Gelet op het Algemeen militair ambtenarenreglement;
| Vastst./Wijz datum | Bron | Nummer | Wijz. t.a.v. | Inwerkingtr. datum |
| 11-02-11 | HDP | BS/2011003759 | 01-02-11 | |
| 04-07-11 | HDP | BS/2011019651 | Bijlage 2 Functioneringsgespreksformulier | 04-07-11 |
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a. C-OPCO
de commandant operationeel commando;
b. HDO
het hoofd defensieonderdeel;
c. FG-formulier
het functioneringsgesprekformulier
d. POP-formulier
het persoonlijk ontwikkelplanformulier.
Voor de in bijlage 1, onder a, bij deze voorlopige voorziening opgenomen specifieke functiegroepen personeel gelden de daarbij vermelde maximum leeftijden bij de initiële aanstelling in fase 1.
1. Bij de aanstelling bij het beroepspersoneel waarbij een militair wordt aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding wordt hem de rang of stand en klasse toegekend die past bij de fase van die opleiding waarvoor hij wordt aangewezen.
2. Bij een aanstelling bij het beroepspersoneel waarbij een militair niet wordt aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding, wordt hem de rang of stand en klasse toegekend die is verbonden aan de eerste functie waarvoor de militair is bestemd.
3. In afwijking van het eerste of het tweede lid behoudt de militair, die voor aanvang van de initiële opleiding reeds was aangesteld bij het beroepspersoneel, zijn rang tenzij toepassing van een van die leden leidt tot toekenning van een hogere rang.
4. De militair die bij aanstelling bij het beroepspersoneel wordt aangewezen voor het volgen van de specialistenopleiding voor officieren dan wel de specialistenopleiding voor onderofficieren, wordt bij aanstelling voor de duur van de opleiding een tijdelijke rang als bedoeld in artikel 24b, tweede lid, van het AMAR toegekend die is verbonden aan de functie welke hem na voltooiing van deze opleiding zal worden toegewezen.
1. Bij aanstelling bij het reservepersoneel aansluitend aan zijn ontslag bij het beroepspersoneel behoudt de militair de rang die hij op het moment van ontslag effectief bekleedde, tenzij deze rang hem uitsluitend tijdens de initiële opleiding is toegekend.
2. Aan de militair die bij aanstelling bij het reservepersoneel wordt aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding wordt de stand of rang toegekend die behoort bij de fase van de opleiding waarvoor hij bij zijn aanstelling is aangewezen.
3. Aan de militair die bij aanstelling bij het reservepersoneel niet wordt aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding, wordt de stand of rang toegekend die is verbonden aan de eerste functie waarvoor de militair is bestemd.
4. De gegadigde voor een aanstelling bij het reservepersoneel komt niet in aanmerking voor een bestemming om functies te vervullen bij het Korps Nationale Reserve indien hij reeds een bestemming heeft voor opkomst in geval van nationale rampen en crisissituaties bij een onderdeel van de krijgsmacht of daarbuiten.
5. Aan een aanstelling bij het reservepersoneel wordt een proeftijd verbonden van 6 maanden indien de militair niet beschikt over eerder opgedane militaire ervaring.
1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van het AMAR en gelet op het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van het AMAR geldt voor de hierna genoemde groepen personeel een afwijkende aan de aanstelling verbonden verplichting om deel uit te maken van het beroepspersoneel:
2. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van het AMAR kan de minister in individuele gevallen een kortere dienverplichting vaststellen.
3. Bij wijziging van de bestemming krijgt de militair de bij die bestemming behorende dienverplichting opgelegd. Hierop wordt in mindering gebracht de bij aanstelling opgelegde dienverplichting voor zover deze is voldaan.
In afwijking van artikel 54d, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 54e, eerste lid, aanhef en onder b, van het AMAR, kunnen militairen met een dienverplichting langer dan de duur van de initiële opleiding plus vier jaar, na de initiële opleiding plus vier jaar gebruik maken van flexibilisering van de arbeidsduur zoals bedoeld in de artikelen 54d en 54e van het AMAR.
Het HOO draagt zorg voor vaststelling van opleidingsreglementen voor de onder hem ressorterende opleidingsinrichtingen, waarin ten minste de volgende elementen zijn opgenomen:
1. De minister laat zich bij de ontheffing van een militair uit een initiële, functie- of loopbaanopleiding adviseren door een commissie van advies, bestaande uit drie leden.
2. In het opleidingsreglement wordt de samenstelling van een commissie van advies vastgesteld, waarbij de kwaliteit en onafhankelijkheid van de commissie voldoende is gewaarborgd.
3. De commissie van advies hoort de betrokken militair, waarbij de militair zich kan laten bijstaan door een derde.
4. Het inschakelen van een commissie, als bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven wanneer de militair op eigen aanvraag wordt ontheven uit de opleiding.
De kosten, genoemd in artikel 14, tweede lid, 15, tweede lid,16, tweede lid en 16a, derde en vierde lid, van het AMAR, die voor vergoeding in aanmerking komen, zijn, voor zover zij niet rechtstreeks voor rekening komen van of rechtstreeks worden betaald door het Ministerie van Defensie:
Eventuele tegemoetkomingen van derden worden hierop in mindering gebracht.
De militair, die een opleiding, als bedoeld in artikel 16 of 16a van het AMAR, volgt buiten het Ministerie van Defensie, informeert het HDO schriftelijk over de voortgang van zijn opleiding, met overlegging van cijferlijsten, certificaten en diploma's van de externe onderwijsinstelling.
