Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR

Gelet op het Algemeen militair ambtenarenreglement;

Vastst./Wijz datum  Bron  Nummer  Wijz. t.a.v.  Inwerkingtr. datum
11-02-11 HDP BS/2011003759 01-02-11
04-07-11 HDP BS/2011019651 Bijlage 2 Functioneringsgespreksformulier 04-07-11
28-05-13 HDP BS/2013015127 Bijlage 1, onder b 28-05-13
08-10-14 HDP BS/2014028933 Art. 3:6 01-10-14

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a. C-OPCO
de commandant operationeel commando;

b. HDO
het hoofd defensieonderdeel;

c. FG-formulier
het functioneringsgesprekformulier

d. POP-formulier
het persoonlijk ontwikkelplanformulier.

Hoofdstuk 2 Aanstelling

Artikel 2:1 Maximum leeftijdsgrens bij aanstelling

Voor de in bijlage 1, onder a, bij deze voorlopige voorziening opgenomen specifieke functiegroepen personeel gelden de daarbij vermelde maximum leeftijden bij de initiŽle aanstelling in fase 1.

Artikel 2: 2 Aanstelling bij het beroepspersoneel

1. Bij de aanstelling bij het beroepspersoneel waarbij een militair wordt aangewezen voor het volgen van een initiŽle opleiding wordt hem de rang of stand en klasse toegekend die past bij de fase van die opleiding waarvoor hij wordt aangewezen.

2. Bij een aanstelling bij het beroepspersoneel waarbij een militair niet wordt aangewezen voor het volgen van een initiŽle opleiding, wordt hem de rang of stand en klasse toegekend die is verbonden aan de eerste functie waarvoor de militair is bestemd.

3. In afwijking van het eerste of het tweede lid behoudt de militair, die voor aanvang van de initiŽle opleiding reeds was aangesteld bij het beroepspersoneel, zijn rang tenzij toepassing van een van die leden leidt tot toekenning van een hogere rang.

4. De militair die bij aanstelling bij het beroepspersoneel wordt aangewezen voor het volgen van de specialistenopleiding voor officieren dan wel de specialistenopleiding voor onderofficieren, wordt bij aanstelling voor de duur van de opleiding een tijdelijke rang als bedoeld in artikel 24b, tweede lid, van het AMAR toegekend die is verbonden aan de functie welke hem na voltooiing van deze opleiding zal worden toegewezen.

Artikel 2:3 Aanstelling bij het reservepersoneel

1. Bij aanstelling bij het reservepersoneel aansluitend aan zijn ontslag bij het beroepspersoneel behoudt de militair de rang die hij op het moment van ontslag effectief bekleedde, tenzij deze rang hem uitsluitend tijdens de initiŽle opleiding is toegekend.

2. Aan de militair die bij aanstelling bij het reservepersoneel wordt aangewezen voor het volgen van een initiŽle opleiding wordt de stand of rang toegekend die behoort bij de fase van de opleiding waarvoor hij bij zijn aanstelling is aangewezen.

3. Aan de militair die bij aanstelling bij het reservepersoneel niet wordt aangewezen voor het volgen van een initiŽle opleiding, wordt de stand of rang toegekend die is verbonden aan de eerste functie waarvoor de militair is bestemd.

4. De gegadigde voor een aanstelling bij het reservepersoneel komt niet in aanmerking voor een bestemming om functies te vervullen bij het Korps Nationale Reserve indien hij reeds een bestemming heeft voor opkomst in geval van nationale rampen en crisissituaties bij een onderdeel van de krijgsmacht of daarbuiten.

5. Aan een aanstelling bij het reservepersoneel wordt een proeftijd verbonden van 6 maanden indien de militair niet beschikt over eerder opgedane militaire ervaring.

Artikel 2:4 Aan de aanstelling verbonden verplichting (uitvoering art 7, tweede lid, AMAR)

1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van het AMAR en gelet op het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van het AMAR geldt voor de hierna genoemde groepen personeel een afwijkende aan de aanstelling verbonden verplichting om deel uit te maken van het beroepspersoneel:

  1. militairen in de stand van soldaat of korporaal die zijn ingedeeld bij de Koninklijke landmacht: gedurende de initiŽle opleiding en aansluitend een periode van twee jaar.
  2. officieren-arts, -tandarts en -apotheker: gedurende de initiŽle opleiding en aansluitend een periode van drie jaar;

2. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van het AMAR kan de minister in individuele gevallen een kortere dienverplichting vaststellen.

3. Bij wijziging van de bestemming krijgt de militair de bij die bestemming behorende dienverplichting opgelegd. Hierop wordt in mindering gebracht de bij aanstelling opgelegde dienverplichting voor zover deze is voldaan.

Artikel 2:5 Flexibilisering arbeidsduur bij langdurige dienverplichting

In afwijking van artikel 54d, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 54e, eerste lid, aanhef en onder b, van het AMAR, kunnen militairen met een dienverplichting langer dan de duur van de initiŽle opleiding plus vier jaar, na de initiŽle opleiding plus vier jaar gebruik maken van flexibilisering van de arbeidsduur zoals bedoeld in de artikelen 54d en 54e van het AMAR.

Hoofdstuk 3 Opleiding, functietoewijzing, bevordering en loopbaanbegeleiding

Paragraaf 3.1 Opleiding

Artikel 3:1 Opleidingsreglement

Het HDO draagt zorg voor vaststelling van opleidingsreglementen voor de onder hem ressorterende opleidingsinrichtingen, waarin ten minste de volgende elementen zijn opgenomen:

  1. het toetsings- en wegingssysteem voor het meten van resultaten bij testen, tentamens en examens gebaseerd op een honderd-puntsschaal met de score 55 als laagste voldoende, dan wel voor gereglementeerde opleidingen het voor die opleidingen voorgeschreven systeem. Onder gereglementeerde opleiding wordt verstaan een opleiding waarvan het te bereiken niveau wettelijk of nationaal is bepaald voor de toelating tot bepaalde beroepen;
  2. het voor de cursist geldende beoordelingssysteem tijdens de initiŽle opleiding;
  3. de bevorderingsmomenten tijdens de opleiding, met inachtneming van artikel 24b van het AMAR;
  4. de mogelijkheid om de opleiding of een onderdeel daarvan te herhalen indien de herhaling binnen een redelijke termijn kan worden begonnen en de verwachting bestaat dat de opleiding hierdoor met goed gevolg zal worden afgerond;
  5. de mogelijkheid om de opleiding via een korte voortzetting alsnog af te ronden;
  6. de mogelijkheid om tijdens het volgen van de initiŽle opleiding een bestemmingswijziging als bedoeld in artikel 12a van het AMAR te krijgen;
  7. regels voor een voordracht tot ontheffing uit een opleiding die ten minste de volgende elementen bevatten:
    (1) de motivering van de voordracht;
    (2) het gemotiveerd advies om de militair al dan niet in aanmerking te brengen voor de mogelijkheden genoemd onder d, e of f;
    (3) een uitspraak of de voordracht wordt dan wel mede wordt veroorzaakt door omstandigheden die komen voor rekening en risico van de militair.

Artikel 3:2 Commissie van advies bij ontheffing uit de opleiding

1. De minister laat zich bij de ontheffing van een militair uit een initiŽle, functie- of loopbaanopleiding adviseren door een commissie van advies, bestaande uit drie leden.

2. In het opleidingsreglement wordt de samenstelling van een commissie van advies vastgesteld, waarbij de kwaliteit en onafhankelijkheid van de commissie voldoende is gewaarborgd.

3. De commissie van advies hoort de betrokken militair, waarbij de militair zich kan laten bijstaan door een derde.

4. Het inschakelen van een commissie, als bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven wanneer de militair op eigen aanvraag wordt ontheven uit de opleiding.

Artikel 3:3 Vergoeding van kosten

De kosten, genoemd in artikel 14, tweede lid, 15, tweede lid,16, tweede lid en 16a, derde en vierde lid, van het AMAR, die voor vergoeding in aanmerking komen, zijn, voor zover zij niet rechtstreeks voor rekening komen van of rechtstreeks worden betaald door het Ministerie van Defensie:

  1. inschrijvings-, les-, college-, practicum-, examen- en diplomagelden, met uitzondering van kosten verbonden aan het volgen van praktisch vliegonderricht;
  2. studieboeken en studiemateriaal, voor zover direct gerelateerd aan de opleiding;
  3. excursie, reis- en verblijfskosten op grond van het Besluit dienstreizen defensie.

Eventuele tegemoetkomingen van derden worden hierop in mindering gebracht.

Artikel 3:4 Informatie voortgang

De militair, die een opleiding, als bedoeld in artikel 16 of 16a van het AMAR, volgt buiten het Ministerie van Defensie, informeert het HDO schriftelijk over de voortgang van zijn opleiding, met overlegging van cijferlijsten, certificaten en diploma's van de externe onderwijsinstelling.

