Hoofdstuk 5 Schorsing

Artikel 34 Gevallen waarin schorsing plaatsvindt

1. De militair is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij die vrijheidsbeneming het gevolg is van:

  1. een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid of;
  2. een straf op grond van de Wet militair tuchtrecht.

2. De militair kan voorts in zijn ambt worden geschorst:

  1. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
  2. wanneer hem is medegedeeld dat hij in aanmerking zal worden gebracht voor ontslag als bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel k, l, m of n, dan wel als bedoeld in artikel 12g, tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931;
  3. wanneer het belang van de dienst zulks vordert.

Artikel 35 Wijze waarop schorsing plaatsvindt

1. Schorsing als bedoeld in artikel 34, tweede lid, geschiedt door de commandant.

2. In afwijking van het eerste lid geschiedt de schorsing van een geestelijk verzorger en van een militair als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel c, d en e, door Onze Minister.

3. Een schorsing als bedoeld in artikel 34, tweede lid, gaat in op het tijdstip, waarop deze de betrokken militair bekend wordt gemaakt. Indien het gedurende zes dagen feitelijk niet mogelijk is de militair het schorsingsbesluit ter kennis te brengen, gaat de schorsing in op de zevende dag na de dagtekening van het schorsingsbesluit.

Artikel 36 Opheffing van de schorsing

1. Een schorsing als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel a en b, eindigt wanneer hij wordt opgeheven door de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 35.

2. Een schorsing als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel c, wordt opgeheven wanneer de belangen van de dienst de schorsing niet meer vorderen, doch uiterlijk na drie maanden, tenzij de omstandigheid die aanleiding gaf voor die schorsing zich nog immer voordoet.

Artikel 37

Vervallen

Naar hoofdstuk 6