1. De kosten voor een opleiding, gericht op een loopbaan buiten Defensie buiten het functiegebied, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, dan wel op een hoger werkniveau, als bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van het AMAR, worden vergoed:
2. In aanvulling op de vergoeding van de opleidingskosten als bedoeld in het eerste lid wordt een extra vergoeding toegekend:
1. Er wordt geen terugbetalingsverplichting opgelegd, wanneer de totale kosten van de opleiding minder dan € 4000,- bedragen.
2. De periode, waarover de terug betalingsverplichting, genoemd in artikel 16e van het AMAR, geldt, is afhankelijk van de totale kosten van de opleiding op basis van het volgende schema en vangt aan met ingang van de eerste dag na het beëindigen van de opleiding:
| Totale kosten opleiding in € | Duur periode terugbetalingsverplichting |
| 4.000 - 10.000 | 2 jaar |
| 10.000 - 20.000 | 4 jaar |
| 20.000 - 35.000 | 6 jaar |
| 35.000 - 50.000 | 8 jaar |
| Meer dan 50.000 | 10 jaar |
3. Het bedrag van de terug betalingsverplichting wordt naar evenredigheid verminderd naarmate de termijn van de aan de militair op basis van het tweede lid opgelegde verplichting is verstreken.
Voor opleidingen, die zijn gevolgd binnen het Ministerie van Defensie, worden de kosten van die opleiding per dag per cursist als volgt vastgesteld:
verminderd met het minimumloon per dag tijdens de opleiding, vastgesteld conform hetgeen is bepaald bij en krachtens de Wet minimumloon en minimum vakantie-uitkering.
In bijlage 1, onder b, bij deze voorlopige voorziening zijn opgenomen de specifieke functiegroepen personeel als bedoeld in artikel 17, zevende lid, van het AMAR.
1. De in artikel 17 van het AMAR aan de minister toegekende bevoegdheden kunnen ten hoogste worden gemandateerd aan onder het C-OPCO ressorterende hoofd van de afdeling, belast met de taken op het vlak van personeel en organisatie binnen het betreffende OPCO of een daartoe aangewezen functionaris binnen deze afdeling.
2. In afwijking van het eerste lid kunnen de in artikel 17 van het AMAR aan de minister toegekende bevoegdheden door de Directeur Personeel & Organisatie van het Commando Landstrijdkrachten ten hoogste in ondermandaat worden verleend aan de Commandant Personeelslogistiek Commando en het Hoofd van de Sectie Functietoewijzing van het Personeelslogistiek Commando.
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 24b van het AMAR wordt de militair tijdens de initiële opleiding bevorderd op de tijdstippen waarop hij afgeronde delen van de opleiding heeft voltooid.
1. De militair die is bestemd om een functie te gaan vervullen waaraan een officiersrang is verbonden, bekleedt bij aanvang van de initiële opleiding de stand van matroos-adelborst, tenzij in deze regeling anders is vermeld.
2. De militair die is aangewezen voor de militair-wetenschappelijke opleiding tot officier wordt:
3. De militair die is aangewezen voor een korte officiersopleiding voor luitenant ter zee der 2e klasse/eerste luitenant der mariniers wordt:
4. De militair die bij aanstelling wordt aangewezen voor het volgen van de specialistenopleiding voor officieren wordt na afronding van de opleiding, nadat met de voordracht voor benoeming tot officier is ingestemd, benoemd tot de rang die is verbonden aan de functie die hem aansluitend aan de opleiding zal worden toegewezen.
5. De militair die in het kader van de regeling "werk-naar-werk" bij aanstelling wordt aangewezen voor het volgen van de opleiding tot officier wordt na afronding van de opleiding, nadat met de voordracht voor benoeming tot officier is ingestemd, benoemd tot de rang die is verbonden aan de functie die hem aansluitend aan de opleiding zal worden toegewezen.
6. De militair die is aangewezen voor de opleiding tot officier wordt, nadat
met de voordracht voor benoeming tot officier is ingestemd:
(1) tijdelijk benoemd tot luitenant ter zee der 3e klasse bij aanvang van de
opleiding;
(2) bevorderd tot luitenant ter zee der 2e klasse op de dag dat is vastgesteld
dat hij de gehele opleiding tot officier succesvol heeft afgerond.
1. De militair die is bestemd om een functie te gaan vervullen waaraan een officiersrang is verbonden, bekleedt gedurende de Algemene Luitenants Opleiding (ALO) 1 de stand van soldaat der derde klasse /marechaussee der vierde klasse, tenzij in deze regeling anders is vermeld.
2. De militair die op grond van zijn vooropleiding in aanmerking komt voor bekorting van de in het derde en het vierde lid genoemde opleidingen wordt in afwijking daarvan, bevorderd tot de daarin genoemde rangen na te zijn geslaagd voor overeenkomende, daarin genoemde delen van de opleiding.
3. De militair van de Koninklijke landmacht of de Koninklijke luchtmacht die via de korte officiersopleiding wordt opgeleid tot officier wordt bevorderd tot:
4. De militair die via de niet-wetenschappelijke officiersopleiding wordt opgeleid tot officier Koninklijke marechaussee wordt bevorderd tot:
5. De militair die via de militair-wetenschappelijke officiersopleiding waarvan de bachelor studie deel uitmaakt, wordt opgeleid tot officier wordt bevorderd tot:
6. De militair die reeds is aangesteld bij het beroepspersoneel en bestemd was voor het vervullen van onderofficiersfuncties en als gevolg van een bestemmingswijziging wordt opgeleid tot officier, wordt bevorderd tot:
De militair die bij aanstelling is bestemd voor functies als onderofficier wordt bevorderd tot korporaal op de dag dat hij de gehele initiële opleiding succesvol heeft afgerond.