Artikel 3:5 Maximale vergoeding kosten opleiding, gericht op loopbaan buiten Defensie buiten het functiegebied of op een hoger werkniveau (uitvoering 16a, vierde lid, AMAR)

1. De kosten voor een opleiding, gericht op een loopbaan buiten Defensie buiten het functiegebied, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, dan wel op een hoger werkniveau, als bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van het AMAR, worden vergoed:

  1. tot ten hoogste Ä 1.000,-, wanneer de aanstelling vanaf het moment van het einde van fase 1 FPS tot het moment van ontslag minder dan twee jaar duurt of heeft geduurd;
  2. tot ten hoogste Ä 2.000,-, wanneer de aanstelling vanaf het moment van het einde van fase 1 FPS tot het moment van ontslag twee jaar of meer, maar minder dan vier jaar duurt of heeft geduurd;
  3. tot ten hoogste Ä 3000,-, wanneer de aanstelling vanaf het moment van het einde van fase 1 FPS tot het moment van ontslag vier jaar of meer, of minder dan zes jaar duurt of heeft geduurd;
  4. tot ten hoogste Ä 4500,-, wanneer de aanstelling vanaf het moment van het einde van fase 1 FPS tot het moment van ontslag zes jaar of meer, of minder dan acht jaar duurt of heeft geduurd.
  5. tot ten hoogste Ä 6000,-, wanneer de aanstelling vanaf het moment van het einde van fase 1 FPS tot het moment van ontslag acht jaar of meer duurt of heeft geduurd.

2. In aanvulling op de vergoeding van de opleidingskosten als bedoeld in het eerste lid wordt een extra vergoeding toegekend:

  1. tot ten hoogste Ä 500,-, indien de militair een uitzendverleden heeft van maximaal een half jaar;
  2. tot ten hoogste Ä 1000,-, indien de militair een uitzendverleden heeft van een half jaar of meer maar minder dan een jaar;
  3. tot ten hoogste Ä 1500,-, indien de militair een uitzendverleden heeft van een jaar of meer maar minder dan twee jaar;
  4. tot ten hoogste Ä 2000,-, indien de militair een uitzendverleden heeft van twee jaar of meer.

Artikel 3:6 Duur terugbetalingsverplichting en drempelbedrag voor de opleidingen genoemd in de artikelen 14 tot en met 16a van het AMAR

1. Er wordt geen terugbetalingsverplichting opgelegd, wanneer de totale kosten van de opleiding minder dan Ä 4000,- bedragen.

2. De periode, waarover de terugbetalingsverplichting, genoemd in artikel 16e van het AMAR, geldt, is afhankelijk van de duur van de opleiding. Is de duur van de opleiding korter dan of gelijk aan zes maanden dan geldt de terugbetalingsverplichting gedurende de opleiding en aansluitend een periode van twee jaar. Is de duur van de opleiding langer dan zes maanden dan geldt de terugbetalingsverplichting gedurende de opleiding en aansluitend een periode van vier jaar.

3. In afwijking van het gestelde in het tweede lid geldt een terugbetalingsverplichting gedurende de opleiding en aansluitend een periode van:

  1. twee jaar, indien de totale kosten van de opleiding op basis van berekening vooraf tussen de C 4.000,- en Ä 10.000,- bedragen;
  2. zes jaar, indien de totale kosten van de opleiding op basis van berekening vooraf meer bedragen dan Ä 150.000,-.

4. Voor een opleiding die binnen het Ministerie van Defensie wordt gevolgd en die niet aaneengesloten plaatsvindt wordt de duur van de opleiding berekend op basis van de uren dat de opleiding wordt gevolgd.

5. Voor een opleiding die buiten het Ministerie van Defensie wordt gevolgd en waarvoor gedeeltelijke vrijstelling van arbeid is gegeven wordt de duur van de opleiding berekend op basis van de uren waarvoor de vrijstelling van arbeid is verleend.

6. In afwijking van het tweede en derde lid kan voor een opleiding uit oogpunt van organisatiebelang worden bepaald dat de terugbetalingsverplichting voor een kortere periode geldt. De bekorting geldt voor alle militairen die aan die opleiding deelnemen, ook als dit militairen van verschillende operationele commandoís zijn. De commandanten van de betrokken operationele commandoís moeten instemmen met de bekorting.

7. Het bedrag van de terugbetalingsverplichting wordt naar evenredigheid verminderd naarmate de termijn na beŽindiging van de opleiding, zoals bedoeld in het tweede, derde en zesde lid, is verstreken.

Artikel 3:7 Bepaling kosten opleiding per cursist, als bedoeld in artikel 16e, vierde lid, onder a, AMAR

Voor opleidingen, die zijn gevolgd binnen het Ministerie van Defensie, worden de kosten van die opleiding per dag per cursist als volgt vastgesteld:

  1. Voor opleidingen gerelateerd aan of gericht op het vervullen van functies waar de stand van soldaat of de rang van korporaal of een overeenkomstige rang aan is verbonden, Ä50,= per dag vermeerderd met de militaire inkomsten per dag, behorend bij de feitelijk bekleedde stand of rang van de cursist;
  2. Voor opleidingen gerelateerd aan of gericht op het vervullen van functies waar een onderofficiersrang aan is verbonden, Ä75,= per dag vermeerderd met de militaire inkomsten per dag, behorend bij de feitelijk bekleedde stand of rang van de cursist;
  3. Voor opleidingen gerelateerd aan of gericht op het vervullen van functies waar een officiersrang aan is verbonden, Ä100,= per dag vermeerderd met de militaire inkomsten per dag, behorend bij de feitelijk bekleedde stand of rang van de cursist;

verminderd met het minimumloon per dag tijdens de opleiding, vastgesteld conform hetgeen is bepaald bij en krachtens de Wet minimumloon en minimum vakantie-uitkering.

Paragraaf 3.2 Functietoewijzing

Artikel 3:8 Afwijkende duur functievervulling

In bijlage 1, onder b, bij deze voorlopige voorziening zijn opgenomen de specifieke functiegroepen personeel als bedoeld in artikel 17, zevende lid, van het AMAR.

Artikel 3:8a Mandatering functietoewijzing en ontheffing uit de functie

1. De in artikel 17 van het AMAR aan de minister toegekende bevoegdheden kunnen ten hoogste worden gemandateerd aan onder het C-OPCO ressorterende hoofd van de afdeling, belast met de taken op het vlak van personeel en organisatie binnen het betreffende OPCO of een daartoe aangewezen functionaris binnen deze afdeling.

2. In afwijking van het eerste lid kunnen de in artikel 17 van het AMAR aan de minister toegekende bevoegdheden door de Directeur Personeel & Organisatie van het Commando Landstrijdkrachten ten hoogste in ondermandaat worden verleend aan de Commandant Personeelslogistiek Commando en het Hoofd van de Sectie Functietoewijzing van het Personeelslogistiek Commando.

Paragraaf 3.3 Bevordering

Paragraaf 3.3.1. Bevordering van militairen tijdens de initiŽle opleiding

Artikel 3:9 Algemene bepaling

Met inachtneming van het bepaalde in artikel 24b van het AMAR wordt de militair tijdens de initiŽle opleiding bevorderd op de tijdstippen waarop hij afgeronde delen van de opleiding heeft voltooid.

Artikel 3:10 Bevordering tijdens de opleiding tot officier bij de Koninklijke marine

1. De militair die is bestemd om een functie te gaan vervullen waaraan een officiersrang is verbonden, bekleedt bij aanvang van de initiŽle opleiding de stand van matroos-adelborst, tenzij in deze regeling anders is vermeld.

2. De militair die is aangewezen voor de militair-wetenschappelijke opleiding tot officier wordt:

  1. bevorderd tot korporaal-adelborst op de eerste dag van de maand volgend op de dag dat is vastgesteld dat hij heeft voldaan aan de in het examenreglement vastgestelde studievoortgang van het eerste studiejaar;
  2. bevorderd tot sergeant-adelborst op de eerste dag van de maand volgend op de dag dat is vastgesteld dat hij heeft voldaan aan de in het examenreglement vastgestelde studievoortgang van het tweede studiejaar en de propedeuse heeft afgerond;
  3. nadat met de voordracht voor benoeming tot officier is ingestemd:
    (1) benoemd tot luitenant ter zee der 3e klasse op de eerste dag van de maand volgend op de dag dat is vastgesteld dat hij heeft voldaan aan de in het examenreglement vastgestelde studievoortgang van het derde studiejaar;
    (2) benoemd tot tweede luitenant der mariniers op de eerste dag van de maand volgend op de dag dat is vastgesteld dat hij heeft voldaan aan de in het examenreglement vastgestelde studievoortgang van het derde studiejaar;
  4. nadat met de voordracht is ingestemd:
    (1) bevorderd tot luitenant ter zee der 2e klasse op de dag dat is vastgesteld dat hij de gehele initiŽle opleiding tot officier succesvol heeft afgerond;
    (2) bevorderd tot eerste luitenant der mariniers op de dag dat is vastgesteld dat hij de gehele initiŽle opleiding tot officier succesvol heeft afgerond.

