1. Het verlenen van ontslag aan de militair met een officiersrang geschiedt bij koninklijk besluit.
2. Het verlenen van ontslag aan de militair met een rang beneden de rang van luitenant ter zee der 3e klasse/tweede-luitenant, of een stand, geschiedt door Onze Minister.
1. Aan de militair kan ontslag op aanvraag worden verleend, indien hij daartoe aan het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag schriftelijk de wens te kennen geeft. Indien de ontslagaanvraag wordt ingediend tijdens de proeftijd vindt artikel 12m, onder b, c of d, van de Militaire ambtenarenwet 1931, geen toepassing.
2. Aan de militair kan verder uitsluitend ontslag worden verleend:
| Noot bij het tweede lid,
onder i: Artikel III van Staatsblad 2011, 21: 1. De militair, die zich in fase twee bevindt en op de datum van inwerkingtreding van dit besluit het moment van ontslag, genoemd in artikel 39, tweede lid, onder i, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, is gepasseerd of dit moment binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit bereikt, wordt, voor begeleiding bij de overgang naar een betrekking op de civiele arbeidsmarkt, aangemeld bij het Dienstencentrum externe bemiddeling defensiepersoneel en ontslagen op grond van artikel 39, tweede lid, onder i, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, waarbij de ontslagdatum minimaal twaalf maanden maar uiterlijk achttien maanden ligt na het moment van inwerkingtreding van dit besluit. 2. Het eerste lid is niet van toepassing, wanneer binnen de genoemde termijn een besluit wordt genomen, als bedoeld in artikel 31, vierde lid, onder a, van het Algemeen militair ambtenarenreglement. Zie ook Artikel 11:1 en Bijlage 5 van de Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR. |
3. Aan de militair die behoort tot het reserve-personeel kan voorts ontslag worden verleend ter zake van een aanstelling in een betrekking, die krachtens enig wettelijk voorschrift onverenigbaar is met de militaire dienst.
4. Aan de militair die is aangesteld bij het reserve-personeel op grond van zijn burgerlijke betrekking kan voorts nog ontslag worden verleend ter zake van beëindiging van die burgerlijke betrekking.
5. Aan de militair die behoort tot het reservepersoneel kan voorts nog ontslag worden verleend indien het op grond van artikel 38 bevoegde gezag handhaving van die dienstverhouding niet langer nodig oordeelt.
6a. Aan de militair behorend tot het beroepspersoneel die de rang van commandeur, brigade-generaal of commodore bekleedt, of die een hogere rang bekleedt, kan voorts ontslag worden verleend.
1 op voordracht van Onze minister-president en Onze Minister, wanneer het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt;
2 op andere gronden;
b. In deze gevallen wordt bij koninklijk besluit -in het geval bedoeld onder a, ten eerste, op gezamenlijke voordracht van Onze minister-president en van Onze Minister- een regeling getroffen waarbij aan de betrokkene een uitkering wordt toegekend welke met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Die regeling zal in geen geval nadeliger mogen zijn dan die, volgens welke de uitkering ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen zou zijn toegekend, waarop de betrokken militair aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hem, in plaats van vorenbedoeld ontslag, op grond van het tweede lid onder a, ontslag zou zijn verleend.
7. Aan de militair voor wie na de aanstelling een proeftijd geldt, kan tijdens die proeftijd ontslag worden verleend zonder toepassing van één van de in het tweede lid genoemde ontslaggronden.
8. Wanneer een ontslag op aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend in verband met het aanvaarden van een betrekking op de civiele arbeidsmarkt binnen drie maanden voor het bereiken van het moment van ontslag, genoemd in artikel 39, tweede lid, onder i, wordt dit ontslag aangemerkt als een ontslag op grond van het tweede lid, onder i.
In afwijking van artikel 39, tweede lid, onderdeel a, kan aan de militair die vóór 1 januari 2002 voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel, ontslag worden verleend wegens het bereiken of overschrijden van de volgende ontslagleeftijd:
In afwijking van artikel 39, tweede lid, onderdeel a, wordt, onverminderd artikel 39a, ontslag verleend wegens het bereiken van een individueel te bepalen leeftijd gelegen tussen de leeftijd van zestig en vijfenzestig jaar:
1. De voor de militair geldende ontslagleeftijd kan met een maximum van twee
jaren worden verlaagd in verband met de buiten Nederland doorgebrachte inzet in
het kader van een vredes- of humanitaire operatie met dien verstande dat de
ontslagleeftijd nimmer lager kan zijn dan achtenvijftig jaar.
2. De in het eerste lid bedoelde verlaging bedraagt:
Aan de militair die een benoeming tot minister of staatssecretaris aanvaardt, wordt om die reden ontslag verleend.