1. De militair die bij aanstelling is bestemd om een functie te gaan vervullen bij de Koninklijke luchtmacht waaraan de rang van sergeant is verbonden, bekleedt gedurende de AMO de stand van soldaat der derde klasse, tenzij in deze regeling anders is vermeld.
2. De militair die is aangewezen voor het volgen van de opleiding tot onderofficier wordt bevorderd tot:
3. De militair van de Koninklijke landmacht wordt, voor zover sprake is van een aanvullende opleiding elektronica, bevorderd tot sergeant op de dag dat deze opleiding succesvol is afgerond, indien hij is bestemd om het loopbaanpatroon voor het technisch middenkader te gaan volgen.
4. De militair van de Koninklijke landmacht die is bestemd om het loopbaanpatroon als algemeen militair verpleegkundige (AMV) dan wel als algemeen militair verzorgende in de gezondheidszorg (AMVIG) te gaan volgen, wordt bevorderd tot sergeant op de dag dat het eerste studiejaar van de beroepsopleiding (fase 11) succesvol is afgerond.
5. De militair van de Koninklijke landmacht wordt bevorderd tot sergeant op de dag waarop hij de opleiding tot onderofficier succesvol heeft afgerond, met dien verstande dat hij wordt bevorderd tot sergeant der eerste klasse indien hij bestemd is om:
6. De militair die is aangewezen voor het volgen van de opleiding tot onderofficier-specialist, wordt bevorderd tot de rang die behoort bij de functie waartoe hij bij zijn aanstelling is bestemd, op de dag dat hij de specialistenopleiding succesvol heeft afgerond.
1. De militair die bij aanstelling is bestemd om een functie te gaan vervullen waaraan de rang van korporaal/marechaussee der tweede klasse is verbonden, bekleedt gedurende de AMO/AMBV de stand van soldaat der derde klasse/marechaussee der vierde klasse.
2. De in het eerste lid bedoelde militair wordt bevorderd tot:
De militair die bestemd is voor functies waaraan een stand is verbonden wordt bevorderd:
1. De militair die bij aanstelling is bestemd om een functie te gaan vervullen waaraan de stand van soldaat is verbonden, bekleedt gedurende de AMO de stand van soldaat der derde klasse.
2. De in het eerste lid bedoelde militair wordt bevorderd tot soldaat der tweede klasse, op de dag waarop hij de AMO succesvol heeft afgerond.
3. Bevordering tot soldaat der eerste klasse tijdens de initiële opleiding vindt uitsluitend plaats één jaar nadat de militair is bevorderd tot soldaat der tweede klasse indien hij binnen de termijn van een jaar, te rekenen vanaf de afronding van de AMO, de Functiegerichte Opleiding om organisatorische redenen niet succesvol heeft kunnen afronden.
4. Indien tijdens de initiële opleiding als bedoeld in het eerste lid het militaire en het vaktechnische opleidingsgedeelte geïntegreerd worden verzorgd, vindt bevordering plaats op het tijdstip waarop het militaire opleidingsgedeelte zou zijn afgerond indien dat opleidingsgedeelte separaat zou zijn verzorgd. Bevordering vindt alsdan plaats indien de militair het tot dat moment voor hem geldende opleidingstraject met voldoende resultaat heeft doorlopen.
Aan de militair die tijdens een door hem te volgen functie- of loopbaanopleiding feitelijk wordt belast met de werkzaamheden verbonden aan de na voltooiing van de opleiding toe te wijzen functie, kan voor de duur van deze praktische tewerkstelling tijdelijk de aan die functie verbonden rang worden toegekend, dan wel in het kader van zijn opleiding, buiten het opleidingsinstituut tijdelijk wordt belast met het uitoefenen van gezag, kan voor deze periode titulair de vereiste rang worden toegekend.
1. De militair die is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot onderofficier wordt bevorderd tot korporaal op de dag dat hij de gehele loopbaanopleiding succesvol heeft afgerond.
2. De militair die is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot officier wordt - nadat met de voordracht is ingestemd - bevorderd:
1. Om voor een bevordering als bedoeld in artikel 24, zevende lid, onder b van het AMAR, in aanmerking te komen, dient de militair respectievelijk in de stand van soldaat dan wel de rang van korporaal/marechaussee der eerste klasse, sergeant/wachtmeester of tweede luitenant relevante ervaring tijdens een functievervulling te hebben verworven waarbij er door de commandant geen bezwaren tegen de voorgenomen bevordering zijn geuit.
2. De in het eerste lid bedoelde ervaring wordt aanwezig geacht indien de militair gedurende een voor zijn aanstellingscategorie en functieniveau vastgestelde periode op voldoende wijze heeft gefunctioneerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de bekwaamheid en geschiktheid van de militair als bedoeld in artikel 20, derde lid, van het AMAR. De duur van de hiervoor bedoelde periode kan in geval van onvoldoende functioneren worden verlengd met maximaal één jaar.
3. Gedurende de periode dat de militair is geschorst dan wel in militaire detentie doorbrengt vindt geen ervaringsopbouw plaats. Indien de militair door ziekte of buitengewoon verlof niet in staat is geweest zijn functie daadwerkelijk te vervullen, dan wel er gedurende een aanmerkelijk gedeelte van de aangegeven periode sprake is geweest van overwegende bemerkingen op het functioneren, kan de duur van de periode als bedoeld in de eerste zin van het tweede lid worden verlengd met maximaal een half jaar.