3. De militair die is aangewezen voor een korte officiersopleiding voor luitenant ter zee der 2e klasse/eerste luitenant der mariniers wordt:

  1. bevorderd tot korporaal-adelborst:
    (1) (HBO/WO-vooropleiding) op de eerste dag van de maand volgend op de dag dat is vastgesteld dat hij heeft voldaan aan de in het examenreglement vastgestelde studievoortgang van onderwijsperiode 2 van het eerste studiejaar;
    (2) (HAVO-vooropleiding) op de eerste dag van de maand volgend op de dag dat is vastgesteld dat hij heeft voldaan aan de in het examenreglement vastgestelde studievoortgang van het eerste studiejaar;
  2. nadat met de voordracht voor benoeming tot officier is ingestemd:
    (1) benoemd tot luitenant ter zee der 3e klasse/tweede luitenant der mariniers op de eerste dag van de maand volgend op de dag dat is vastgesteld dat hij het theoretische deel van de opleiding succesvol heeft afgerond;
    (2) bevorderd tot luitenant ter zee der 2e klasse/eerste luitenant der mariniers op de dag dat hij de gehele initiŽle opleiding tot officier succesvol heeft afgerond.

4. De militair die bij aanstelling wordt aangewezen voor het volgen van de specialistenopleiding voor officieren wordt na afronding van de opleiding, nadat met de voordracht voor benoeming tot officier is ingestemd, benoemd tot de rang die is verbonden aan de functie die hem aansluitend aan de opleiding zal worden toegewezen.

5. De militair die in het kader van de regeling "werk-naar-werk" bij aanstelling wordt aangewezen voor het volgen van de opleiding tot officier wordt na afronding van de opleiding, nadat met de voordracht voor benoeming tot officier is ingestemd, benoemd tot de rang die is verbonden aan de functie die hem aansluitend aan de opleiding zal worden toegewezen.

6. De militair die is aangewezen voor de opleiding tot officier wordt, nadat met de voordracht voor benoeming tot officier is ingestemd:
(1) tijdelijk benoemd tot luitenant ter zee der 3e klasse bij aanvang van de opleiding;
(2) bevorderd tot luitenant ter zee der 2e klasse op de dag dat is vastgesteld dat hij de gehele opleiding tot officier succesvol heeft afgerond.

Artikel 3:11 Bevordering tijdens de opleiding tot officier bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee

1. De militair die is bestemd om een functie te gaan vervullen waaraan een officiersrang is verbonden, bekleedt gedurende de Algemene Luitenants Opleiding (ALO) 1 de stand van soldaat der derde klasse /marechaussee der vierde klasse, tenzij in deze regeling anders is vermeld.

2. De militair die op grond van zijn vooropleiding in aanmerking komt voor bekorting van de in het derde en het vierde lid genoemde opleidingen wordt in afwijking daarvan, bevorderd tot de daarin genoemde rangen na te zijn geslaagd voor overeenkomende, daarin genoemde delen van de opleiding.

3. De militair van de Koninklijke landmacht of de Koninklijke luchtmacht die via de korte officiersopleiding wordt opgeleid tot officier wordt bevorderd tot:

  1. cadet-korporaal, op de dag dat de ALO 1 succesvol is afgerond;
  2. cadet-vaandrig, op de dag dat de ALO 1 en 2 succesvol zijn afgerond;
  3. tweede luitenant, nadat de ALO 1 en 2 en de Vaktechnische Opleiding (VTO) succesvol zijn afgerond, met ingang van de dag waarop die militair zijn functie is toegewezen waaraan de rang van luitenant is verbonden;

4. De militair die via de niet-wetenschappelijke officiersopleiding wordt opgeleid tot officier Koninklijke marechaussee wordt bevorderd tot:

  1. marechaussee der tweede klasse, op de dag dat de ALO 1 succesvol is afgerond;
  2. kornet, op de dag dat de ALO 1 en 2 succesvol zijn afgerond;
  3. tweede luitenant, nadat de ALO 1 en 2 en de Vaktechnische Opleiding (VTO), waarvan een duale HBO-bacheloropleiding deel uitmaakt, succesvol zijn afgerond, met ingang van de dag waarop die militair zijn functie is toegewezen waaraan de rang van luitenant is verbonden.

5. De militair die via de militair-wetenschappelijke officiersopleiding waarvan de bachelor studie deel uitmaakt, wordt opgeleid tot officier wordt bevorderd tot:

  1. cadet-korporaal/marechaussee der tweede klasse, op de dag dat de ALO 1 succesvol is afgerond;
  2. cadet-sergeant/wachtmeester, op de dag dat de Gemeenschappelijke Officiers Opleiding(GOO) succesvol is afgerond;
  3. cadet-vaandrig/kornet, op de dag waarop het derde studiejaar succesvol is afgerond;
  4. tweede luitenant, nadat:
    (1) de volledige militair-wetenschappelijke officiersopleiding, waarvan de bachelor studie deel uitmaakt, succesvol is afgerond, met ingang van de dag waarop die militair een functie is toegewezen waaraan de rang van luitenant is verbonden, dan wel
    (2) met ingang van de dag gelegen 4 jaar na aanvang van de opleiding indien het voor hem geldende reguliere opleidingstraject tot dan toe binnen de normale termijnen succesvol is doorlopen.

6. De militair die reeds is aangesteld bij het beroepspersoneel en bestemd was voor het vervullen van onderofficiersfuncties en als gevolg van een bestemmingswijziging wordt opgeleid tot officier, wordt bevorderd tot:

  1. tijdelijk vaandrig/kornet, op de dag dat de verkorte ALO 1 en 2 succesvol zijn afgerond. De militair behoudt die tijdelijke rang totdat is voldaan aan artikel 24, eerste lid, van het AMAR;
  2. de rang behorend bij de functie die wordt toegewezen na succesvolle afronding van de opleiding.

Artikel 3:12 Bevordering tijdens de opleiding tot onderofficier bij de Koninklijke marine

De militair die bij aanstelling is bestemd voor functies als onderofficier wordt bevorderd tot korporaal op de dag dat hij de gehele initiŽle opleiding succesvol heeft afgerond.

Artikel 3:13 Bevordering tijdens de opleiding tot onderofficier bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee

1. De militair die bij aanstelling is bestemd om een functie te gaan vervullen bij de Koninklijke luchtmacht waaraan de rang van sergeant is verbonden, bekleedt gedurende de AMO de stand van soldaat der derde klasse, tenzij in deze regeling anders is vermeld.

2. De militair die is aangewezen voor het volgen van de opleiding tot onderofficier wordt bevorderd tot:

  1. soldaat der eerste klasse/marechaussee der derde klasse, op de dag dat de AMO/AMBV succesvol is afgerond;
  2. korporaal/marechaussee der tweede klasse, op de dag dat de AKO/de proeve van bekwaamheid Planton/publieke service (na BPV-Ol) succesvol is afgerond en - voor zover van toepassing - aanvangt met de Vaktechnische Opleiding (VTO);
  3. marechaussee der eerste klasse na het succesvol afronden van de summatieve toetsen (na LOKKMar 03);
  4. sergeant/wachtmeester, op de dag dat de initiŽle opleiding/Leergang Algemeen Opsporingsambtenaar KMar succesvol is afgerond, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

3. De militair van de Koninklijke landmacht wordt, voor zover sprake is van een aanvullende opleiding elektronica, bevorderd tot sergeant op de dag dat deze opleiding succesvol is afgerond, indien hij is bestemd om het loopbaanpatroon voor het technisch middenkader te gaan volgen.

4. De militair van de Koninklijke landmacht die is bestemd om het loopbaanpatroon als algemeen militair verpleegkundige (AMV) dan wel als algemeen militair verzorgende in de gezondheidszorg (AMVIG) te gaan volgen, wordt bevorderd tot sergeant op de dag dat het eerste studiejaar van de beroepsopleiding (fase 11) succesvol is afgerond.

5. De militair van de Koninklijke landmacht wordt bevorderd tot sergeant op de dag waarop hij de opleiding tot onderofficier succesvol heeft afgerond, met dien verstande dat hij wordt bevorderd tot sergeant der eerste klasse indien hij bestemd is om:

  1. het loopbaanpatroon voor het technisch middenkader te volgen;
  2. het loopbaanpatroon voor apothekersassistenten te volgen;
  3. het loopbaanpatroon voor algemeen militair verpleegkundige te volgen, direct aansluitend aan het behalen van het AMV-certificaat; of
  4. het loopbaanpatroon voor algemeen militair verzorgende in de gezondheidszorg te volgen, 6 jaar na bevordering tot sergeant.

6. De militair die is aangewezen voor het volgen van de opleiding tot onderofficier-specialist, wordt bevorderd tot de rang die behoort bij de functie waartoe hij bij zijn aanstelling is bestemd, op de dag dat hij de specialistenopleiding succesvol heeft afgerond.

