordelen.

3. Het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie stellen het aantal dagen als bedoeld in het tweede lid vast op een zodanig aantal als de betrokken leden van de medezeggenschapscommissie en van de werkgroepen van die medezeggenschapscommies voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig hebben. Daarbij wordt in acht genomen dat het aantal dagen:

  1. voor leden van een in artikel 9 bedoelde werkgroep, die niet tevens lid zijn van een medezeggenschapscommissie, niet lager vastgesteld kan worden dan drie per jaar;
  2. voor leden van een medezeggenschapscommissie, niet lager vastgesteld kan worden dan vijf per jaar;
  3. voor leden van een in artikel 3 bedoelde medezeggenschapscommissie die tevens lid zijn van een in de artikelen 4, 5, 6, 7 of 8 bedoelde medezeggenschapscommissie dan wel lid zijn van een in artikel 9 bedoelde werkgroep, niet lager vastgesteld kan worden dan acht per jaar.

4. De door een lid van een medezeggenschapscommissie of een lid van een werkgroep gemaakte noodzakelijke reis-en verblijfskosten voor het deelnemen aan vergaderingen van de medezeggenschapscommissie of werkgroep, aan overlegvergaderingen en aan scholings-en vormingsactiviteiten worden vergoed overeenkomstig het Besluit dienstreizen Defensie.

5. De secretaris van de medezeggenschapscommissie verstrekt ieder half jaar aan het hoofd van de diensteenheid een opgave van de scholings-en vormingsactiviteiten waar de leden van de medezeggenschapscommissie in het komende half jaar aan willen deelnemen.

Artikel 21 Geheimhoudingsplicht

1. De leden van de medezeggenschapscommissie, de ambtelijk secretaris van die commissie, alsmede de overeenkomstig artikel 18 geraadpleegde deskundigen zijn gehouden tot geheimhouding van alle vertrouwelijke informatie die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede van alle aangelegenheden ten aanzien waarvan het hoofd van de diensteenheid, dan wel de medezeggenschapscommissie hun geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijk karakter moeten begrijpen. Het voornemen om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid meegedeeld. Degene die de geheimhouding oplegt, deelt daarbij tevens mee, welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding vallen en hoe lang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.

2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet tegenover hen die ingevolge een rechterlijke opdracht zijn belast met een onderzoek naar de gang van zaken in de diensteenheid.

3. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt voorts niet tegenover hem die door een lid van de medezeggenschapscommissie wordt benaderd voor overleg, mits het hoofd van de diensteenheid, onderscheidenlijk degene die geheimhouding heeft opgelegd, vooraf toestemming heeft gegeven voor het overleg met de betrokken persoon en deze laatste schriftelijk heeft verklaard, dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien van de bedoelde persoon het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

4. Een weigering van de in het derde lid bedoelde toestemming te verlenen, wordt door het hoofd van de diensteenheid, onderscheidenlijk door degene die geheimhouding heeft opgelegd, met redenen omkleed.

5. De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie, noch door beëindiging van de werkzaamheden van de betrokkene in de diensteenheid.

Artikel 22 Benadelingsbescherming

Onze Minister draagt er zorg voor dat werknemers die op een kandidatenlijst staan of hebben gestaan, die lid zijn of lid zijn geweest van een medezeggenschapscommissie of van een werkgroep, of die op andere wijze betrokken zijn of betrokken zijn geweest bij medezeggenschap, niet uit hoofde van hun kandidaatstelling, hun lidmaatschap of hun betrokkenheid worden benadeeld in hun positie als werknemer. Indien het hoofd van de diensteenheid aan een medezeggenschapscommissie een ambtelijk secretaris heeft toegevoegd, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing op de ambtelijk secretaris van die commissie.

Artikel 23 Kosten van de medezeggenschapscommissie

1. De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van een medezeggenschapscommissie en de werkgroepen van die commissies, komen ten laste van het hoofd van de diensteenheid.

2. Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid komen de kosten van het uitnodigen van een deskundige door de medezeggenschapscommissie of een werkgroep van die commissie alsmede de kosten van het voeren van rechtsgedingen door de medezeggenschapscommissie slechts ten laste van het hoofd van de diensteenheid indien het hoofd van de diensteenheid van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld. De eerste volzin is niet van toepassing wanneer uitvoering is gegeven aan het derde lid.

3. Het hoofd van de diensteenheid kan in overeenstemming met de medezeggenschapscommissie de kosten die een medezeggenschapscommissie en de werkgroepen van die commissies in enig jaar maakt, voor zover deze geen verband houden met het bepaalde in artikel 19 en 20, een vast budget vaststellen dat de medezeggenschapscommissie naar eigen inzicht kan besteden. Kosten waardoor het hier bedoelde bedrag zou worden overschreden, komen slechts ten laste van het hoofd van de diensteenheid voor zover hij in het dragen daarvan toestemt.

Hoofdstuk 4 Overleg

Artikel 24 De overlegvergadering

1. Het hoofd van de diensteenheid of de door deze bevoegd verklaarde functionaris voert het overleg met de medezeggenschapscommissie in de overlegvergadering.

2. Het hoofd van de diensteenheid of de door deze aangewezen functionaris is voorzitter van de overlegvergadering, tenzij het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie tezamen een andere regeling treffen. De voorzitter van de overlegvergadering kan zich tijdens de overlegvergaderingen laten bijstaan door één of meer daartoe aangewezen functionarissen.

3. Het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie kunnen voor de behandeling van een bepaald onderwerp één of meer deskundigen uitnodigen een vergadering bij te wonen.

4. Het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie komen voor overleg bijeen binnen twee weken nadat het hoofd van de diensteenheid of de medezeggenschapscommissie daarom onder opgave van redenen heeft verzocht.

Artikel 25 Onderwerp van overleg

1. In de overlegvergadering worden met uitzondering van individuele personeelszaken aangelegenheden aan de orde gesteld die de diensteenheid betreffen en waarvan het hoofd van de diensteenheid of de medezeggenschapscommissie behandeling wenselijk acht of waarover volgens dit besluit overleg plaatsvindt.

2. De vaststelling van de taken van het ministerie en delen daarvan, het beleid ten aanzien van die taken en de uitvoering van die taken zijn geen onderwerp van overleg, behoudens voor zover het de gevolgen daarvan betreft voor de werkzaamheden van de werknemers.

3. Ten minste tweemaal per jaar wordt in een overlegvergadering de algemene gang van zaken bij de diensteenheid besproken.

Artikel 26 Gang van zaken overlegvergadering

1. Het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie maken gezamenlijk afspraken over de overlegvergadering. Deze afspraken hebben onder meer betrekking op:

  1. het aantal overlegvergaderingen per jaar, waarbij wordt uitgegaan van ten minste 4 vergaderingen;
  2. de wijze van bijeenroepen van overlegvergaderingen;
  3. de werkzaamheden en de vervulling van het secretariaat van de overlegvergadering;
  4. het opstellen van de agenda van de overlegvergadering en het bekendmaken daarvan aan de bij de diensteenheid werkzame werknemers;
  5. de verslaggeving van de overlegvergaderingen, de wijze waarop de afschriften van de verslagen van de overlegvergaderingen worden verspreid en de wijze waarop van het besprokene aan de bij de diensteenheid werkzame werknemers verslag wordt gedaan;
  6. het aantal deelnemers dat aanwezig moet zijn bij een overlegvergadering;
  7. het schorsen van de vergadering voor afzonderlijk beraad over een bepaald punt.

2. Voor zover er in de overlegvergadering verschillende standpunten worden ingenomen, blijkt dit duidelijk uit de verslaglegging van de vergadering.