4. Indien de militair binnen twaalf maanden voorafgaande aan zijn aanstelling reeds was aangesteld bij het beroepspersoneel en een functie op overeenkomstig rangniveau heeft vervuld, wordt die periode in mindering gebracht op de periode van de ervaringsopbouw welke is benodigd voor bevordering tot korporaal der eerste klasse, tot sergeant der eerste klasse dan wel voor bevordering tot eerste luitenant.
De militair die bij zijn aanstelling is bestemd om een functie te gaan vervullen waaraan de stand van soldaat is verbonden, wordt bevorderd tot soldaat der eerste klasse een jaar nadat hij is bevorderd tot soldaat der tweede klasse, met dien verstande dat hij de Functiegerichte Opleiding succesvol dient te hebben afgerond.
De militair wordt bevorderd tot soldaat der eerste klasse nadat hij gedurende een jaar als soldaat der tweede klasse een praktische training tijdens tewerkstelling heeft voltooid.
De militair wordt bevorderd tot korporaal/marechaussee der eerste klasse, met ingang van het tijdstip waarop hij na voltooiing van de initiële opleiding in de rang van korporaal/marechaussee der tweede klasse gedurende twee jaar ervaring heeft opgebouwd.
De militair wordt bevorderd tot sergeant/wachtmeester der eerste klasse met ingang van het tijdstip waarop hij na voltooiing van de opleiding tot onderofficier in de rang van sergeant/wachtmeester gedurende vier jaar ervaring heeft opgebouwd.
1. De militair wordt bevorderd tot eerste luitenant nadat hij in de rang van tweede luitenant gedurende twee jaar ervaring heeft opgebouwd.
2. De militair, die na het bekleden van ten minste één functie op het niveau van adjudantonderofficier, als doorstromer een functie op officiersniveau gaat vervullen, wordt vrijgesteld van de in het eerste lid bedoelde eis met betrekking tot de ervaringsopbouw. Deze militair wordt bevorderd tot eerste luitenant op het tijdstip waarop hem voor de eerste maal een officiersfunctie wordt toegewezen.
1. De militair heeft binnen één maand na aanvang van zijn functievervulling een functieintroductiegesprek met zijn functionele chef.
2. In het functie-introductiegesprek wordt de militair geïnformeerd over wat van hem in de functie wordt verwacht. Voorts wordt de militair geïnformeerd over de planning van de met hem te houden functioneringsgesprekken. In het functie-introductiegesprek wordt de zienswijze van de militair ten aanzien van de wijze van functievervulling besproken.
3. De functionele chef houdt in beginsel binnen twee maanden na aanvang van zijn functievervulling een functie-introductiegesprek met de medewerkers van wie hij de functionele chef is geworden. In dit gesprek komen eventueel al gemaakte afspraken met de militair eveneens aan de orde.
4. De functionele chef draagt zorg voor verslaglegging van het functie-introductiegesprek. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van het als bijlage 2 gevoegde FG-formulier.
1. De functionele chef nodigt ten minste twee weken voordat het functioneringsgesprek wordt gehouden, de militair hiervoor uit.
2. Tijdens het functioneringsgesprek komen in ieder geval de in artikel 28, zesde lid, van het AMAR genoemde onderwerpen aan de orde. Daarnaast kunnen zowel door de militair als door de functionele chef te bespreken onderwerpen worden ingebracht.
3. Een samenvatting van het gesprek, de gemaakte afspraken en aandachtspunten voor de komende periode ten aanzien de taakuitvoering en eventueel door de militair of de functionele chef, met instemming van de militair, ingebrachte nadere informatie, worden door de functionele chef vastgelegd in het externe gedeelte van het als bijlage 2 gevoegde FG-formulier. Wanneer de functionele chef of de militair meer informatie willen vastleggen wordt hiervoor het interne gedeelte van het FG-formulier gebruikt, dat alleen voor de functionele chef en de militair is bestemd.
4. Het interne gedeelte van het FG-formulier blijft in bezit van de militair en de functionele chef. De functionele chef draagt zorg voor vernietiging van zijn exemplaar bij beëindiging van de dienstverhouding. Het externe deel van het FG-formulier wordt opgelegd in het persoonsdossier van de militair.
1. De afspraken die worden gemaakt tijdens een loopbaangesprek, worden vastgelegd in het als bijlage 3 gevoegde POP-formulier.
2. Ook wanneer een loopbaangesprek niet leidt tot overeenstemming over de te maken afspraken tussen de militair en de loopbaanbegeleider, wordt dit vastgelegd in het POP-formulier.
3. In geval dat geen overeenstemming wordt bereikt tussen de militair en de loopbaanbegeleider kan op verzoek van een of beide partijen aan een andere loopbaanbegeleider advies worden gevraagd.
4. Vastgelegde afspraken zijn bindend, ook wanneer de militair een andere functie wordt toegewezen, wordt ingedeeld bij een ander OPCO of wordt tewerkgesteld bij een ander defensieonderdeel.
5. De C-OPCO is, op grond van artikel 28a, zesde lid, van het AMAR, bevoegd de afspraken in het POP-formulier vast te stellen. De C-OPCO kan deze bevoegdheid ten hoogste mandateren aan het onder de Directeur Personeel & Organisatie ressorterende hoofd van de afdeling, belast met de taken op het vlak van personeel en organisatie binnen het betreffende OPCO.