Artikel 3:14 Bevordering tijdens de opleiding tot korporaal/marechaussee der tweede klasse bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht en Koninklijke marechaussee

1. De militair die bij aanstelling is bestemd om een functie te gaan vervullen waaraan de rang van korporaal/marechaussee der tweede klasse is verbonden, bekleedt gedurende de AMO/AMBV de stand van soldaat der derde klasse/marechaussee der vierde klasse.

2. De in het eerste lid bedoelde militair wordt bevorderd tot:

  1. soldaat der tweede klasse/marechaussee der derde klasse, op de dag waarop hij de AMO/AMBV succesvol heeft afgerond;
  2. korporaal/marechaussee der tweede klasse, op de dag waarop hij de FO/de proeve van bekwaamheid Planton/publieke service (na BPV-O1) van de initiŽle opleiding succesvol heeft afgerond.

Artikel 3:15 Bevordering tijdens de opleiding voor functies waaraan een stand is verbonden bij de Koninklijke marine

De militair die bestemd is voor functies waaraan een stand is verbonden wordt bevorderd:

  1. tot matroos der tweede klasse op de dag dat hij de eerste maritiem-militaire vorming, de vakopleiding, de bedrijfsveiligheidopleiding en de opleiding algemene scheepstaken succesvol heeft afgerond;
  2. tot marinier der tweede klasse op de dag dat hij de Elementaire militaire vorming mariniers succesvol heeft afgerond;
  3. tot matroos der eerste klasse als hij bestemd is voor functies bij de subdienstgroep bijzondere diensten wasser, op de dag dat hij de praktische bedrijfsintroductie succesvol heeft afgerond, maar niet eerder dan 3 maanden nadat de bevordering tot matroos der tweede klasse heeft plaatsgevonden;
  4. tot matroos der eerste klasse op de dag dat hij de praktische bedrijfsintroductie succesvol heeft afgerond, maar niet eerder dan 8 maanden nadat de bevordering tot matroos der tweede klasse heeft plaatsgevonden;
  5. tot marinier der eerste klasse op de dag dat hij de gehele initiŽle opleiding succesvol heeft afgerond;
  6. tot matroos der eerste klasse met terugwerkende kracht tot de datum gelegen 8 maanden nadat de bevordering tot matroos der tweede klasse heeft plaatsgevonden, eventueel vermeerderd met de duur van de verlenging indien de praktische bedrijfsintroductie door oorzaken behorend tot het risicogebied van de organisatie niet binnen de gestelde termijn van 8 maanden werd afgerond;
  7. tot matroos der eerste klasse als hij bestemd is voor functies bij de subdienstgroep bijzondere diensten wasser, met terugwerkende kracht tot de datum gelegen 3 maanden nadat de bevordering tot matroos der tweede klasse heeft plaatsgevonden, eventueel vermeerderd met de duur van de verlenging indien de praktische bedrijfsintroductie door oorzaken behorend tot het risicogebied van de organisatie niet binnen de gestelde termijn van 3 maanden werd afgerond;
  8. tot matroos der eerste klasse eerder dan de minimale termijn van 8 maanden indien sprake is van uitzonderlijk goed functioneren.

Artikel 3:16 Bevordering tijdens de opleiding tot soldaat bij de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht

1. De militair die bij aanstelling is bestemd om een functie te gaan vervullen waaraan de stand van soldaat is verbonden, bekleedt gedurende de AMO de stand van soldaat der derde klasse.

2. De in het eerste lid bedoelde militair wordt bevorderd tot soldaat der tweede klasse, op de dag waarop hij de AMO succesvol heeft afgerond.

3. Bevordering tot soldaat der eerste klasse tijdens de initiŽle opleiding vindt uitsluitend plaats ťťn jaar nadat de militair is bevorderd tot soldaat der tweede klasse indien hij binnen de termijn van een jaar, te rekenen vanaf de afronding van de AMO, de Functiegerichte Opleiding om organisatorische redenen niet succesvol heeft kunnen afronden.

4. Indien tijdens de initiŽle opleiding als bedoeld in het eerste lid het militaire en het vaktechnische opleidingsgedeelte geÔntegreerd worden verzorgd, vindt bevordering plaats op het tijdstip waarop het militaire opleidingsgedeelte zou zijn afgerond indien dat opleidingsgedeelte separaat zou zijn verzorgd. Bevordering vindt alsdan plaats indien de militair het tot dat moment voor hem geldende opleidingstraject met voldoende resultaat heeft doorlopen.

Paragraaf 3.3.2. Bevordering van militairen tijdens functie- of loopbaanopleidingen

Artikel 3:17 Bevordering tijdens functie- of loopbaanopleidingen

Aan de militair die tijdens een door hem te volgen functie- of loopbaanopleiding feitelijk wordt belast met de werkzaamheden verbonden aan de na voltooiing van de opleiding toe te wijzen functie, kan voor de duur van deze praktische tewerkstelling tijdelijk de aan die functie verbonden rang worden toegekend, dan wel in het kader van zijn opleiding, buiten het opleidingsinstituut tijdelijk wordt belast met het uitoefenen van gezag, kan voor deze periode titulair de vereiste rang worden toegekend.

Artikel 3:18 Bevordering na voltooiing van de loopbaanopleidingen bij de Koninklijke marine

1. De militair die is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot onderofficier wordt bevorderd tot korporaal op de dag dat hij de gehele loopbaanopleiding succesvol heeft afgerond.

2. De militair die is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot officier wordt - nadat met de voordracht is ingestemd - bevorderd:

  1. tot tijdelijk luitenant ter zee der 3e klasse op de dag dat hij het theoretische deel van die loopbaanopleiding succesvol heeft afgerond;
  2. tot luitenant ter zee der 2e klasse op de dag dat hij de gehele loopbaanopleiding succesvol heeft afgerond.

Paragraaf 3.3.3. Bevorderingen van militairen door ervaringsopbouw

Artikel 3:19 Ervaringsopbouw

1. Om voor een bevordering als bedoeld in artikel 24, zevende lid, onder b van het AMAR, in aanmerking te komen, dient de militair respectievelijk in de stand van soldaat dan wel de rang van korporaal/marechaussee der eerste klasse, sergeant/wachtmeester of tweede luitenant relevante ervaring tijdens een functievervulling te hebben verworven waarbij er door de commandant geen bezwaren tegen de voorgenomen bevordering zijn geuit.

2. De in het eerste lid bedoelde ervaring wordt aanwezig geacht indien de militair gedurende een voor zijn aanstellingscategorie en functieniveau vastgestelde periode op voldoende wijze heeft gefunctioneerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de bekwaamheid en geschiktheid van de militair als bedoeld in artikel 20, derde lid, van het AMAR. De duur van de hiervoor bedoelde periode kan in geval van onvoldoende functioneren worden verlengd met maximaal ťťn jaar.

3. Gedurende de periode dat de militair is geschorst dan wel in militaire detentie doorbrengt vindt geen ervaringsopbouw plaats. Indien de militair door ziekte of buitengewoon verlof niet in staat is geweest zijn functie daadwerkelijk te vervullen, dan wel er gedurende een aanmerkelijk gedeelte van de aangegeven periode sprake is geweest van overwegende bemerkingen op het functioneren, kan de duur van de periode als bedoeld in de eerste zin van het tweede lid worden verlengd met maximaal een half jaar.

4. Indien de militair binnen twaalf maanden voorafgaande aan zijn aanstelling reeds was aangesteld bij het beroepspersoneel en een functie op overeenkomstig rangniveau heeft vervuld, wordt die periode in mindering gebracht op de periode van de ervaringsopbouw welke is benodigd voor bevordering tot korporaal der eerste klasse, tot sergeant der eerste klasse dan wel voor bevordering tot eerste luitenant.

Artikel 3:20 Bevordering tot soldaat der eerste klasse bij de Koninklijke landmacht

De militair die bij zijn aanstelling is bestemd om een functie te gaan vervullen waaraan de stand van soldaat is verbonden, wordt bevorderd tot soldaat der eerste klasse een jaar nadat hij is bevorderd tot soldaat der tweede klasse, met dien verstande dat hij de Functiegerichte Opleiding succesvol dient te hebben afgerond.

Artikel 3:21 Bevordering tot soldaat der eerste klasse bij de Koninklijke luchtmacht

De militair wordt bevorderd tot soldaat der eerste klasse nadat hij gedurende een jaar als soldaat der tweede klasse een praktische training tijdens tewerkstelling heeft voltooid.

Artikel 3:22 Bevordering tot korporaal/marechaussee der eerste klasse

De militair wordt bevorderd tot korporaal/marechaussee der eerste klasse, met ingang van het tijdstip waarop hij na voltooiing van de initiŽle opleiding in de rang van korporaal/marechaussee der tweede klasse gedurende twee jaar ervaring heeft opgebouwd.

Artikel 3:23 Bevordering tot sergeant/wachtmeester der eerste klasse

De militair wordt bevorderd tot sergeant/wachtmeester der eerste klasse met ingang van het tijdstip waarop hij na voltooiing van de opleiding tot onderofficier in de rang van sergeant/wachtmeester gedurende vier jaar ervaring heeft opgebouwd.