Hoofdstuk 5 Bevoegdheden

Artikel 27 Initiatiefrecht

1. De medezeggenschapscommissie kan het hoofd van de diensteenheid schriftelijk voorstellen doen ten aanzien van de onderwerpen, bedoeld in artikel 25, eerste lid, voor zover het hoofd van de diensteenheid bevoegd is daarover maatregelen te treffen.

2. Het hoofd van de diensteenheid beslist over een voorstel als bedoeld in het eerste lid nadat daarover ten minste éénmaal overleg is gepleegd met de medezeggenschapscommissie. Na het overleg deelt het hoofd van de diensteenheid zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd aan de commissie mee of en in hoeverre hij overeenkomstig het voorstel zal beslissen.

Artikel 28 Informatierecht

1. Het hoofd van de diensteenheid verstrekt, desgevraagd schriftelijk, tijdig alle inlichtingen en gegevens, waaronder de achtergronden, motieven en afwegingen van maatregelen die de diensteenheid raken, indien de medezeggenschapscommissie deze redelijkerwijs nodig heeft voor het vervullen van haar taak.

2. Het hoofd van de diensteenheid verstrekt mede ten behoeve van het in artikel 25, derde lid, bedoelde overleg ten minste tweemaal per jaar schriftelijk algemene gegevens over het functioneren van de diensteenheid in het verstreken tijdvak en het verwachte functioneren in het komende tijdvak. Het hoofd van de diensteenheid doet in dit kader mededeling over maatregelen die hij in voorbereiding heeft betreffende de aangelegenheden, bedoeld in artikel 29, eerste lid. Daarbij worden afspraken gemaakt over het tijdstip waarop en op welke wijze de medezeggenschapscommissie in de besluitvorming wordt betrokken.

3. Het hoofd van de diensteenheid verstrekt bij het begin van de zittingsperiode van de medezeggenschapscommissie schriftelijk algemene gegevens over de organisatie van de diensteenheid, over de leiding van de diensteenheid en over de wijze van functioneren van de diensteenheid aan de medezeggenschapscommissie.

Artikel 29 Voorgenomen maatregelen

1. Het hoofd van de diensteenheid stelt de medezeggenschapscommissie in de gelegenheid binnen een redelijke termijn advies uit te brengen over een voorgenomen maatregel met betrekking tot:

  1. de wijze waarop de arbeids-en dienstvoorwaarden bij de diensteenheid worden toegepast;
  2. de wijze waarop het algemeen personeelsbeleid bij de diensteenheid wordt uitgevoerd;
  3. aangelegenheden op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid bij de diensteenheid;
  4. aangelegenheden met betrekking tot het woon-en leefklimaat bij de diensteenheid;
  5. de organisatie en werkwijze binnen de diensteenheid;
  6. de technische en economische dienstuitvoering bij de diensteenheid.

2. De medezeggenschapscommissie brengt geen advies uit over:

  1. voorgenomen maatregelen voor zover die strekken tot het verzekeren van de personele vulling, de beschikbaarheid, de inzetbaarheid en het ongestoorde functioneren van de krijgsmacht;
  2. aangelegenheden waarvan de behandeling is voorbehouden aan het overleg met de sectorcommissie Defensie, behoudens voor zover het de gevolgen daarvan betreft voor de werkzaamheden van de bij de diensteenheid werkzame werknemers.

3. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de voorgenomen maatregel. Daarbij worden de beweegredenen voor de maatregel en de te verwachten gevolgen aangegeven.

4. Voordat de commissie advies uitbrengt over een voorgenomen maatregel wordt de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal in een overlegvergadering behandeld.

5. Bij het overleg over een voorgenomen maatregel als bedoeld in het eerste lid, is, als de maatregel uitsluitend gevolgen kan hebben voor militaire ambtenaren of voor ambtenaren, de opvatting van de leden van de medezeggenschapscommissie die tot de desbetreffende categorie personeel behoren bepalend voor het uit te brengen advies.

Artikel 30 Behandeling van het advies

1. Als het hoofd van de diensteenheid bevoegd is de in artikel 29, eerste lid, genoemde maatregel te treffen, deelt hij de medezeggenschapscommissie binnen vier weken nadat de commissie het advies heeft uitgebracht schriftelijk en gemotiveerd mee of hij zich met het advies kan verenigen.

