Militaire ambtenarenwet 1931

Wet van 19 december 1931, Stb. 519, zoals deze is gewijzigd en/of aangevuld bij de wetten van:

Vastst./Wijz datum  Staatsbladnummer  Wijz. t.a.v.  Inwerkingtr. datum
31-12-37 501  Art. 5 en 14
08-04-71 231  Toevoeging 4e lid art. 1
02-06-76 321  Art. 5
20-11-85 617  Art. 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 12
18-12-85 685  01-01-86
11-02-88 77  Art. 13, 1e lid  
20-04-88 288  Art. 1, 5, 12 t/m 12g 02-11-88
14-07-90 369  Art. 3, 9 en 10 01-01-91
29-08-91 478  Art. 2 en 3 01-01-91
03-06-92 278  Art. 4, 5 en 5a 01-07-92
16-12-93 650  Art. 2, 3, 4, 5, 6, 9, 11, 14 en 15, art. 13 (vv) 01-01-94
09-03-95 184  Art. 12 12-04-95
26-04-95 250 Art. 5, 1e lid en 14 (v.v.) 17-07-95
20-12-95 704 Art. 5b (nw) 01-01-96
10-10-96 525 Art. 12g 01-02-97
13-03-97 139 Art. 1 en 12a 01-01-97
21-05-97 224 Art. 12 13-06-97
06-11-97 510 Art. 2 (vv), 3, 9 en 12e (iwt. stb. 581) 01-01-98
12-05-99 214 Titel II en art 9 (iwt. stb. 241) 01-07-99
06-12-01 584 Art. 5 (iwt. stb. 621) 01-01-02
23-01-03 60 Art.12 en 12a 01-05-03
09-09-04 493 Art.12 01-01-05
03-02-05 71 Art. 9 (iwt. stb. 116) 15-03-05
22-12-05 695 Art. 12, 12bis (nw), 12ter (nw)en 12 quater (nw) 01-03-06

 

22-12-05 2006/24 art. 5 01-02-06
08-11-07 480 Art. 1, 5, 12quinquies (nw), 12d, 12h-12m (nw) 01-01-08
-- -- Art. 1b (nw) 01-05-09
18-12-08 2009, 42 Art. 1a (nw) 01-05-09
11-12-08 2009, 8 Art. 5 en 5a  
    (Inwerkingtreding: Stb 2010, 225) 01-07-10
06-06-11 292 Artikel 12 23-06-11
30-03-12 133 (Nw) Artikel 12n 28-06-14
27-12-12 682 Art. 4 (vv) 01-01-13

Titel I Algemene bepaling

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. militaire ambtenaren:
zij, die zijn aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht of bij het reservepersoneel van de krijgsmacht om in militaire openbare dienst werkzaam te zijn,

b. werkelijke dienst:de tijd gedurende welke de militair ambtenaar
1. is aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht en hij niet op non-activiteit is gesteld en hem geen buitengewoon verlof van lange duur is verleend;
2. is aangesteld bij het reservepersoneel van de krijgsmacht en hij als zodanig feitelijk onder de wapenen is,

c. buitengewone omstandigheden:een uitzonderingstoestand als bedoeld in artikel 1 van de Co÷rdinatiewet uitzonderingstoestanden dan wel andere omstandigheden die naar het oordeel van Onze Minister toepassing van buitengewone bevoegdheden op grond van deze wet noodzakelijk maken,

d. Onze Minister: Onze Minister van Defensie,

e. militaire gezondheidszorg:het geheel aan maatregelen, voorzieningen en verstrekkingen verleend door of vanwege de militair geneeskundige dienst ten behoeve van het behoud, herstel en bevordering van de gezondheid en inzetbaarheid van de militair,

f. militair geneeskundige dienst:het geheel van instanties en eenheden binnen de krijgsmacht, belast met het verlenen van militaire gezondheidszorg,

g. ge´ntegreerde gezondheidszorg:het samenhangend stelsel van preventieve, curatieve met inbegrip van huisartsgeneeskundige, bepaalde bedrijfsgeneeskundige en operationeel geneeskundige activiteiten verricht door een eerstelijns medisch zorgteam voor het verlenen van militaire gezondheidszorg,