Artikel 3:24 Bevordering tot eerste luitenant

1. De militair wordt bevorderd tot eerste luitenant nadat hij in de rang van tweede luitenant gedurende twee jaar ervaring heeft opgebouwd.

2. De militair, die na het bekleden van ten minste ťťn functie op het niveau van adjudantonderofficier, als doorstromer een functie op officiersniveau gaat vervullen, wordt vrijgesteld van de in het eerste lid bedoelde eis met betrekking tot de ervaringsopbouw. Deze militair wordt bevorderd tot eerste luitenant op het tijdstip waarop hem voor de eerste maal een officiersfunctie wordt toegewezen.

Paragraaf 3.4 Functie- en loopbaanbegeleiding

Artikel 3:25 Functie-introductiegesprek

1. De militair heeft binnen ťťn maand na aanvang van zijn functievervulling een functieintroductiegesprek met zijn functionele chef.

2. In het functie-introductiegesprek wordt de militair geÔnformeerd over wat van hem in de functie wordt verwacht. Voorts wordt de militair geÔnformeerd over de planning van de met hem te houden functioneringsgesprekken. In het functie-introductiegesprek wordt de zienswijze van de militair ten aanzien van de wijze van functievervulling besproken.

3. De functionele chef houdt in beginsel binnen twee maanden na aanvang van zijn functievervulling een functie-introductiegesprek met de medewerkers van wie hij de functionele chef is geworden. In dit gesprek komen eventueel al gemaakte afspraken met de militair eveneens aan de orde.

4. De functionele chef draagt zorg voor verslaglegging van het functie-introductiegesprek. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van het als bijlage 2 gevoegde FG-formulier.

Artikel 3:26 Functioneringsgesprek

1. De functionele chef nodigt ten minste twee weken voordat het functioneringsgesprek wordt gehouden, de militair hiervoor uit.

2. Tijdens het functioneringsgesprek komen in ieder geval de in artikel 28, zesde lid, van het AMAR genoemde onderwerpen aan de orde. Daarnaast kunnen zowel door de militair als door de functionele chef te bespreken onderwerpen worden ingebracht.

3. Een samenvatting van het gesprek, de gemaakte afspraken en aandachtspunten voor de komende periode ten aanzien de taakuitvoering en eventueel door de militair of de functionele chef, met instemming van de militair, ingebrachte nadere informatie, worden door de functionele chef vastgelegd in het externe gedeelte van het als bijlage 2 gevoegde FG-formulier. Wanneer de functionele chef of de militair meer informatie willen vastleggen wordt hiervoor het interne gedeelte van het FG-formulier gebruikt, dat alleen voor de functionele chef en de militair is bestemd.

4. Het interne gedeelte van het FG-formulier blijft in bezit van de militair en de functionele chef. De functionele chef draagt zorg voor vernietiging van zijn exemplaar bij beŽindiging van de dienstverhouding. Het externe deel van het FG-formulier wordt opgelegd in het persoonsdossier van de militair.

Artikel 3:27 Loopbaangesprek en POP-formulier

1. De afspraken die worden gemaakt tijdens een loopbaangesprek, worden vastgelegd in het als bijlage 3 gevoegde POP-formulier.

2. Ook wanneer een loopbaangesprek niet leidt tot overeenstemming over de te maken afspraken tussen de militair en de loopbaanbegeleider, wordt dit vastgelegd in het POP-formulier.

3. In geval dat geen overeenstemming wordt bereikt tussen de militair en de loopbaanbegeleider kan op verzoek van een of beide partijen aan een andere loopbaanbegeleider advies worden gevraagd.

4. Vastgelegde afspraken zijn bindend, ook wanneer de militair een andere functie wordt toegewezen, wordt ingedeeld bij een ander OPCO of wordt tewerkgesteld bij een ander defensieonderdeel.

5. De C-OPCO is, op grond van artikel 28a, zesde lid, van het AMAR, bevoegd de afspraken in het POP-formulier vast te stellen. De C-OPCO kan deze bevoegdheid ten hoogste mandateren aan het onder de Directeur Personeel & Organisatie ressorterende hoofd van de afdeling, belast met de taken op het vlak van personeel en organisatie binnen het betreffende OPCO.

6. In afwijking van het vijfde lid kan de Directeur Personeel & Organisatie van het Commando Landstrijdkrachten de in artikel 28a, zesde lid, van het AMAR verleende bevoegdheid ten hoogste in mandaat verlenen aan de Commandant Personeelslogistiek Commando en het Hoofd van de Sectie Loopbaanbegeleiding van het Personeelslogistiek Commando.

Artikel 3:28 Instelling adviescommissie ex artikel 28a, negende lid, AMAR

1. Ingesteld wordt een commissie, die, op aanvraag van de militair, adviseert over een mogelijke oplossing wanneer afspraken in het kader van de persoonlijke ontwikkeling niet worden nagekomen en, naar de mening van de militair, geen passend alternatief wordt geboden.

2. De in het eerste lid genoemde commissie bestaat uit een door de minister te benoemen voorzitter, een vertegenwoordiger van de centrales van overheidspersoneel, een vertegenwoordiger van het OPCO, waarbij de militair is ingedeeld, en in het geval de militair niet is tewerkgesteld bij het OPCO, waarbij hij is ingedeeld, op ad hoc-basis een vertegenwoordiger van het defensieonderdeel, waarbij de militair is tewerkgesteld.

3. Aanvragen voor advies moeten worden ingediend door tussenkomst van de C-OPCO, waarbij de militair is ingedeeld, en worden binnen vier weken voorzien van een advies van de C-OPCO.

4. De commissie brengt uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag advies uit en brengt zowel de militair als de betrokken C-OPCO schriftelijk van dit advies op de hoogte.

Artikel 3:29 Beoordelingen

1. PM

2. Voor het opstellen van een beoordeling wordt gebruik gemaakt van het in bijlage 4 opgenomen beoordelingsformulier.

3. Het beoordelingstijdvak, genoemd in artikel 28b, vijfde lid, van het AMAR, kan niet een deel van een periode omvatten waarover reeds een beoordeling is vastgesteld en tijdens dat tijdvak moet in beginsel ťťn fu nctioneringsgesprek hebben plaatsgevonden.

4. De aanvraag van een militair om een beoordeling op te maken, kan worden afgewezen, indien over de militair minder dan een jaar geleden, te rekenen van de datum van de aanvraag, een beoordeling is vastgesteld.

5. Indien de eerste of tweede beoordelaar niet de Nederlandse nationaliteit bezit zal het HDO, eventueel op voorstel van de commandant van de Nederlandse eenheid waarbij de te beoordelen militair administratief is ondergebracht, een Nederlandse militair of ambtenaar aanwijzen die als eerste of tweede beoordelaar optreedt. De bepalingen in het AMAR en deze regeling blijven daarbij onverkort van kracht.

6. Wanneer de militair werkzaam is in een zodanig - internationaal - verband, dat toepassing van het vijfde lid niet mogelijk is, gelden voor het opmaken en vaststellen van de beoordeling de desbetreffende internationale voorschriften en modellen.

Hoofdstuk 4 Doorstroom naar fase drie

Artikel 4:1 Afwijkende maximum looptijd in rang in fase een en twee (uitvoering artikel 29a, zesde lid, 29b, zesde lid, en 29c, vierde lid, AMAR)

Voor de in bijlage 1, onder c, bij deze voorlopige voorziening opgenomen specifieke groepen personeel gelden de daarbij genoemde afwijkende maximum looptijden in rang in fase een en twee.

Artikel 4:2 Verlengen maximale looptijd in rang of verschuiven bevorderingsmoment i.v.m. het volgen van de (onder)officiersopleiding (uitvoering artikel 29a, zesde lid, en 29b, zesde lid, AMAR)

1. Wanneer een soldaat, korporaal of een militair met een daarmee gelijkgestelde stand of rang is aangewezen voor of deelneemt aan een (onder)officiersopleiding, kan worden afgeweken van de in artikel 29a of 29b van het AMAR genoemde maximale looptijd in rang tot uiterlijk het moment waarop de militair de opleiding heeft afgerond en wordt bevorderd tot de rang van (onder)officier.

2. Wanneer de militair wordt ontheven van de in het eerste lid bedoelde opleiding of deze opleiding niet met goed gevolg volbrengt, is de in het eerste lid bedoelde maximum looptijd in rang weer onverkort van toepassing.

Artikel 4:3 Afwijkend selectiemoment voor doorstroom naar fase drie (uitvoering artikel 30, vijfde lid, AMAR)

PM

Artikel 4:4 Besluitvorming doorstroom onderofficieren en officieren (uitvoering artikel 31 AMAR)

1. De C-OPCO draagt ervoor zorg dat, in samenspraak met de loopbaanbegeleider, het initiatief wordt genomen om een militair door te laten stromen naar fase drie op een zodanig moment dat de militair uiterlijk drie jaar voor het bereiken van het voor hem op basis van het AMAR of deze regeling geldend doorstroommoment duidelijkheid heeft over zijn mogelijkheden.