2. Als het hoofd van de diensteenheid niet bevoegd is de in artikel 29, eerste lid, genoemde maatregel te treffen, zendt hij het advies van de medezeggenschapscommissie zo spoedig mogelijk aan het bevoegde gezag. Binnen zes weken nadat het advies door de commissie is uitgebracht deelt het hoofd van de diensteenheid schriftelijk en gemotiveerd mee of het bevoegde gezag zich met het advies kan verenigen.

3. Binnen vier weken nadat het hoofd van de diensteenheid heeft meegedeeld dat hij of het bevoegd gezag zich niet met het advies van de medezeggenschapscommissie kan verenigen, vindt tussen het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie hernieuwd overleg plaats.

Artikel 31 Overeenstemmingsvereiste

Een voorgenomen maatregel als bedoeld in artikel 29, eerste lid wordt niet uitgevoerd als uit het advies van de medezeggenschapscommissie en uit de mededeling van het hoofd van de diensteenheid, bedoeld in artikel 30, eerste of tweede lid, dan wel na het hernieuwd overleg, bedoeld in artikel 30, derde lid, blijkt dat over de voorgenomen maatregel geen overeenstemming is bereikt.

Artikel 32 Overige bevoegdheden

1. De medezeggenschapscommissie bevordert zo veel mogelijk het werkoverleg bij de diensteenheid.

2. De medezeggenschapscommissie bevordert zoveel mogelijk de naleving van de voorschriften op het gebied van de arbeidsvoorwaarden en van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid van de bij de diensteenheid werkzame werknemers.

3. De medezeggenschapscommissie waakt tegen elke vorm van ongewenst gedrag bij de diensteenheid, bevordert de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de diensteenheid en bevordert de inschakeling van gehandicapten en minderheden bij de diensteenheid.

Hoofdstuk 6 Geschillenregeling

Artikel 33 College voor geschillen

1. Er is een college voor geschillen dat bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangend leden. Onze Minister benoemt de leden voor een periode van vier jaar. Eén lid en een plaatsvervangend lid worden op voordracht van de secretaris-generaal benoemd en één lid en een plaatsvervangend lid op voordracht van de centrales. Het derde lid, dat tevens voorzitter is, en een plaatsvervangend lid worden benoemd door Onze Minister, gehoord de overige twee leden.

2. De leden en de plaatsvervangende leden treden om de vier jaar gelijktijdig af en kunnen terstond opnieuw worden benoemd. Degene die tot lid of tot plaatsvervangend lid van het college voor geschillen is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.

3. De voorzitter, de leden en de plaatsvervangend leden maken geen deel uit van het ministerie van Defensie en zijn niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister.

4. Het college voor geschillen regelt zijn werkwijze binnen het kader van de hem op grond van dit hoofdstuk opgedragen taak. Indien naar het oordeel van Onze Minister daartoe aanleiding is, brengt het college voor geschillen verslag uit van zijn werkzaamheden.

Artikel 34 Competenties college voor geschillen

1. Het college voor geschillen neemt kennis van de volgende geschillen:

  1. over een aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 9, tweede lid, 13, tweede lid, 16, eerste lid, 19, eerste lid, 20, eerste, tweede en vijfde lid, 21, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, 26, eerste lid, 27, tweede lid, of 28, eerste lid van dit besluit;
  2. over een voorgenomen maatregel als bedoeld in artikel 29, eerste lid indien naar aanleiding van het hernieuwde overleg als bedoeld in artikel 30, derde lid, niet alsnog overeenstemming wordt bereikt;
  3. over een verschil van mening met betrekking tot de interpretatie van dit besluit of van het reglement;
  4. over de kandidaatstelling voor en de verkiezing van de leden van medezeggenschapscommissie.