h. algemeen militair arts (AMA):een tot de militair geneeskundige dienst behorende militaire arts, opgeleid tot of in staat geacht tot het toepassen van de basiskennis en -vaardigheden van de ge´ntegreerde gezondheidszorg, opgenomen in het register van algemeen militaire artsen,

i. medisch zorgteam:een functioneel team, bestaande uit ÚÚn of meer algemeen militaire artsen, tenminste ÚÚn geregistreerd huisarts en ÚÚn geregistreerd bedrijfsarts van de militair geneeskundige dienst, belast met het verlenen van ge´ntegreerde gezondheidszorg aan de aan dit team toegewezen militairen,

j. ge´ntegreerd militair geneeskundig dossier:het geheel aan eerstelijns geneeskundige gegevens omtrent een militair ten behoeve van het verlenen van ge´ntegreerde gezondheidszorg door een medisch zorgteam.

2. In deze wet wordt, voorzover hun belang daarmee is gemoeid of dit uit de vroegere rechtsbetrekking volgt, mede verstaan onder militaire ambtenaren: gewezen militaire ambtenaren.

Artikel 1a

1. Tot militair ambtenaar kunnen worden aangesteld zij die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.

2. Zij die de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt kunnen met schriftelijke instemming van hun wettelijke vertegenwoordigers worden aangesteld als aspirant-militair ambtenaar.

3. Aan aspirant-militaire ambtenaren wordt geen functie toegewezen. Zij worden niet ingezet in buitengewone omstandigheden, voor vredes- of
humanitaire operaties of voor enige vorm van gewapende dienst.

4. De periode van aanstelling als aspirant-militair ambtenaar maakt in zijn geheel deel uit van de proeftijd voor een aanstelling als militair ambtenaar.

5. Een aanstelling als aspirant-militair ambtenaar gaat over in een aanstelling als militair ambtenaar als de aspirant-militair ambtenaar daarmee na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar schriftelijk instemt.

Artikel 1b

Voor zover dit met het oog op de goede uitvoering van de operationele taken van krijgsmacht noodzakelijk is, kan Onze Minister in buitengewone omstandigheden afwijken van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald.

Titel II Bezwaar, beroep en klachtrecht

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3

1. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepsschrift dertien weken, indien de belanghebbbende zich om redenen van dienst buiten Nederland bevindt.

2. In afwijking van artikel 8:55, eerst lid, derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een verzetschrift dertien weken, indien de belanghebbende zich om redenen van dienst buiten Nederland bevindt.

3. In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de beslistermijn zes maanden, indien een of meer belanghebbenden, getuigen of deskundigen zich om redenen van dienst buiten Nederland bevinden.

4. Indien dringende redenen van operationele aard verhinderen dat binnen de in het derde lid bedoelde termijn wordt beslist, kan deze termijn ten hoogste twee keer met drie maanden worden verlengd.

Artikel 4

[vervallen bij Stb. 2012, 682]

Artikel 5

1. De eerste volzin van artikel 54, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van overeenkomstige toepassing indien beroep is ingesteld door nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden.

2. Tot militair lid zijn alleen benoembaar zij die Nederlander en militair ambtenaar of eervol ontslagen militair ambtenaar zijn.

3. Zij mogen niet:

  1. sedert meer dan zes jaar uit de militaire dienst zijn ontslagen;
  2. deel uitmaken van het bestuur of in dienst zijn van een vereniging van militairen. Onder vereniging van militairen is voor de toepassing van deze bepaling een verband van verenigingen en een onderdeel van een vereniging begrepen.

4. Een militair lid wordt door Onze Minister benoemd voor de tijd van vier jaren. Het lid is bij zijn aftreden eenmaal herbenoembaar. Op zijn verzoek wordt het lid door Onze Minister ontslag verleend.

5. In geval van gelijktijdige benoeming geldt als oudstbenoemde het lid wiens naam in het benoemingsbesluit het eerst is vermeld en zo vervolgens. Heeft de benoeming plaats gehad bij verschillende besluiten van gelijke datum, dan wordt het laagst genummerde besluit geacht het eerst te zijn genomen en zo vervolgens.