2. Van de termijn van zes weken voor besluitvorming over doorstroom op basis van de voordracht, genoemd in artikel 31, eerste lid, van het AMAR, kan tot maximaal tien weken worden afgeweken in de volgende situaties:

  1. wanneer er meer kandidaten worden voorgedragen dan dat er functies beschikbaar zijn;
  2. wanneer er geen functies beschikbaar zijn bij het OPCO, waarbij de militair is ingedeeld en moet worden bekeken wat de mogelijkheden zijn bij de andere defensieonderdelen.

3. Voor de situaties, als bedoeld in het tweede lid, onder a en b, stelt de C-OPCO voor zijn OPCO een commissie in die:

  1. in de situatie, genoemd in het tweede lid, onder a, C-OPCO adviseert over de mate van geschiktheid van de voorgedragen militairen;
  2. in de situatie, genoemd in het tweede lid, onder b, na afstemming met de overeenkomstige commissies bij de andere OPCO's, C-OPCO adviseert over de mogelijkheden bij de andere defensieonderdelen.

4. Met het oog op een voortdurende en optimale informatie-uitwisseling tussen de genoemde commissies is de Defensiestaf in beginsel in elke commissie vertegenwoordigd.

5. Wanneer de militair aanvraagt om in aanmerking te worden gebracht voor doorstroom naar fase drie, dient hij deze aanvraag schriftelijk en zo nodig mondeling toe te lichten.

6. Een gesprek is verplicht wanneer het voornemen bestaat om de aanvraag van een militair af te wijzen.

Artikel 4:5 Toetsing uitvoering doorstroom- en bemiddelingsproces, bedoeld in Hoofdstuk 4 AMAR

1. De militair, die bij het Dienstencentrum externe bemiddeling defensiepersoneel (DCEBD), als bedoeld in artikel 31a, eerste lid, van het AMAR, is aangemeld, kan uiterlijk 5 maanden voor het beoogde ontslagmoment, genoemd in artikel 39, tweede lid, onder i, van het AMAR, bij de minister een aanvraag indienen om te laten onderzoeken of bij het doorstroom- en bemiddelingsproces, bedoeld in Hoofdstuk 4 AMAR, de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen.

2. De behandeling van de aanvraag, genoemd in het eerste lid, wordt uitgevoerd door de commissie, genoemd in artikel 3:28, eerste en tweede lid.

3. De commissie brengt uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag advies uit en brengt zowel de militair als de betrokken C-OPCO hiervan schriftelijk op de hoogte.

4. Indien de commissie van mening is dat tijdens het doorstroom- en bemiddelingsproces niet de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen, kan zij adviseren de datum van het ontslag, genoemd in artikel 39, tweede lid, onder i, van het AMAR, in beginsel 6 maanden uit te stellen en de bemiddelingsinspanning door de zorg van het DCEBD, als bedoeld in artikel 31a, eerste lid, van het AM AR, gedurende die periode voort te zetten. De termijn van 6 maanden kan in bijzondere gevallen worden verlengd indien de commissie daar op basis van onderzoek aanleiding toe ziet.

5. De betrokken C-OPCO beslist uiterlijk 2 weken na ontvangst van het advies, genoemd in het vierde lid, naar aanleiding van dat advies.

Hoofdstuk 5 Werk- en rusttijden

gereserveerd

Hoofdstuk 6 Verlof

gereserveerd

Hoofdstuk 7 Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg

gereserveerd

Hoofdstuk 8 Andere voorzieningen van materiŽle aard

gereserveerd

Hoofdstuk 9 Andere rechten en verplichtingen

gereserveerd

Hoofdstuk 10 Wijziging regelgeving

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]

Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 11:1 Toepassing overgangsbeleid

In bijlage 5 zijn nadere bepalingen opgenomen over de toepassing van het overgangsbeleid.

Artikel 11:2 Intrekking

De volgende beleidsregels en ministeriŽle regelingen worden ingetrokken:

  1. De Regeling opleidingen militairen;
  2. De Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering, voor zover deze ziet op militairen;
  3. De Beleidsregel functioneringsgesprekken en beoordelingen, voor zover deze ziet op militairen;
  4. de nota van de Staatssecretaris van Defensie van 13 december 2007, nr. P/2007033713, inzake Uitvoeringsaangelegenheden invoering Flexibel Personeelssysteem;
  5. de nota van de Staatssecretaris van Defensie van 8 december 2008, nr. P/2008032240, inzake Voorlopige voorziening van BBT'ers naar FPS;
  6. de nota van de Staatssecretaris van Defensie van 11 februari 2009, nr. P/2009001938, inzake Afwijking voorlopige voorziening overgang BBT'ers naar FPS.
  7. de regelingen van CZSK, CLAS, CLSK en CKMar inzake employability voorzieningen;
  8. het Voorschrift Koninklijke Marine 006 Regeling ambtsberichten van 9 mei 2007;
  9. de Procedureregel ambtsberichten militairen Koninklijke Marechaussee van 18 april 2000, nr. POB/2000/25744;
  10. de Procedureregel ambtsberichten militairen Koninklijke Landmacht van 21 september 2004, nr. PAA/04/17488;
  11. de Procedureregel ambtsberichten Koninklijke Luchtmacht van 8 augustus 2001.

Artikel 11:3 Inwerkingtreding

Deze voorziening treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening en werkt terug tot en met 1 februari 2011.

Artikel 11:4 Citeertitel

Deze voorziening wordt aangehaald als "Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR" (VV URAMAR).


Bijlage 1

a. Specifieke functiegroepen met maximum leeftijden bij aanstelling in fase 1 (art. 5a, tweede lid, AMAR en art. 2:1 URAMAR)

categorie maximumleeftijd bij aanstelling in fase 1
soldaat CLAS/CLSK 27
marechaussee 24
korporaal CLAS/CLSK 28
matroos/marinier 26
onderofficier 28
onderofficier KMar 24
officier 28
officier meerjarige opleiding 1) 25
officier vlieger 26
officier vlieger meerjarige opleiding 1) 23
officier specialistenopleiding 2) 32
officier algemeen militair arts 34
officier huisarts, tandarts en apotheker 37

 

1) Als meerjarige opleiding worden aangemerkt de militair-wetenschappelijke opleiding aan de NLDA, de opleiding aan de NLDA tot officier-gevechtsleider of officier-luchtverkeersleider bij het CLSK en de opleiding aan de NLDA en de Politieacademie tot officier bij de KMar.
2) Een specialistenopleiding is een initiŽle opleiding aan de NLDA van maximaal tien weken voor specifieke categorieŽn HBO- en WO-opgeleide aspirant-officieren.

b. Specifieke functiegroepen met afwijkende duur functievervulling (art. 17, zevende lid, AMAR en art. 3:8 URAMAR)

Voor alle in dit onderdeel genoemde functies en functiegroepen kan een afwijkende duur functievervulling van maximaal 7 jaar worden bepaald alsmede een daarmee samenhangende afwijkende beschikbaarheidsdatum van maximaal 4 jaar vanaf aanvang functievervulling.

Functie( groep)
Algemeen (maximaal 7 jaar):
Functies in het functiegebied Militaire muziek
Functies als Bedrijfsmaatschappelijk werker
Functies binnen het functiegebied Arbo en milieu
AV-specialisten (bij de Audiovisuele dienst)
KMar (maximaal 6 jaar, met mogelijkheid tot verlenging met 1 jaar):
Functies deel uitmakend van of vallend onder de opsporingsondersteuning (forensische recherche, zeden recherche, digitale recherche, milieu recherche, wapens-, munitie- en explosieven interceptie) evenal functies behorende tot de criminele inlichtingeneenheid, informatie en analyse knooppunt en de functie van recherchekundige/recherche adviseur, alsmede de functie van teamleider tactische opsporing
Functies met betrekking tot de inzet van Rijksvaartuigen ten behoeve van de persoonscontrole in het kader van de grensbewaking (personeel vaargroepen)
Functies deel uitmakend van het Expertise Centrum Identiteits- en Documentenfraude
Functies binnen het expertiseveld falsificaten
Functies deel uitmakend van het Expertise Centrum Luchthavens
Functies deel uitmakend van het Expertise centrum Mensensmokkel en Mensenhandel (EMM)
Functies deel uitmakend van Handhaving & Toezicht Beveiliging Burgerluchtvaart
Functies behorende tot het Korps Controle Vervoer Gevaarlijke Stoffen
Functies behorende tot de Bijzondere Dienst (BD) en Integrale veiligheidszorg
Functies in het kader van luchtwaarneming met betrekking tot opsporing en controle
Functies belast met opsporing binnen het werkveld hondengeleiding
Functies deel uitmakend van Operationele afdelingen BSB
Functies deel uitmakend van de Commandogroep afdeling Operationele Ondersteuning BSB
Functies deel uitmakend van Sectie Trainingsgroep BSB
Functies deel uitmakend van Sectie Operationele Logistiek BSB
Functies deel uitmakend van Sectie Informatie Unit BSB
Functies deel uitmakend van SIOG/BSB van de Opleidingseenheid LOKKMAR
Functies deel uitmakend van de Landelijke Meldkamer KMar (LMK)
Functies deel uitmakend van de Landelijke Meldkamer (Driebergen) en Meldkamer Schiphol
Functies in het kader van de Verkeers ongevallen analyse (VOA)
Functies deel uitmakend van de Integrale Beroepsvaardigheidsorganisatie (IBT)
Functies deel uitmakend van de afdeling Veiligheid en Integriteit (AV&I)