2. Het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie zijn beiden bevoegd om de in het eerste lid, onder a, b en c bedoelde geschillen met toelichting van de wederzijdse standpunten rechtstreeks voor te leggen aan het college voor geschillen. Voor de geschillen bedoeld in het eerste lid, onder d, is iedere belanghebbende bevoegd om deze met toelichting van zijn standpunt rechtstreeks voor te leggen aan het college voor geschillen.

3. Over de geschillen bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan aan het hoofd defensieonderdeel.

Artikel 35 Beslissing

1. Het hoofd defensieonderdeel neemt geen beslissing inzake een geschil als bedoeld in artikel 34, eerste lid voordat het advies van het college voor geschillen is ontvangen.

2. Het hoofd defensieonderdeel neemt binnen vier weken nadat het advies van het college voor geschillen is ontvangen een beslissing.

3. Indien een in de artikelen 5 of 6 bedoelde medezeggenschapscommissie partij is in het geschil wordt in het eerste en het tweede lid voor «het hoofd defensieonderdeel» telkenmale gelezen: de secretarisgeneraal.

Artikel 36 Spoedprocedure

1. Het hoofd van de diensteenheid en de medezeggenschapscommissie kunnen een geschil als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, b en c van dit besluit in een spoedprocedure brengen indien sprake is van een spoedeisend belang. Iedere belanghebbende kan een geschil als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder d, van dit besluit in een spoedprocedure brengen indien sprake is van een spoedeisend belang.

2. Het geschil, bedoeld in het eerste lid, wordt voorgelegd aan de voorzitter van het college voor geschillen. De voorzitter of een door de voorzitter aan te wijzen lid van het college brengt binnen twee weken nadat om advies is gevraagd, advies uit.

3. Het hoofd defensieonderdeel neemt binnen één week nadat hij het advies van het behandelend lid van het college voor geschillen heeft ontvangen een voorlopige beslissing. Indien de medezeggenschapscommissie geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verdere behandeling van het geschil, bedoeld in het vierde lid, wordt de beslissing in de vorige volzin definitief.

4. Indien de medezeggenschapscommissie naar aanleiding van de voorlopige beslissing behoefte heeft aan verdere behandeling van het geschil dan informeert zij daarover binnen twee weken het hoofd defensieonderdeel. Het hoofd defensieonderdeel legt het geschil en alle daarop betrekking hebbende stukken voor aan het college voor geschillen met het verzoek hem van advies te dienen.

5. Indien een in de artikelen 5 of 6 bedoelde medezeggenschapscommissie partij is in het geschil wordt in het derde en het vierde lid voor «het hoofd defensieonderdeel» telkenmale gelezen: de secretarisgeneraal.

Artikel 37 Advies van het college voor geschillen

1. Geschillen waarover het college voor geschillen op grond van dit besluit advies uitbrengt, worden zo snel mogelijk aan het college voorgelegd.

2. Het college voor geschillen tracht een minnelijke schikking tussen de bij het geschil betrokken partijen tot stand te brengen.

3. Indien geen minnelijke schikking wordt bereikt, adviseert het college voor geschillen het hoofd defensieonderdeel of de secretaris-generaal indien een in de artikelen 5 of 6 bedoelde medezeggenschapscommissie partij is in het geschil, over de vraag of de betrokken partijen hebben gehandeld in strijd met dit besluit of met het reglement en of het voorgenomen besluit in redelijkheid is genomen.

4. Het college voor geschillen kan alle inlichtingen en gegevens inwinnen die het voor het opstellen van het advies nodig acht.

5. Het college voor geschillen kan, al dan niet op verzoek, alle personen horen die het voor het opstellen van het advies nodig acht.

6. Het college voor geschillen brengt binnen vier weken nadat het om advies is gevraagd, advies uit.

Hoofdstuk 7 Overgangs-en slotbepalingen

Artikel 38 Intrekking

Het Besluit medezeggenschap Defensie wordt ingetrokken.

Artikel 39 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2008.

Artikel 40 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit medezeggenschap Defensie 2008.