6. Ten aanzien van een militair lid zijn van de artikelen 46c, 46d, 46e, 46f, 46g, eerste tot en met het vierde lid, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 46j onderscheidenlijk artikel 46o, tweede lid, onder functionele autoriteit wordt verstaan: bestuur onderscheidenlijk president van het gerecht, 46i, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, 46m, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat mede ontslag wordt verleend:

  1. bij ontslag, anders dan eervol, uit de militaire dienst, of
  2. bij ontslag uit de militaire dienst ter zake van onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan uit hoofde van een ziekte of een gebrek, en dat mede schorsing plaats heeft indien het militaire lid in zijn militaire ambt is geschorst.

Artikel 5a

Artikel 66, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een militair lid.

Artikel 5b

Aan de militaire leden wordt een vergoeding toegekend met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de rechters-plaatsvervangers.

Artikel 6

In afwijking van artikel 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank ook aan de commandant van de bodem waarop of het korps of de inrichting waarbij de betrokken militaire ambtenaar dient of heeft gediend, opdragen het vooronderzoek of een gedeelte daarvan te verrichten.

Artikel 7

Indien tijdens de behandeling van een beroep blijkt, dat een samenhangend strafrechtelijk onderzoek of een tuchtproces ingevolge de Wet militair tuchtrecht aanhangig is, wordt de behandeling, tenzij het beroep tegen een voorlopige voorziening is gericht, tot na afloop van dat onderzoek of tuchtproces geschorst.

Artikel 8

Een uitspraak van de strafrechter, in kracht van gewijsde gegaan, of ingevolge de Wet militair tuchtrecht in beroep gewezen, waarbij de militaire ambtenaar aan enig feit is schuldig verklaard, geldt in een militaire ambtenarenzaak als bewijs van dat feit.

Artikel 9

1. De militaire ambtenaar die zich bezwaard voelt over een van een militaire meerdere als bedoeld in artikel 67 van het Wetboek van Militair Strafrecht ontvangen bevel, dan wel meent van een zodanige meerdere een krenkende of onbillijke behandeling te hebben ondervonden, kan daarover in afwijking van artikel 9:8, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken schriftelijk een met redenen omklede klacht indienen bij de tot straffen bevoegde militaire meerdere, bedoeld in artikel 49 van de Wet militair tuchtrecht onder wiens rechtstreeks bevel degene, tegen wie de klacht is gericht, is gesteld dan wel bij een door Onze Minister aangewezen functionaris.

2. Geen klacht kan worden ingediend over besluiten of handelingen ter uitvoering van de Wet militair tuchtrecht.

3. Op de behandeling van de klacht zijn de afdelingen 9.1.2 en 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van artikel 9:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de klacht binnen twaalf weken wordt afgehandeld indien de klager dan wel de militaire meerdere tegen wie het klaagschrift is gericht dan wel getuigen zich om redenen van dienst buiten Nederland bevinden.

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 10

Titel II van de Ambtenarenwet 1929 vindt op de militaire ambtenaren overeenkomstige toepassing.

Titel III Van middelen tot bewaring en verwerkelijking van recht

Artikel 11

Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen inzake functietoewijzing, bevordering en aanwijzing voor het volgen van een opleiding.

Titel IV Bepalingen van materieel recht

Artikel 12

Voor zover deze onderwerpen niet reeds bij of krachtens de wet zijn geregeld worden voor de militaire ambtenaren bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld betreffende:

  1. aanstelling;
  2. het onderzoek naar de geschiktheid en bekwaamheid;
  3. opleiding;
  4. bevordering;
  5. schorsing;
  6. ontslag;
  7. diensttijden;
  8. verlof;
  9. gezondheidszorg;
  10. bescherming bij de arbeid;
  11. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;
  12. medezeggenschap;
  13. bezoldiging en overige militaire inkomsten;
  14. wachtgeld;
  15. overige rechten en verplichtingen;
  16. de wijze, waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel, overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van militaire ambtenaren, alsmede de gevallen waarin overeenstemming in dat overleg dient te worden bereikt;
  17. de gevallen waarin berichten inzake de rechtspositie van de ambtenaar in afwijking van artikel 2:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend elektronisch verzonden behoeven te worden en de voorwaarden die daarbij in acht worden genomen.

Artikel 12bis

Het bevoegd gezag en de militaire ambtenaar zijn verplicht zich als een goed werkgever en een goed militair ambtenaar te gedragen.