6. In afwijking van het vijfde lid kan de Directeur Personeel & Organisatie van het Commando Landstrijdkrachten de in artikel 28a, zesde lid, van het AMAR verleende bevoegdheid ten hoogste in mandaat verlenen aan de Commandant Personeelslogistiek Commando en het Hoofd van de Sectie Loopbaanbegeleiding van het Personeelslogistiek Commando.
1. Ingesteld wordt een commissie, die, op aanvraag van de militair, adviseert over een mogelijke oplossing wanneer afspraken in het kader van de persoonlijke ontwikkeling niet worden nagekomen en, naar de mening van de militair, geen passend alternatief wordt geboden.
2. De in het eerste lid genoemde commissie bestaat uit een door de minister te benoemen voorzitter, een vertegenwoordiger van de centrales van overheidspersoneel, een vertegenwoordiger van het OPCO, waarbij de militair is ingedeeld, en in het geval de militair niet is tewerkgesteld bij het OPCO, waarbij hij is ingedeeld, op ad hoc-basis een vertegenwoordiger van het defensieonderdeel, waarbij de militair is tewerkgesteld.
3. Aanvragen voor advies moeten worden ingediend door tussenkomst van de C-OPCO, waarbij de militair is ingedeeld, en worden binnen vier weken voorzien van een advies van de C-OPCO.
4. De commissie brengt uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag advies uit en brengt zowel de militair als de betrokken C-OPCO schriftelijk van dit advies op de hoogte.
1. PM
2. Voor het opstellen van een beoordeling wordt gebruik gemaakt van het in bijlage 4 opgenomen beoordelingsformulier.
3. Het beoordelingstijdvak, genoemd in artikel 28b, vijfde lid, van het AMAR, kan niet een deel van een periode omvatten waarover reeds een beoordeling is vastgesteld en tijdens dat tijdvak moet in beginsel één fu nctioneringsgesprek hebben plaatsgevonden.
4. De aanvraag van een militair om een beoordeling op te maken, kan worden afgewezen, indien over de militair minder dan een jaar geleden, te rekenen van de datum van de aanvraag, een beoordeling is vastgesteld.
5. Indien de eerste of tweede beoordelaar niet de Nederlandse nationaliteit bezit zal het HDO, eventueel op voorstel van de commandant van de Nederlandse eenheid waarbij de te beoordelen militair administratief is ondergebracht, een Nederlandse militair of ambtenaar aanwijzen die als eerste of tweede beoordelaar optreedt. De bepalingen in het AMAR en deze regeling blijven daarbij onverkort van kracht.
6. Wanneer de militair werkzaam is in een zodanig - internationaal - verband, dat toepassing van het vijfde lid niet mogelijk is, gelden voor het opmaken en vaststellen van de beoordeling de desbetreffende internationale voorschriften en modellen.
Voor de in bijlage 1, onder c, bij deze voorlopige voorziening opgenomen specifieke groepen personeel gelden de daarbij genoemde afwijkende maximum looptijden in rang in fase een en twee.
1. Wanneer een soldaat, korporaal of een militair met een daarmee gelijkgestelde stand of rang is aangewezen voor of deelneemt aan een (onder)officiersopleiding, kan worden afgeweken van de in artikel 29a of 29b van het AMAR genoemde maximale looptijd in rang tot uiterlijk het moment waarop de militair de opleiding heeft afgerond en wordt bevorderd tot de rang van (onder)officier.
2. Wanneer de militair wordt ontheven van de in het eerste lid bedoelde opleiding of deze opleiding niet met goed gevolg volbrengt, is de in het eerste lid bedoelde maximum looptijd in rang weer onverkort van toepassing.
PM
1. De C-OPCO draagt ervoor zorg dat, in samenspraak met de loopbaanbegeleider, het initiatief wordt genomen om een militair door te laten stromen naar fase drie op een zodanig moment dat de militair uiterlijk drie jaar voor het bereiken van het voor hem op basis van het AMAR of deze regeling geldend doorstroommoment duidelijkheid heeft over zijn mogelijkheden.
2. Van de termijn van zes weken voor besluitvorming over doorstroom op basis van de voordracht, genoemd in artikel 31, eerste lid, van het AMAR, kan tot maximaal tien weken worden afgeweken in de volgende situaties:
3. Voor de situaties, als bedoeld in het tweede lid, onder a en b, stelt de C-OPCO voor zijn OPCO een commissie in die:
4. Met het oog op een voortdurende en optimale informatie-uitwisseling tussen de genoemde commissies is de Defensiestaf in beginsel in elke commissie vertegenwoordigd.
5. Wanneer de militair aanvraagt om in aanmerking te worden gebracht voor doorstroom naar fase drie, dient hij deze aanvraag schriftelijk en zo nodig mondeling toe te lichten.
6. Een gesprek is verplicht wanneer het voornemen bestaat om de aanvraag van een militair af te wijzen.
1. De militair, die bij het Dienstencentrum externe bemiddeling defensiepersoneel (DCEBD), als bedoeld in artikel 31a, eerste lid, van het AMAR, is aangemeld, kan uiterlijk 5 maanden voor het beoogde ontslagmoment, genoemd in artikel 39, tweede lid, onder i, van het AMAR, bij de minister een aanvraag indienen om te laten onderzoeken of bij het doorstroom- en bemiddelingsproces, bedoeld in Hoofdstuk 4 AMAR, de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen.
2. De behandeling van de aanvraag, genoemd in het eerste lid, wordt uitgevoerd door de commissie, genoemd in artikel 3:28, eerste en tweede lid.