Het ontslag wordt "eervol" verleend, behoudens in de gevallen, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, l, m en n, in welke gevallen het ontslag zonder die aanduiding wordt verleend.
Ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder d, kan slechts plaatsvinden indien het naar het oordeel van Onze Minister na een zorgvuldig onderzoek bedoeld in artikel 53c, eerste en tweede lid, niet mogelijk is gebleken de militair binnen het gezagsbereik van Onze Minister een andere passende functie toe te wijzen. Het ontslag zal worden verleend na ommekomst van het volledige herplaatsingsonderzoek bedoeld in artikel 53c of eerder indien zulks met de militair wordt overeengekomen dan wel sprake is van een situatie bedoeld in artikel 53e, derde lid.
Ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder j, kan slechts plaatsvinden indien het naar het oordeel van Onze Minister na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de militair binnen het gezagsbereik van Onze Minister een andere, mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passende, functie toe te wijzen, dan wel indien hij een zodanige functie weigert te aanvaarden. In het onderzoek wordt de mogelijkheid tot bij- of omscholing van de militair betrokken.
Ontslag om de reden, genoemd in artikel 39, tweede lid onder f, wordt pas verleend, nadat de militair ter zake van het ontstaan, de aard en de gevolgen van zijn ziekte of gebrek is onderworpen aan een geneeskundig onderzoek naar de regelen, gesteld bij het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen.
1. Ontslag om de reden als bedoeld in artikel 12g, tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931, kan slechts plaatsvinden met medewerking van Onze Minister-President dan wel, indien het de militair met een officiersrang betreft, op voordracht van Onze Minister-President en Onze Minister. Daaraan voorafgaand wordt het advies ingewonnen van een commissie, bestaande uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden.
2. De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie, bedoeld in het eerste lid worden bij koninklijk besluit benoemd op voordracht van Onze Minister-President en van Onze Minister. De taak, samenstelling en werkwijze van de commissie worden bij de instelling geregeld.
Vervallen
1. Ontslag wordt in het algemeen verleend met ingang van de eerste dag van een kalendermaand.
2. Een ontslag op aanvraag anders dan tijdens de proeftijd en een ontslag om een van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder c, d, e, f, g i en j, gaan niet eerder in dan nadat ten minste drie maanden zijn verstreken sedert het tijdstip waarop de aanvraag om ontslag is ingediend onderscheidenlijk de militair van de beslissing tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.
3. Een ontslag op aanvraag tijdens de proeftijd en de ontslagen, bedoeld in artikel 39, tweede lid onder h, en zevende lid, gaan niet eerder in dan nadat ten minste een maand is verstreken sedert het tijdstip waarop de aanvraag om ontslag is ingediend of de militair van de beslissing onderscheidenlijk het voorstel tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.
4. De in het tweede en derde lid genoemde termijnen kunnen op verzoek van de militair worden bekort.
5. Een ontslag ten gevolge van het aanvaarden van het ambt van minister of staatssecretaris, als bedoeld in artikel 40, gaat in op de dag van aanvaarding van dit ambt.
Ontslag dat is verleend om een andere reden dan genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n, en dat nog niet is ingegaan, wordt ingetrokken, indien zich inmiddels een omstandigheid heeft voorgedaan die het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag aanleiding geeft de militair te ontslaan om één van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n.
1. In afwijking van artikel 47, tweede lid, kan het tijdstip van ingang van een ontslag op aanvraag van de militair die om redenen van dienst buiten Nederland verblijft, worden uitgesteld voor de tijd die onvermijdelijk nodig is om hem aldaar te vervangen, maar voor ten hoogste drie maanden.
2. Het ontslag van de militair die om redenen van dienst buiten Nederland verblijft, gaat eerst in op een datum gelegen na het tijdstip van zijn terugkeer in Nederland.
3. Van het tweede lid kan worden afgeweken, indien de militair zulks aanvraagt en het dienstbelang zich naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet verzet tegen inwilliging van het aanvraag, of indien de terugkeer niet tijdig plaatsvindt ten gevolge van omstandigheden die zijn te wijten aan de schuld of het toedoen van de militair.
Vervallen
1. Aan de militair aan wie ontslag wordt verleend nadat hij ten minste één jaar in werkelijke dienst is geweest, wordt op zijn verzoek door commandant operationeel commando een getuigschrift uitgereikt.
2. Het getuigschrift vermeldt:
3. De in lid 2, onderdelen c en d, genoemde gegevens worden slechts op verzoek van de militair in het getuigschrift vermeld.
vervallen
De militair is van rechtswege ontslagen:
In deze gevallen wordt de militair door Onze Minister schriftelijk in kennis gesteld van het feit dat, de datum met ingang waarvan en de reden waarom hij van rechtswege ontslagen is.