c. Specifieke groepen personeel met afwijkende maximum looptijd in rang in fase 1 en 2 (artikel 29a, zesde lid, 29b, zesde lid, en 29c, vierde lid, AMAR alsmede art. 4:1 URAMAR)

categorie Maximum looptijd in rang in fase 1 en 2
1. Korporaals en overeenkomstige rangen (art. 29b, zesde lid, AMAR)  
CZSK: Matroos der 1 e klasse/marinier der 1e klasse 10 i.p.v. 8 jaar
CLAS/CLSK: Korporaal geneeskundig verzorger 10 i.p.v. 8 jaar
CLAS: Korporaal spec ops TD en GN 12 i.p.v. 8 jaar
CLSK: Korporaal OGRV, lanceerder Patriot, LVL, Al en A3 (mechanica), automonteur, wapentechniek, VUT, schilder, chauffeur POL Cis, brandweer en hondengeleider 10 i.p.v. 8 jaar
2. Onderofficieren (art. 29c, vierde lid, AMAR)  
CLSK: Sgt VLOO, LVL, GL, (O)GRV, hondengeleider, lanceerder Patriot, vuurleider Patriot, Intell, Cis, B2 (Avionica), IDT-IVT, automonteur, GU, schilder, loadmaster, sport, GNK. B1-1 (vastvleugelig), B1-3 (heli), wapentechniek, vliegtuigplaatwerk en VUT 15 i.p.v. 10 jaar
CLAS/CLSK: Sgt EOD 12 i.p.v. 10 jaar
Kmar: Wachtmeester muzikant 15 i.p.v. 10 jaar
Kmar: Wachtmeester IBT en luchtwaarnemer 14 i.p.v. 10 jaar
CLAS/CZSK/CLSK: Sgt AMV/Gitter/Klinisch-chemisch analist/Tandarts assisten/Radiologisch-laborant 12 i.p.v. 10 jaar
3. Officieren (art. 29c vierde lid, AMAR)  
CZSK: LTZ20C/LTZV20C/LTZW20C/KAPMARNS in het bezit van brevet Vlieger/Waarnemer 12 i.p.v. 9 jaar
CLAS/CLSK/Kmar: Kapitein Jurist 12 i.p.v. 9 jaar
CLSK: Kapitein arts, vlieger, GL en LVL 12 i.p.v. 9 jaar

 


Bijlage 2: Functioneringsgespreksformulier

Het spreadsheet

Dit spreadsheet is beschikbaar via selfservice op Peoplesoft. Het streven is uitsluitend van de selfservice modaliteit gebruik te maken. Wanneer geen toegang tot deze service bestaat, kan de papieren versie van het formulier worden ingevuld en voor registratie aan de afdeling P&O worden aangeboden. Zie ook de toelichting in het formulier.

 


Bijlage 3: POP-formulier (artikel 3:27)

Het formulier


 

Bijlage 4: Beoordelingsformulier (art. 3:13)

Het formulier
Dit spreadsheet is beschikbaar via selfservice op Peoplesoft. Het streven is uitsluitend van de selfservice modaliteit gebruik te maken. Wanneer geen toegang tot deze service bestaat, kan de papieren versie van het formulier worden ingevuld en voor registratie aan de afdeling P&O worden aangeboden. Zie ook de toelichting in het formulier.


Bijlage 5: Toepassing overgangsbeleid

Algemeen
1. In Artikel 111 van het wijzigingsbesluit AMAR (Stb. 2011, 21) is overgangsbeleid opgenomen voor de militairen, die op het moment van inwerkingtreden van de wijziging de maximum looptijd in rang al hebben gepasseerd of deze binnen ťťn jaar passeren. Daarnaast zijn nog enkele andere groepen personeel onderscheiden, waarvoor separate afspraken zijn gemaakt. Voor de volledigheid wordt het gehele spectrum hieronder op een rij gezet.

2. Gewekte verwachtingen. In de aanloop naar de laatste wijziging van het AMAR (Stb. 2011, 21) is in de communicatie-uitingen steeds sprake geweest van maximum leeftijdsgrenzen die als sturingsinstrument zouden worden gehanteerd. Vanwege mogelijke leeftijdsdiscriminatie is in overleg met de centrales van overheidspersoneel van het leeftijdscriterium afgestapt en overgegaan tot een breder gebruik van het instrument maximum looptijden in rang. Echter, de voortdurende communicatie over leeftijdsgrenzen heeft verwachtingen gewekt. Zeker omdat het gebruik van maximum looptijden in rang in een aantal gevallen leidt tot een eerder ontslag dan wanneer zou zijn uitgegaan van maximum leeftijden.

3. Gelet op deze gewekte verwachtingen is ter uitvoering van het overgangsrecht ingevolge Artikel 111 van het wijzigingsbesluit AMAR een specifiek op dit aspect gericht overgangsbeleid geformuleerd. Dit luidt als volgt:

  1. Voor de FPS-militair in fase 1 of 2, die op 1 februari 2011 een functie bekleedde, geldt het doorstroom- en ontslag regime van het nieuwe AMAR met dien verstande dat bij de bepaling van de feitelijke datum van ontslag, als bedoeld in artikel 39, tweede lid, onder i, van het AMAR, een ondergrens wordt vastgesteld op basis van de volgende leeftijden:
    1e voor soldaten 30 jaar
    2e voor korporaals en overeenkomstige rangen 32 jaar;
    3e voor onderofficieren en officieren 35 jaar.
    Wanneer deze FPS-militair, bij het bereiken van de maximum looptijd in rang, een leeftijd heeft beneden deze ondergrens, wordt het ontslagmoment op basis van artikel 39, tweede lid, onder i, van het AMAR uitgesteld tot de desbetreffende ondergrens is bereikt. De militair kan, wanneer hij toch eerder, op het moment einde looptijd in rang, op basis van artikel 39, tweede lid, onder i, van het AMAR met ontslag wil, dit aangeven bij zijn C-OPCO. De soldaat/korporaal (of overeenkomstige rang) die kiest voor het uitgestelde ontslagmoment van 30 respectievelijk 32 jaar krijgt tenminste 2 jaar voor dat uitgestelde ontslagmoment duidelijkheid over mogelijkheden voor bevordering. De onderofficier/officier die kiest voor het uitgestelde ontslagmoment van 35 jaar krijgt tenminste 3 jaar voor dat uitgestelde ontslagmoment duidelijkheid over mogelijkheden voor doorstroom naar fase 3.
  2. Voor de militair met een toegekende FPS-aanstelling op of na 1 februari 2011 en de FPS militair, die op 1 februari 2011 een initiŽle opleiding volgde, die in zijn totaliteit 6 maanden of korter duurt, geldt onverkort het doorstroom- en ontslag regime van het nieuwe AMAR zonder dat er sprake is van een ondergrens als hierboven onder a is aangegeven.

Verdere uitwerking voor verschillende groepen personeel
Hierna wordt de toepassing van het overgangsbeleid met inachtneming van de punten 2 en 3 voor diverse groepen verder uitgewerkt.

4. Uitvoering overgangsbeleid op basis van Artikel 111 AMAR, met inachtneming van de afspraak in punt 2 en 3. Militairen die vallen onder de toepassing van artikel 111 van het AMAR, krijgen zo spoedig mogelijk na 1 februari 2011, na de gebruikelijke toetsing (beschikbaarheid functies binnen het OPCO, en op aangeven van de militair ook buiten het eigen OPCO, evenals geschiktheid) een persoonlijke brief door de zorg van het OPCO. Voor deze groep geldt de ontslagbeschermingtermijn van 12-18 maanden. De volgende groepen worden onderscheiden:

  1. soldaten (artikel 29a AMAR), met op 1 februari 2011 een totale looptijd in rang van 7 jaar of meer, met als ondergrens een leeftijd van 30 jaar;
  2. korporaals en overeenkomstige rangen (artikel 29b AMAR), met op 1 februari 2011 een totale looptijd in rang van 7 jaar of meer, met als ondergrens een leeftijd van 32 jaar;
  3. onderofficieren, te weten sergeanten (der 1 e klasse en overeenkomstige rangen, art. 29c, eerste lid, AMAR) met op 1 februari een totale looptijd in rang van 9 jaar of meer, met als ondergrens een leeftijd van 35 jaar;
  4. officieren, te weten kapiteins (en overeenkomstige rangen, art. 29c, tweede lid, AMAR) met op 1 februari een totale looptijd in rang van 8 jaar of meer, met als ondergrens een leeftijd van 35 jaar.

