Onze Minister stelt het aantal militairen vast dat een bepaalde rang mag bekleden.
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder soldaten: bij de Koninklijke landmacht en luchtmacht: soldaten der 1e, 2e en 3e klasse.
2. Voor soldaten bedraagt de maximum looptijd in rang in totaal acht jaren.
3. Ten aanzien van soldaten wordt uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang, door Onze Minister besloten of hij tijdens de resterende periode kan worden bevorderd naar een hogere rang, als bedoeld in artikel 29b en 29c.
4. Onze Minister besluit over de bevordering naar een hogere rang, genoemd in het derde lid, op basis van:
5. Soldaten komen niet in aanmerking voor doorstroom naar functievervulling in fase drie.
6. Bij ministeriële regeling kunnen voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies binnen die functiegroep in samenhang met de arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen functiegroep.
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder korporaals en overeenkomstige rangen:
2. Voor korporaals en overeenkomstige rangen bedraagt de maximum looptijd in rang in totaal acht jaren.
3. Ten aanzien van korporaals en overeenkomstige rangen wordt uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang, door Onze Minister besloten of hij tijdens de resterende periode kan worden bevorderd naar een hogere rang, als bedoeld in artikel 29c.
4. Onze Minister besluit over de bevordering naar een hogere rang, genoemd in het derde lid, op basis van:
5. Korporaals of militairen met een overeenkomstige rang komen niet in aanmerking voor doorstroom naar functievervulling in fase drie.
6. Bij ministeriële regeling kunnen voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies binnen die functiegroep in samenhang met de arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen functiegroep.
1. Voor korporaals bij de Koninklijke marine, sergeanten, wachtmeesters alsmede sergeanten/wachtmeesters der 1e klasse bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht en marechaussee bedraagt de maximum looptijd in rang in fase een en twee in totaal tien jaren.
2. Voor officieren in de rang van luitenant ter zee der 2e klasse oudste categorie, kapitein der mariniers of kapitein bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht of marechaussee bedraagt de maximum looptijd in rang in fase een en twee negen jaren.
3. Voor een onderofficier bedoeld in het eerste lid en een officier bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk drie jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang, een besluit genomen over zijn mogelijkheden tot doorstroom naar fase drie.
4. Bij ministeriële regeling kunnen voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies binnen die functiegroep in samenhang met de arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen functiegroep.
1. Met inachtneming van artikel 29a, derde lid, 29b, derde lid, en 29c, kan Onze Minister een militair voordragen voor doorstroom naar fase drie.
2. Wanneer een militair op verzoek van de commandant van het operationeel commando zijn voorkeur kenbaar maakt voor een of meerdere, door de commandant van het operationeel commando bepaalde functies en dit leidt tot een functietoewijzing, die gepaard gaat met een doorstroom naar fase drie, wordt dit aangemerkt als een voordracht, bedoeld in het eerste lid. Wanneer geen functietoewijzing plaatsvindt, wordt het kenbaar maken van de voorkeur door de militair niet aangemerkt als een aanvraag, bedoeld in het derde lid.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, kan de militair in fase een of twee zelf maximaal drie maal een aanvraag voor doorstroom naar fase drie bij Onze Minister indienen.
4. Onze Minister informeert de militair tijdig over de mogelijkheid, bedoeld in het derde lid.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
1. Onze Minister besluit in beginsel binnen uiterlijk zes weken na ontvangst van de voordracht, genoemd in artikel 30, eerste lid, of de aanvraag, genoemd in artikel 30, derde lid, op basis van:
2. Bij de bepaling van de geschiktheid van de militair, bedoeld in het eerste lid, onder c worden ten minste in beschouwing genomen:
3. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen kan worden afgeweken van de in het eerste lid genoemde termijn van zes weken tot een maximum van tien weken.
4. In het in het eerste lid genoemde besluit wordt de militair meegedeeld dat hij:
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
1. De soldaat, genoemd in artikel 29a, de korporaal of de militair met een overeenkomstige rang, genoemd in artikel 29b, of de militair aan wie een besluit, als bedoeld in artikel 31, vierde lid onder b of c, is meegedeeld en aan wie ontslag zal worden verleend op grond van artikel 39, tweede lid, onder i, wordt door de commandant van het operationeel commando, waarbij hij is ingedeeld, uiterlijk één jaar voor het beoogde ontslagmoment aangemeld bij de organisatie-eenheid belast met de externe bemiddeling van defensiepersoneel, voor begeleiding bij de overgang naar een betrekking op de civiele arbeidsmarkt.
2. De militair die om ontslag verzoekt, kan op zijn aanvraag, onder regie van de organisatie-eenheid belast met de externe bemiddeling van defensiepersoneel, gedurende ten hoogste een periode van een jaar, voorafgaand aan de datum van ontslag, worden begeleid bij de overgang naar een betrekking op de civiele arbeidsmarkt.
Vervallen
Vervallen