Artikel 12ter

1. Onze Minister voert een integriteitsbeleid dat is gericht op het bevorderen van goed ambtelijk handelen en dat in ieder geval aandacht besteedt aan het bevorderen van integriteitsbewustzijn en aan het voorkomen van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en discriminatie.

2. Onze Minister zorgt ervoor dat het integriteitsbeleid een vast onderdeel uitmaakt van het personeelsbeleid in ieder geval door integriteit in functioneringsgesprekken en werkoverleg aan de orde te stellen en door het aanbieden van scholing en vorming op het gebied van integriteit.

3. Onze Minister draagt zorg voor de totstandkoming van een gedragscode voor goed ambtelijk handelen. 4. Onze Minister stelt in overeenstemming met de Tweede Kamer vast op welke wijze jaarlijks verantwoording wordt afgelegd over het gevoerde integriteitsbeleid en over de naleving van de gedragscode.

Artikel 12quater

1. Voor zover deze onderwerpen niet bij of krachtens de wet zijn geregeld, worden voor de militaire ambtenaren bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld betreffende:

  1. de verplichte aflegging van de eed of belofte door de militaire ambtenaar bij zijn aanstelling;
  2. de melding en de registratie van nevenwerkzaamheden die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken;
  3. de openbaarmaking van krachtens onderdeel b geregistreerde nevenwerkzaamheden van militaire ambtenaren in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is;
  4. het verbieden van nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd;
  5. de melding van financiŰle belangen respectievelijk van het bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken voor militaire ambtenaren aangesteld in een functie waaraan in het bijzonder het risico van financiŰle belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is;
  6. een procedure voor het omgaan met bij een militaire ambtenaar levende vermoedens van misstanden binnen de organisatie waar hij werkzaam is.

2. De militaire ambtenaar die te goeder trouw de bij hem levende vermoedens van misstanden meldt volgens de procedure, bedoeld in het eerste lid onder f, zal als gevolg van het melden van die vermoedens geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden tijdens en na het volgen van die procedure.

Artikel 12quinquies

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten behoeve van het reguleren van de instroom, doorstroom en uitstroom van militair personeel regels gesteld met betrekking tot:

  1. maximum leeftijden voor een aanstelling als militair ambtenaar en voor functietoewijzing;
  2. het maximum aantal jaren dat een militair ambtenaar in een rang mag dienen;
  3. het maximum aantal militaire ambtenaren dat een bepaalde rang mag bekleden;
  4. het verlenen van ontslag aan militaire ambtenaren wegens het bereiken of overschrijden van een voor de individueleindividuele militair te bepalen leeftijd, gelegen vˇˇr de leeftijd van vijfenzestig jaar.

Artikel 12a

1. De militair ambtenaar dient zich te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens dan wel de uitoefening van het recht tot vereniging, tot vergadering of betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

2. Het eerste lid is, voor wat betreft het recht van vereniging, niet van toepassing op het lidmaatschap van:

  1. een politieke groepering waarvan de naam of aanduiding is ingeschreven overeenkomstig de artikelen G1 of G2 van de Kieswet;
  2. een politieke groepering waarvan de naam of aanduiding is ingeschreven overeenkomstig artikel G3 van de Kieswet, en die, indien na de inschrijving verkiezingen zijn gehouden voor gemeenteraden, aan de laatst gehouden verkiezingen heeft deelgenomen, of
  3. een vakvereniging.

3. De militaire ambtenaar is verplicht tot geheimhouding van enig gegeven, de dienst betreffende, tegenover een ieder die tot kennisneming daarvan niet bevoegd is, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt.

Artikel 12b

De militair ambtenaar is niet gehouden tot dienstverrichting op voor hem op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt.

Artikel 12c

1. Een militair ambtenaar, die een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, gezien de omvang van de daaruit voortvloeiende werkzaamheden niet gelijktijdig kan vervullen met zijn functie, wordt in verband daarmee op non-aktiviteit gesteld, tenzij de belangen van de dienst vorderen dat zulks niet geschiedt. Betreffende het doorbetalen van bezoldiging kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld.