Voor specifieke functiegroepen kunnen afwijkende looptijden in rang gelden (art. 29a, zesde lid, art. 29b, zesde lid, art. 29c, vierde lid, AMAR en de Voorlopige voorziening URAMAR). Zo geldt voor bijvoorbeeld matrozen en mariniers der eerste klasse een afwijkende maximum looptijd in rang van 10 jaar in plaats van 8 jaar en bijvoorbeeld voor de sergeant AMV 12 jaar in plaats van 10. Voor die functiegroepen worden de onder a, b, c en d genoemde looptijden daarmee ook anders.

NB de brieven moeten in afschrift worden gezonden aan DCHR en de betrokken personeelsdienst.

5. Aparte aandacht moet worden besteed aan de militairen die niet vallen onder de regel in punt 4, maar die al wel de datum zijn gepasseerd, waarop zij volgens het AMAR duidelijkheid hadden moeten krijgen over hun mogelijkheden om bevorderd te worden (soldaten/korporaals; art. 29a, derde lid en 29b, derde lid, AMAR, uiterlijk 2 jaar voor bereiken maximum looptijd in rang) of te kunnen doorstromen (onderofficieren en officieren; art. 29c, derde lid, AMAR, uiterlijk 3 jaar voor bereiken maximum looptijd in rang). Ook hierbij zijn de afspraken, opgenomen in punt 2 en 3, van toepassing. Het gaat om de volgende groepen:

  1. soldaten (art. 29a AMAR) met een looptijd van 6 tot 7 jaar, met als ondergrens een leeftijd van 30 jaar;
  2. korporaals en overeenkomstige rangen (art. 29b AMAR) met een looptijd van 6 tot 7 jaar, met als ondergrens een leeftijd van 32 jaar;
  3. onderofficieren, te weten sergeanten (der 1 e klasse en overeenkomstige rangen, art. 29c, eerste lid AMAR), met een looptijd van 7 tot 9 jaar, met als ondergrens een leeftijd van 35 jaar;
  4. officieren, te weten kapiteins (en overeenkomstige rangen, art. 29c, tweede lid AMAR), met een looptijd van 6 tot 8 jaar, met als ondergrens een leeftijd van 35 jaar.

Voor specifieke functiegroepen kunnen afwijkende looptijden in rang gelden (art. 29a, zesde lid, art. 29b, zesde lid, art. 29c, vierde lid, AMAR en de Voorlopige voorziening URAMAR). Voor die functiegroepen worden de onder a, b, c en d genoemde looptijden daarmee ook anders.
De 2- of 3-jaartermijn op basis van het AMAR, waarbinnen de militair uiterlijk duidelijkheid moet worden verschaft over zijn bevorderings- of doorstroommogelijkheden, kan niet meer worden toegepast, omdat die datum al is gepasseerd. Uit het oogpunt van goed werkgeverschap wordt de termijn van 2 of 3 jaar desondanks gehandhaafd, ook al wordt daarmee de maximum looptijd in rang met een korte periode gepasseerd. Dit betekent dat deze militairen op zo kort mogelijke termijn een brief wordt toegezonden door de zorg van het OPCO, waarin hen duidelijkheid wordt verschaft over hun persoonlijke situatie. Daarbij wordt ook de uiterste ontslagdatum, met inachtneming van de al genoemde 2- of 3-jaartermijn, te rekenen vanaf datum inwerkingtreding wijziging AMAR, vastgesteld. Ook moet worden aangegeven dat zij 1 jaar voor de beoogde ontslagdatum worden aangemeld bij het DCEBD.

NB de brieven moeten in afschrift worden gezonden aan DCHR en de betrokken personeelsdienst.

6. Uitvoering regulier bevorderings- en doorstroomproces. FPS-militairen, die op 1 februari 2011 een functie bekleedden en nog niet de datum zijn gepasseerd, waarop zij volgens het AMAR duidelijkheid hadden moeten krijgen over hun mogelijkheden om bevorderd te worden (soldaten/korporaals; art. 29a, derde lid en 29b, derde lid, AMAR, uiterlijk 2 jaar voor bereiken maximum looptijd in rang) of te kunnen doorstromen (onderofficieren en officieren; art. 29c, derde lid, AMAR, uiterlijk 3 jaar voor bereiken maximum looptijd in rang), vallen onder het reguliere bevorderings- dan wel doorstroomproces, zoals opgenomen in Hoofdstuk 4 van het AMAR, maar met inachtneming van de afspraken opgenomen in punt 2 en 3:

  1. soldaten (artikel 29a AMAR), die op 1 februari 2011 een totale looptijd in rang hebben van maximaal 6 jaar volgen het reguliere traject zoals beschreven in artikel 29a en 31a van het AMAR, met als ondergrens een leeftijd van 30 jaar;
  2. korporaals en overeenkomstige rangen (artikel 29b AMAR), die op 1 februari 2011 een totale looptijd in rang hebben van maximaal 6 jaar volgen het reguliere traject zoals beschreven in artikel 29b en 31a van het AMAR, met als ondergrens een leeftijd van 32 jaar;
  3. onderofficieren, te weten sergeanten (der 1 e klasse en overeenkomstige rangen, art. 29c, eerste lid, AMAR) en die op 1 februari 2011 een looptijd in rang hebben van maximaal 7 jaar volgen het reguliere traject zoals beschreven in artikel 29c tot en met 31a van het AMAR, met als ondergrens een leeftijd van 35 jaar;
  4. officieren, te weten kapiteins (en overeenkomstige rangen; art. 29c, tweede lid AMAR) die op 1 februari 2011 een looptijd in rang hebben tot 6 jaar volgen het reguliere traject zoals beschreven in artikel 29c tot en met 31a van het AMAR, met als ondergrens een leeftijd van 35 jaar.

Voor specifieke functiegroepen kunnen afwijkende looptijden in rang gelden (art. 29a, zesde lid, art. 29b, zesde lid, art. 29c, vierde lid, AMAR en de Voorlopige voorziening URAMAR). Voor die functiegroepen worden de onder a, b, c en d genoemde looptijden daarmee ook anders.

7. Herstel van al in gang gezette processen. Eind 2010 heeft een aantal militairen een brief ontvangen, waarin is meegedeeld dat zij, gelet op hun leeftijd, niet in aanmerking komen voor bevordering of doorstroom naar fase 3 en daarom zijn aangemeld bij het DCEBD. Het gaat om militairen van CZSK, CLSK en de KMar. Omdat inmiddels is afgestapt van het leeftijdscriterium zal aan deze militairen een nieuwe brief door de zorg van het OPCO worden toegezonden. Hierbij worden ook de hiervoor genoemde punten 2 en 3 van het overgangsbeleid in acht genomen. Daarbij kunnen twee groepen worden onderscheiden:

  1. de militairen die in bemiddeling bij DCEBD zijn, maar die per 1 februari 2011 hun maximum looptijd in rang op basis van de AMAR-wijziging nog niet hebben bereikt.
    Deze groep krijgt een correctiebrief, waarbij de oude (Ieeftijds)brief wordt ingetrokken. Hierbij wordt hen wel de vraag gesteld of zij toch tot einde looptijd in rang bij Defensie willen blijven of dat zij het bemiddelingsproces door DCEBD willen laten doorlopen.
  2. de militairen die al een brief hebben gehad, waarin hen is meegedeeld dat zij niet in aanmerking komen voor doorstroom naar fase 3, maar die ook de maximum looptijd in rang per 1 februari 2011 op basis van de AMAR-wijziging zijn gepasseerd of binnen een jaar passeren, krijgen een correctiebrief, onder gelijktijdige intrekking van de "oude" brief. De nieuwe brief is inhoudelijk gelijk (negatief bevorderings- of doorstroombesluit) maar zal zijn gebaseerd op het looptijdcriterium in plaats van het leeftijdcriterium.

NB de brieven moeten in afschrift worden gezonden aan OCHR en de betrokken personeelsdienst.

8. Individuele toezeggingen. Concrete, identificeerbare individuele toezeggingen, die afwijken van het overgangsbeleid, en waarin de punten 2 tot en met 7 niet voorzien, worden gerespecteerd. Zo zijn er met een groot aantal militaire chauffeurs toezeggingen gedaan op basis van leeftijden, die een ander, later ontslagmoment kennen dan het ontslagmoment op basis van de maximale looptijd in rang. Wanneer dergelijke afspraken kunnen worden aangetoond, worden zij gerespecteerd.

9. Redelijkheid en billijkheid. Een voorstel van C-OPCO tot afwijking op basis van redelijkheid en billijkheid van de hiervoor beschreven toepassing van het overgangsbeleid, wordt door het OPCO ter beslissing voorgelegd aan de HOP.