3. De commissie brengt uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag advies uit en brengt zowel de militair als de betrokken C-OPCO hiervan schriftelijk op de hoogte.
4. Indien de commissie van mening is dat tijdens het doorstroom- en bemiddelingsproces niet de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen, kan zij adviseren de datum van het ontslag, genoemd in artikel 39, tweede lid, onder i, van het AMAR, in beginsel 6 maanden uit te stellen en de bemiddelingsinspanning door de zorg van het DCEBD, als bedoeld in artikel 31a, eerste lid, van het AM AR, gedurende die periode voort te zetten. De termijn van 6 maanden kan in bijzondere gevallen worden verlengd indien de commissie daar op basis van onderzoek aanleiding toe ziet.
5. De betrokken C-OPCO beslist uiterlijk 2 weken na ontvangst van het advies, genoemd in het vierde lid, naar aanleiding van dat advies.
gereserveerd
gereserveerd
gereserveerd
gereserveerd
gereserveerd
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
In bijlage 5 zijn nadere bepalingen opgenomen over de toepassing van het overgangsbeleid.
De volgende beleidsregels en ministeriële regelingen worden ingetrokken:
Deze voorziening treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening en werkt terug tot en met 1 februari 2011.
Deze voorziening wordt aangehaald als "Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR" (VV URAMAR).
a. Specifieke functiegroepen met maximum leeftijden bij aanstelling in fase 1 (art. 5a, tweede lid, AMAR en art. 2:1 URAMAR)
| categorie | maximumleeftijd bij aanstelling in fase 1 |
| soldaat CLAS/CLSK | 27 |
| marechaussee | 24 |
| korporaal CLAS/CLSK | 28 |
| matroos/marinier | 26 |
| onderofficier | 28 |
| onderofficier KMar | 24 |
| officier | 28 |
| officier meerjarige opleiding 1) | 25 |
| officier vlieger | 26 |
| officier vlieger meerjarige opleiding 1) | 23 |
| officier specialistenopleiding 2) | 32 |
| officier algemeen militair arts | 34 |
| officier huisarts, tandarts en apotheker | 37 |
1) Als meerjarige opleiding worden aangemerkt de
militair-wetenschappelijke opleiding aan de NLDA, de opleiding aan de NLDA tot
officier-gevechtsleider of officier-luchtverkeersleider bij het CLSK en de
opleiding aan de NLDA en de Politieacademie tot officier bij de KMar.
2) Een specialistenopleiding is een initiële opleiding aan de NLDA
van maximaal tien weken voor specifieke categorieën HBO- en WO-opgeleide
aspirant-officieren.
b. Specifieke functiegroepen met afwijkende duur functievervulling (art. 17, zevende lid, AMAR en art. 3:8 URAMAR)
Voor alle in dit onderdeel genoemde functies en functiegroepen kan een afwijkende duur functievervulling van maximaal 7 jaar worden bepaald alsmede een daarmee samenhangende afwijkende beschikbaarheidsdatum van maximaal 4 jaar vanaf aanvang functievervulling.
| Functie( groep) |
| Algemeen (maximaal 7 jaar): |
| Functies in het functiegebied Militaire muziek |
| Functies als Bedrijfsmaatschappelijk werker |
| Functies binnen het functiegebied Arbo en milieu |
| AV-specialisten (bij de Audiovisuele dienst) |
| KMar (maximaal 6 jaar, met mogelijkheid tot verlenging met 1 iaar): |
| Functies deel uitmakend van of vallend onder de opsporingsondersteuning (forensische recherche, zeden recherche, digitale recherche, milieu recherche, wapens-, munitie- en explosieven interceptie) evenal functies behorende tot de criminele inlichtingeneenheid, informatie en analyse knooppunt en de functie van recherchekundige/recherche adviseur, alsmede de functie van teamleider tactische opsporing |
| Functies met betrekking tot de inzet van Rijksvaartuigen ten behoeve van de persoonscontrole in het kader van de grensbewaking (personeel vaargroepen) |
| Functies deel uitmakend van het Expertise Centrum Identiteits- en Documentenfraude |
| Functies binnen het expertiseveld falsificaten |
| Functies deel uitmakend van het Expertise Centrum Luchthavens |
| Functies deel uitmakend van Handhaving & Toezicht Beveiliging Burgerluchtvaart |
| Functies behorende tot het Korps Controle Vervoer Gevaarlijke Stoffen |
| Functies behorende tot de Bijzondere Dienst (BD) en Integrale veiligheidszorg |
| Functies in het kader van luchtwaarneming met betrekking tot opsporing en controle |
| Functies belast met opsporing binnen het werkveld hondengeleiding |
| Functies deel uitmakend van Operationele afdelingen BSB |
| Functies deel uitmakend van de Commandogroep afdeling Operationele Ondersteuning BSB |
| Functies deel uitmakend van Sectie Trainingsgroep BSB |
| Functies deel uitmakend van Sectie Operationele Logistiek BSB |
| Functies deel uitmakend van Sectie Informatie Unit BSB |
| Functies deel uitmakend van SIOG/BSB van de Opleidingseenheid LOKKMAR |
| Functies deel uitmakend van de Landelijke Meldkamer KMar (LMK) |
| Functies in het kader van de Verkeers ongevallen analyse (VOA) |