2. Indien de militaire ambtenaar in verband met een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, niet op non-aktiviteit is gesteld, wordt hem voor het bijwonen van vergaderingen en zittingen van dit college en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van dit college buitengewoon verlof verleend, tenzij de belangen van de dienst vorderen dat het verlof niet wordt verleend. Betreffende het doorbetalen van bezoldiging kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld.

Artikel 12d

1. De militaire ambtenaar is verplicht zich tijdens het verblijf in een gebouw, luchtvaartuig of voertuig alsmede op een vaartuig of terrein, dat in gebruik is bij of ten behoeve van de krijgsmacht of dat de militaire ambtenaar tot verblijf of gebruik dient bij de vervulling van zijn taak in internationaal verband, te onderwerpen aan een in belang van de dienst door het bevoegd gezag gelast onderzoek aan zijn lichaam of zijn kleding of van zijn daar aanwezige goederen.

2. De militair ambtenaar is verplicht, indien dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid of van een goede vervulling van de taak van de krijgsmacht, zich te onderwerpen aan een onderzoek van zijn urine of adem.

3. Het in het tweede lid bedoelde onderzoek dient uitsluitend ter vaststelling van:

  1. de aanwezigheid van gedragsbe´nvloedende middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijsten I en II;
  2. voor de militair die dienst doet of behoort te doen: een alcoholgehalte van zijn adem van meer dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

4. Het bevoegd gezag, op wiens last het in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoek plaats heeft, neemt de nodige maatregelen ten einde daarbij een onredelijke of onbehoorlijke bejegening te voorkomen.

5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld met betrekking tot het in het tweede en derde lid bedoelde onderzoek. Deze regels betreffen in ieder geval de wijze waarop het onderzoek wordt verricht en het recht van de militair ambtenaar om:

  1. de uitslag van het onderzoek te vernemen;
  2. naar aanleiding van het onderzoek bedoeld in het derde lid onder a, een hernieuwd onderzoek van afgestane urine te laten plaatsvinden;
  3. naar aanleiding van het onderzoek bedoeld in het derde lid onder b, zijn bloed te laten onderzoeken op een alcoholgehalte van meer dan 0,5 milligram per milliliter bloed.

Artikel 12e

Het is de militaire ambtenaar in werkelijke dienst verboden, anders dan met toestemming of in opdracht van Onze Minister, te reizen naar dan wel te verblijven in:

  1. bij Koninklijk besluit aangewezen landen, waarin het verblijf door een militair ambtenaar in werkelijke dienst een bijzonder risico voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat of zijn bondgenoten kan opleveren;
  2. een land of een landsdeel waar feitelijk een gewapend conflict bestaat.

Artikel 12f

Een gewezen militair ambtenaar, die op het tijdstip van ingang van zijn eervol ontslag tenminste vijftien jaar tot het beroeps- of reserve-personeel heeft behoord, behoudt de status van militair ten zijnen aanzien van door Onze Minister te bepalen voorrechten, zulks tenzij hij van rechtswege is ontslagen of zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen. Bij de bepaling van de termijn van vijftien jaar telt de tijd mee, die betrokkene als dienstplichtige in werkelijke dienst heeft doorgebracht.

Artikel 12g

1. Voor de aanstelling als militair komt, tenzij bij of krachtens algemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald, slechts in aanmerking degene die Nederlander is.

2. Aan de militaire ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend, indien hij op grond van het bepaalde in artikel 5, derde lid, of artikel 10, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken uit een vertrouwensfunctie moet worden ontheven.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 12h

1. Aan de militair ambtenaar in werkelijke dienst wordt gezondheidszorg verleend door of vanwege de militair geneeskundige dienst. De militair ambtenaar in werkelijke dienst is gehouden zich tot het voor hem aangewezen medisch zorgteam te wenden ter verkrijging van gezondheidszorg. Indien zulks onmogelijk is, kan de militair zich wenden tot een ander onderdeel van de militair geneeskundige dienst of tot een civiele arts, waarvan hij vanwege de noodzaak tot voortdurend zicht op de inzetbaarheid mededeling doet aan het voor hem aangewezen zorgteam.

