Aanwijzing inzake gewetensbezwaren militaire dienst

Vastst./Wijz datum  Bron  Nummer  Wijz. t.a.v.  Inwerkingtr. datum
01-09-92 DDPL  PD 92/021/278 01-09-92
01-01-94 DDPL  Art. 3.1  01-01-94

A. Algemeen

1. Wanneer zich een militair aandient met (gewetens)bezwaren wordt deze door of namens de commandant gewezen op de Wet gewetensbezwaren militaire dienst , meer in het bijzonder op de hierna geciteerde artikelen 2 en 3 van de Wet.

2. Basis voor mogelijke toepassing van de Wet vormen de artikelen 2 en 3:

Artikel 2.

Ernstige gewetensbezwaren in de zin van deze wet zijn de onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de persoonlijke vervulling van militaire dienst in verband met het gebruik van middelen van geweld waarbij men door dienstvervulling in de Nederlandse krijgsmacht kan worden betrokken.

Artikel 3.1.

Hij, die in kennis is gesteld van zijn geschiktheid voor de militaire dienst, zomede de militair, kan Onze Minister van Defensie verzoeken zijn bezwaren als ernstige gewetensbezwaren te erkennen.

Artikel 3.2.

Onze Minister van Defensie doet een onderzoek instellen naar de vraag of de bezwaren zijn aan te merken als ernstige gewetensbezwaren. Onze Minister van Defensie kan het inwinnen van een advies achterwege laten, indien het een hernieuwd verzoek betreft.

3. Met betrekking tot het verblijf in werkelijke dienst van een bezwaarde is in de Wet en in het Besluit gewetensbezwaren militaire dienst het volgende bepaald:

Artikel 4.1. (Wet)

Hij, die een verzoek als bedoeld in artikel 3 heeft gedaan, kan door Onze Minister van Defensie, in afwachting van een beslissing daarop geheel of gedeeltelijk van dienstverrichtingen worden vrijgesteld.

Artikel 2. (Besluit)

Tenzij Onze Minister van Defensie anders bepaalt, wordt aan de verzoeker die vóór zijn opkomst in militaire dienst, of binnen dertig dagen daarna, een verzoek tot erkenning van zijn bezwaren als ernstige gewetensbezwaren heeft gedaan, in afwachting van onherroepelijke beslissing op het verzoek uitstel verleend van de militaire verplichtingen.

4. Voorts geeft de Wet een regeling omtrent de behandeling van strafbare feiten die mogelijk zijn gepleegd als gevolg van aanwezige gewetensbezwaren:

Artikel 4.2.

Ingeval tegen een persoon, die een verzoek heeft gedaan als bedoeld in artikel 3, een strafvervolging aanhangig is wegens overtreding van artikel 139 van het Wetboek van Militair Strafrecht, wegens ongehoorzaamheid aan enig dienstbevel of dienstvoorschrift, dan wel wegens overtreding van artikel 45 der Dienstplichtwet, kan deze strafvervolging in afwachting van een beslissing op dat verzoek worden geschorst.

Artikel 4.3.

De schorsing van de strafvervolging, bedoeld in het tweede lid, vindt in ieder geval plaats, zodra het onderzoek als bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt ingesteld.

Artikel 10

Het recht tot strafvordering ter zake van een delict, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, vervalt, zodra de gewetensbezwaren van de verdachte zijn erkend.

5. Zolang over eventuele vrijstelling van - alle of sommige - dienstverrichtingen niet is beslist, wordt getracht te voorkomen dat een bezwaarde enige daad van dienstweigering stelt. Zo nodig wordt door of namens de commandant overlegd met de VerbindingsOfficier voor de krijgsmacht bij het Arrondissementsparket Arnhem.

B. Beroep op de wet

6.1. In geval van een uitdrukkelijk beroep op de Wet wordt het verplicht schriftelijke verzoek alsook de eventuele toelichting in ontvangst genomen door of namens de commandant, en voorzien van het registratienummer van de verzoeker en de aanduiding van het onderdeel waar deze in dienst is.

6.2. Vervolgens wordt in alle gevallen onverwijld contact opgenomen met het bureau gewetensbezwaren van de directie Dienstplichtzaken te Kerkrade (DDPL/GMD; 045-469501/511), over de doorzending van de stukken en over de - verdere - dienstvervulling van betrokkene.

7. Indien DDPL besluit tot zogenaamd uitstel onvervuld gedeelte, wordt verzoeker, nadat zo spoedig mogelijk aan de vereiste formaliteiten voor groot verlof is voldaan, huiswaarts gezonden. Tot die tijd blijft het onder 5. bepaalde onverkort van toepassing.

8. De commandant draagt er zorg voor dat de vertrekmutatie 'u.o.g.' (AIP 0547) wordt gesteld.

C. Geen beroep op de wet/dienstweigering

Indien een in werkelijke dienst zijnde militair een daad van dienstweigering stelt, weliswaar op grond van (gewetens-)bezwaren tegen de verdere vervulling van de militaire dienst, doch geen beroep wenst te doen op de Wet, wordt aangifte gedaan bij de Koninklijke Marechaussee.

D. Vrijwillig diendende

Ook indien een vrijwillig dienende zich beroept op de Wet wordt gehandeld als gesteld onder 6.

E. Vervallen richtlijn

De aanwijzing van 31 maart 1980 (DDPL/19.147), zoals tot nu toe opgenomen in de la/luo onder 51.2/119 resp. 51.2/89, komt te vervallen.