| Functies deel uitmakend van de Integrale Beroepsvaardigheidsorganisatie (IBT) |
c. Specifieke groepen personeel met afwijkende maximum looptijd in rang in fase
1 en 2 (artikel 29a, zesde lid, 29b, zesde lid, en 29c, vierde lid, AMAR alsmede
art. 4:1 URAMAR)
| categorie | Maximum looptijd in rang in fase 1 en 2 |
| 1. Korporaals en overeenkomstige rangen (art. 29b, zesde lid, AMAR) | |
| CZSK: Matroos der 1 e klasse/marinier der 1e klasse | 10 i.p.v. 8 jaar |
| CLAS/CLSK: Korporaal geneeskundig verzorger | 10 i.p.v. 8 jaar |
| CLAS: Korporaal spec ops TD en GN | 12 i.p.v. 8 jaar |
| CLSK: Korporaal OGRV, lanceerder Patriot, LVL, Al en A3 (mechanica), automonteur, wapentechniek, VUT, schilder, chauffeur POL Cis, brandweer en hondengeleider | 10 i.p.v. 8 jaar |
| 2. Onderofficieren (art. 29c, vierde lid, AMAR) | |
| CLSK: Sgt VLOO, LVL, GL, (O)GRV, hondengeleider, lanceerder Patriot, vuurleider Patriot, Intell, Cis, B2 (Avionica), IDT-IVT, automonteur, GU, schilder, loadmaster, sport, GNK. B1-1 (vastvleugelig), B1-3 (heli), wapentechniek, vliegtuigplaatwerk en VUT | 15 i.p.v. 10 jaar |
| CLAS/CLSK: Sgt EOD | 12 i.p.v. 10 jaar |
| Kmar: Wachtmeester muzikant | 15 i.p.v. 10 jaar |
| Kmar: Wachtmeester IBT en luchtwaarnemer | 14 i.p.v. 10 jaar |
| CLAS/CZSK/CLSK: Sgt AMV/Gitter/Klinisch-chemisch analist/Tandarts assisten/Radiologisch-laborant | 12 i.p.v. 10 jaar |
| 3. Officieren (art. 29c vierde lid, AMAR) | |
| CZSK: LTZ20C/LTZV20C/LTZW20C/KAPMARNS in het bezit van brevet Vlieger/Waarnemer | 12 i.p.v. 9 jaar |
| CLAS/CLSK/Kmar: Kapitein Jurist | 12 i.p.v. 9 jaar |
| CLSK: Kapitein arts, vlieger, GL en LVL | 12 i.p.v. 9 jaar |
Dit spreadsheet is beschikbaar via selfservice op Peoplesoft. Het streven is uitsluitend van de selfservice modaliteit gebruik te maken. Wanneer geen toegang tot deze service bestaat, kan de papieren versie van het formulier worden ingevuld en voor registratie aan de afdeling P&O worden aangeboden. Zie ook de toelichting in het formulier.
Het formulier
Dit spreadsheet is beschikbaar via selfservice
op Peoplesoft. Het streven is uitsluitend van de selfservice modaliteit gebruik
te maken. Wanneer geen toegang tot deze service bestaat, kan de papieren versie
van het formulier worden ingevuld en voor registratie aan de afdeling P&O worden
aangeboden. Zie ook de toelichting in het formulier.
Algemeen
1. In Artikel 111 van het wijzigingsbesluit AMAR (Stb. 2011, 21) is
overgangsbeleid opgenomen voor de militairen, die op het moment van
inwerkingtreden van de wijziging de maximum looptijd in rang al hebben
gepasseerd of deze binnen één jaar passeren. Daarnaast zijn nog enkele andere
groepen personeel onderscheiden, waarvoor separate afspraken zijn gemaakt. Voor
de volledigheid wordt het gehele spectrum hieronder op een rij gezet.
2. Gewekte verwachtingen. In de aanloop naar de laatste wijziging van het AMAR (Stb. 2011, 21) is in de communicatie-uitingen steeds sprake geweest van maximum leeftijdsgrenzen die als sturingsinstrument zouden worden gehanteerd. Vanwege mogelijke leeftijdsdiscriminatie is in overleg met de centrales van overheidspersoneel van het leeftijdscriterium afgestapt en overgegaan tot een breder gebruik van het instrument maximum looptijden in rang. Echter, de voortdurende communicatie over leeftijdsgrenzen heeft verwachtingen gewekt. Zeker omdat het gebruik van maximum looptijden in rang in een aantal gevallen leidt tot een eerder ontslag dan wanneer zou zijn uitgegaan van maximum leeftijden.
3. Gelet op deze gewekte verwachtingen is ter uitvoering van het overgangsrecht ingevolge Artikel 111 van het wijzigingsbesluit AMAR een specifiek op dit aspect gericht overgangsbeleid geformuleerd. Dit luidt als volgt:
Verdere uitwerking voor verschillende groepen personeel
Hierna wordt de toepassing van het overgangsbeleid met inachtneming van de
punten 2 en 3 voor diverse groepen verder uitgewerkt.
4. Uitvoering overgangsbeleid op basis van Artikel 111 AMAR, met inachtneming van de afspraak in punt 2 en 3. Militairen die vallen onder de toepassing van artikel 111 van het AMAR, krijgen zo spoedig mogelijk na 1 februari 2011, na de gebruikelijke toetsing (beschikbaarheid functies binnen het OPCO, en op aangeven van de militair ook buiten het eigen OPCO, evenals geschiktheid) een persoonlijke brief door de zorg van het OPCO. Voor deze groep geldt de ontslagbeschermingtermijn van 12-18 maanden. De volgende groepen worden onderscheiden:
Voor specifieke functiegroepen kunnen afwijkende looptijden in rang gelden (art. 29a, zesde lid, art. 29b, zesde lid, art. 29c, vierde lid, AMAR en de Voorlopige voorziening URAMAR). Zo geldt voor bijvoorbeeld matrozen en mariniers der eerste klasse een afwijkende maximum looptijd in rang van 10 jaar in plaats van 8 jaar en bijvoorbeeld voor de sergeant AMV 12 jaar in plaats van 10. Voor die functiegroepen worden de onder a, b, c en d genoemde looptijden daarmee ook anders.