2. De militair in werkelijke dienst is verplicht de maatregelen in acht te nemen die door Onze Minister worden voorgeschreven ter bescherming van de gezondheid van de militair of die van anderen, zulks onverminderd de wettelijke mogelijkheden ten aanzien van bepaalde maatregelen van die verplichting te worden ontheven. De militair in werkelijke dienst is in geval van ziekte of gebrek verplicht zich te houden aan de voorschriften van de verantwoordelijk militair arts. Hij is evenwel niet verplicht zich te onderwerpen aan een ingreep van heelkundige aard of een andere kunstbewerking.

3. De militair in werkelijke dienst is verplicht zich te onderwerpen aan en zijn medewerking te verlenen aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek door of vanwege het voor hem aangewezen medisch zorgteam:

  1. indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van die werkzaamheden aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen;
  2. wanneer Onze Minister dit noodzakelijk acht in verband met toelating tot een opleiding, plaatsing in een andere functie, plaatsing bij bepaalde onderdelen of in bepaalde gebieden;
  3. indien door zijn commandant op goede gronden wordt verondersteld dat zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid een beletsel vormt om naar behoren dienst te verrichten;
  4. bij beŰindiging van het verblijf in werkelijke dienst.

4. De militair in werkelijke dienst is verplicht zich te onderwerpen en zijn medewerking te verlenen aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek indien Onze Minister op goede gronden van oordeel is, dat de militair:

  1. langdurig of blijvend ongeschikt is voor de vervulling de functie of de groep van functies waarvoor de militair is bestemd;
  2. blijvend ongeschikt is voor de vervulling van de militaire dienst.

Het in de eerste volzin bedoelde onderzoek wordt verricht door artsen die niet zijn belast met het verstrekken van gezondheidszorg als bedoeld in het eerste lid. Bij het onderzoek wordt alleen met toestemming van de militair gebruik gemaakt van gegevens uit het ge´ntegreerd militair geneeskundig dossier.

5. Ten behoeve van de gezondheidszorg maken de tot het medisch zorgteam behorende zorgverleners gebruik van de in het ge´ntegreerd militair geneeskundig dossier beschikbare medische gegevens en bescheiden.

6. Een daartoe aangewezen militaire arts van het medisch zorgteam adviseert na overleg met de militair de commandant desgevraagd dan wel op eigen initiatief en ongeacht de toestemming van de militair over diens inzetbaarheid. Daarbij wordt geen inhoudelijke geneeskundige informatie verstrekt.

7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en medische gegevens die de gezondheid van militairen betreffen door of ten behoeve van het medisch zorgteam en omtrent verplichtingen van militaire artsen en overig tot de militair geneeskundige dienst behorend personeel die het registreren, kennisnemen en overdragen van medische gegevens met betrekking tot de militair betreffen.

Artikel 12i

1. Het is de militair ambtenaar in werkelijke dienst niet toegestaan om deel te nemen aan een staking.

2. Het is de militair ambtenaar in werkelijke dienst toegestaan om deel te nemen aan andere vormen van collectieve actie tenzij deelname aan die collectieve actie de operationele inzet van de krijgsmacht kan verstoren of belemmeren.

3. Het is de ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet die is aangesteld bij het ministerie van Defensie toegestaan deel te nemen aan een staking of andere vormen van collectieve actie, tenzij de deelname aan die staking of collectieve actie de operationele inzet van de krijgsmacht kan verstoren of belemmeren.

Artikel 12j

1. De militair ambtenaar is gehouden tot het naar beste vermogen uitvoeren van de hem in het belang van de taakuitoefening van de krijgsmacht opgedragen werkzaamheden en diensten.

2. Hij kan in het belang van die taakuitoefening overal ter wereld worden ingezet.

3. De militair ambtenaar kan voor het verrichten van de hem opgedragen werkzaamheden worden gesteld onder een functionaris die niet behoort tot het militaire personeel van de krijgsmacht.

4. De militair ambtenaar in werkelijke dienst kan worden verplicht, wanneer naar het oordeel van Onze Minister het algemeen belang dit vordert, tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten dan die welke uit de militaire hoedanigheid voortvloeien. Hij kan echter niet worden verplicht werkzaamheden te verrichten in plaats van stakers of uitgeslotenen, tenzij het werkzaamheden betreft die naar het oordeel van Onze Minister geen uitstel gedogen.

5. Indien militairen worden verplicht tot het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in het vierde lid kan Onze Minister een militair ambtenaar in werkelijke dienst, die bestuurslid of kaderlid is van een vakorganisatie van overheidspersoneel, op diens aanvraag tijdelijk van deze verplichting ontheffen.

Artikel 12k

1. Aan een aanstelling als militair ambtenaar bij het beroepspersoneel is de verplichting verbonden om een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn, doch ten hoogste gedurende de initiŰle opleiding en aansluitend een periode van vier jaar, deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel.

2. In afwijking van het eerste lid is aan een aanstelling als militair ambtenaar met de bestemming

  1. tot het volgen van de meerjarige opleiding tot officier, de verplichting verbonden om gedurende de opleiding en aansluitend een periode van zeven jaar deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel;
  2. tot het volgen van een opleiding tot vlieger, de verplichting verbonden gedurende de opleiding en aansluitend een periode van tien jaar deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel.

3. Aan een aanwijzing, op aanvraag van een militair ambtenaar in werkelijke dienst, voor het volgen van een opleiding waarbij de militair ambtenaar wordt vrijgesteld van werkzaamheden en diensten als militair, kan door Onze Minister de verplichting worden verbonden om een periode van ten hoogste twee maal de periode dat hij is vrijgesteld deel te blijven uitmaken van het beroepspersoneel.

Artikel 12l

1. Aan een aanstelling als militair ambtenaar bij het reservepersoneel is de verplichting verbonden om gedurende de initiŰle opleiding en aansluitend een periode van vier jaar, deel te blijven uitmaken van het reservepersoneel.

2. Militaire ambtenaren, aangesteld bij het reservepersoneel, kunnen door Onze Minister worden opgeroepen om in werkelijke dienst te komen:

  1. voor de gevallen waarin en voor zo lang als zij daartoe bij hun aanstelling een verplichting op zich hebben genomen;
  2. in geval van buitengewone omstandigheden, zolang Onze Minister dit vanwege die buitengewone omstandigheden nodig oordeelt.

3. Onze Minister kan aan militaire ambtenaren, aangesteld bij het reservepersoneel, op hun aanvraag toestemming verlenen om buiten de tijd dat zij verplicht zijn tot werkelijke dienst, onbezoldigd in werkelijke dienst te komen of te blijven.

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het in werkelijke dienst oproepen of toestaan in werkelijke dienst te komen van reservepersoneel.

Artikel 12m

Een ontslagaanvraag van een militair ambtenaar kan worden afgewezen en een reeds verleend, doch nog niet ingegaan, ontslag kan worden ingetrokken of opgeschort:

  1. gedurende de tijd waarin naar het oordeel van Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad, het landsbelang wegens een bijzondere situatie vordert dat het ontslag niet wordt verleend;
  2. gedurende een periode waarin op de militair ambtenaar de verplichting rust om te blijven behoren tot het beroepspersoneel of het reservepersoneel;
  3. Indien de beoogde datum van ingang van het ontslag valt binnen de tijd dat de militair ambtenaar deelneemt aan een inzet buiten Nederland in het kader van internationale overeenkomsten of andere verplichtingen die door Nederland zijn aangegaan, of binnen een periode van drie maanden voorafgaande aan de vermoedelijke datum van uitzending.
  4. Indien onze Minister overweegt de militair ambtenaar te ontslaan om een reden die aanleiding geeft tot ontslag zonder het predikaat źeervol╗;
  5. in buitengewone omstandigheden.

Artikel 12n (Nog niet in werking!)

Een ontslag van een militair die is ingezet als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Veteranenwet gaat niet eerder in dan nadat ten minste drie maanden zijn verstreken na de dag waarop de militair is teruggekeerd van de inzet, tenzij de militair uitdrukkelijk anders verzoekt.

Titel V Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13

Vervallen.

Paragraaf 1 Overgangsbepaling

Artikel 14

Vervallen.

Paragraaf 2 Slotbepalingen

Artikel 15

Vervallen.

Artikel 16

De artikelen van deze wet treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen verschillend kan worden gesteld. (1 maart 1933)

Artikel 17

Deze wet kan worden aangehaald als "Militaire Ambtenarenwet" met bijvoeging van het jaartal van het Staatsblad, waarin zij wordt afgekondigd.