NB de brieven moeten in afschrift worden gezonden aan DCHR en de betrokken personeelsdienst.
5. Aparte aandacht moet worden besteed aan de militairen die niet vallen onder de regel in punt 4, maar die al wel de datum zijn gepasseerd, waarop zij volgens het AMAR duidelijkheid hadden moeten krijgen over hun mogelijkheden om bevorderd te worden (soldaten/korporaals; art. 29a, derde lid en 29b, derde lid, AMAR, uiterlijk 2 jaar voor bereiken maximum looptijd in rang) of te kunnen doorstromen (onderofficieren en officieren; art. 29c, derde lid, AMAR, uiterlijk 3 jaar voor bereiken maximum looptijd in rang). Ook hierbij zijn de afspraken, opgenomen in punt 2 en 3, van toepassing. Het gaat om de volgende groepen:
Voor specifieke functiegroepen kunnen afwijkende looptijden in rang gelden
(art. 29a, zesde lid, art. 29b, zesde lid, art. 29c, vierde lid, AMAR en de
Voorlopige voorziening URAMAR). Voor die functiegroepen worden de onder a, b, c
en d genoemde looptijden daarmee ook anders.
De 2- of 3-jaartermijn op basis van het AMAR, waarbinnen de militair uiterlijk
duidelijkheid moet worden verschaft over zijn bevorderings- of
doorstroommogelijkheden, kan niet meer worden toegepast, omdat die datum al is
gepasseerd. Uit het oogpunt van goed werkgeverschap wordt de termijn van 2 of 3
jaar desondanks gehandhaafd, ook al wordt daarmee de maximum looptijd in rang
met een korte periode gepasseerd. Dit betekent dat deze militairen op zo kort
mogelijke termijn een brief wordt toegezonden door de zorg van het OPCO, waarin
hen duidelijkheid wordt verschaft over hun persoonlijke situatie. Daarbij wordt
ook de uiterste ontslagdatum, met inachtneming van de al genoemde 2- of
3-jaartermijn, te rekenen vanaf datum inwerkingtreding wijziging AMAR,
vastgesteld. Ook moet worden aangegeven dat zij 1 jaar voor de beoogde
ontslagdatum worden aangemeld bij het DCEBD.
NB de brieven moeten in afschrift worden gezonden aan DCHR en de betrokken personeelsdienst.
6. Uitvoering regulier bevorderings- en doorstroomproces. FPS-militairen, die op 1 februari 2011 een functie bekleedden en nog niet de datum zijn gepasseerd, waarop zij volgens het AMAR duidelijkheid hadden moeten krijgen over hun mogelijkheden om bevorderd te worden (soldaten/korporaals; art. 29a, derde lid en 29b, derde lid, AMAR, uiterlijk 2 jaar voor bereiken maximum looptijd in rang) of te kunnen doorstromen (onderofficieren en officieren; art. 29c, derde lid, AMAR, uiterlijk 3 jaar voor bereiken maximum looptijd in rang), vallen onder het reguliere bevorderings- dan wel doorstroomproces, zoals opgenomen in Hoofdstuk 4 van het AMAR, maar met inachtneming van de afspraken opgenomen in punt 2 en 3:
Voor specifieke functiegroepen kunnen afwijkende looptijden in rang gelden (art. 29a, zesde lid, art. 29b, zesde lid, art. 29c, vierde lid, AMAR en de Voorlopige voorziening URAMAR). Voor die functiegroepen worden de onder a, b, c en d genoemde looptijden daarmee ook anders.
7. Herstel van al in gang gezette processen. Eind 2010 heeft een aantal militairen een brief ontvangen, waarin is meegedeeld dat zij, gelet op hun leeftijd, niet in aanmerking komen voor bevordering of doorstroom naar fase 3 en daarom zijn aangemeld bij het DCEBD. Het gaat om militairen van CZSK, CLSK en de KMar. Omdat inmiddels is afgestapt van het leeftijdscriterium zal aan deze militairen een nieuwe brief door de zorg van het OPCO worden toegezonden. Hierbij worden ook de hiervoor genoemde punten 2 en 3 van het overgangsbeleid in acht genomen. Daarbij kunnen twee groepen worden onderscheiden:
NB de brieven moeten in afschrift worden gezonden aan OCHR en de betrokken personeelsdienst.
8. Individuele toezeggingen. Concrete, identificeerbare individuele toezeggingen, die afwijken van het overgangsbeleid, en waarin de punten 2 tot en met 7 niet voorzien, worden gerespecteerd. Zo zijn er met een groot aantal militaire chauffeurs toezeggingen gedaan op basis van leeftijden, die een ander, later ontslagmoment kennen dan het ontslagmoment op basis van de maximale looptijd in rang. Wanneer dergelijke afspraken kunnen worden aangetoond, worden zij gerespecteerd.
9. Redelijkheid en billijkheid. Een voorstel van C-OPCO tot afwijking op
basis van redelijkheid en billijkheid van de hiervoor beschreven toepassing van
het overgangsbeleid, wordt door het OPCO ter beslissing voorgelegd aan de HOP.