De militair wordt door Onze Minister bij aanstelling in beginsel aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding. Deze opleiding is ten minste gericht op het verkrijgen van de benodigde kennis en vaardigheid voor de eerste functie(s) waarvoor hij is bestemd.
1. De militair wordt voor het verkrijgen van benodigde kennis en vaardigheden door Onze Minister aangewezen voor:
2. Onze Minister vergoedt de aan een functieopleiding verbonden kosten.
1. De militair kan met inachtneming van artikel 28a door Onze Minister worden aangewezen voor een opleiding gericht op het verwerven van kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het vervullen van functies waaraan een hogere rang is verbonden dan de militair bekleedt.
2. Onze Minister vergoedt de aan een loopbaanopleiding verbonden kosten.
1. De militair wordt op zijn aanvraag door Onze Minister aangewezen voor een opleiding die ziet op zijn persoonlijke ontwikkeling ten behoeve van de verbreding van zijn loopbaanmogelijkheden binnen Defensie. De aanvraag gaat vergezeld van een advies van de loopbaanbegeleider.
2. Onze Minister vergoedt de aan een opleiding in het kader van de persoonlijke ontwikkeling verbonden noodzakelijke kosten, die voor rekening van de militair komen.
3. Wanneer de opleiding dan wel de noodzakelijke voorbereiding daarop plaatsvindt tijdens de arbeidstijd van de militair, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van arbeid. Indien zwaarwegende redenen van dienstbelang dit noodzakelijk maken, kan de vrijstelling van arbeid door Onze Minister tijdelijk worden opgeheven.
1. De militair kan een aanvraag indienen bij Onze Minister om te worden aangewezen voor een opleiding, gericht op een loopbaan buiten het ministerie van Defensie. De aanvraag gaat vergezeld van een advies van de loopbaanbegeleider of, wanneer sprake is van een extern bemiddelingstraject, als bedoeld in artikel 31a, van een advies van de organisatie-eenheid belast met de externe bemiddeling van defensiepersoneel.
2. Bij een besluit van Onze Minister tot aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met:
3. Wanneer de opleiding is gericht op het voortzetten van de loopbaan buiten Defensie binnen het functiegebied, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, en op een vergelijkbaar werkniveau worden de kosten voor de opleiding volledig vergoed.
4. Wanneer de opleiding is gericht op het voortzetten van de loopbaan buiten Defensie buiten het functiegebied, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, dan wel op een hoger werkniveau worden de kosten voor de opleiding vergoed tot bij ministeriële regeling vast te stellen maximum bedragen.
5. Wanneer de opleiding niet kan worden afgerond voordat ontslag plaatsvindt op grond van artikel 39, tweede lid, onder i, kan, in voorkomend geval in afwijking van artikel 29a tot en met 29c, de ingangsdatum van het ontslag door Onze Minister met instemming van de militair worden opgeschort tot:
6. Wanneer bemiddeling van de militair op basis van artikel 31a van dit besluit binnen het functiegebied en op een vergelijkbaar werkniveau, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, niet mogelijk is, en de militair aangeeft een opleiding, als bedoeld in het vierde lid, te willen volgen, zijn het derde en vijfde lid, onder a, van overeenkomstige toepassing zijn op deze opleiding.
7. Met instemming van de militair kan door Onze Minister worden afgeweken van het vierde en vijfde lid, onder b, waar het gaat om maximale duur van de voortzetting van het dienstverband met het oog op de afronding van de opleiding en daarmee samenhangende vergoeding van de kosten.
8. Wanneer de opleiding plaatsvindt tijdens de arbeidstijd van de militair, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van arbeid, tenzij dit op grond van zwaarwegende redenen van dienstbelang niet mogelijk is.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van dit artikel.
1. Onze Minister kan de militair vrijstelling verlenen van een opleiding, bedoeld in artikel 13 tot en met 16, of delen daarvan, indien blijkt dat reeds over de benodigde kennis en vaardigheid wordt beschikt.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van het eerste lid.
1. Aan de militair kan op diens aanvraag een voorschot worden verstrekt voor de door hem te maken kosten voor een opleiding, als bedoeld in artikel 16 en 16a.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van het eerste lid.
De militair, die is aangewezen voor het volgen van een opleiding, als bedoeld in artikel 13 tot en met 16, kan daarvan door Onze Minister worden ontheven, indien hij niet voldoet aan de voor de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van de militair noodzakelijk is.
1. Aan de aanwijzing voor een opleiding, als bedoeld in artikel 13 tot en met 16a, kan door Onze Minister de verplichting worden verbonden tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de kosten van de opleiding, indien de militair na het verstrijken van de voor hem geldende proeftijd:
2. Bij de berekening van het terug te betalen bedrag wordt uitgegaan van een evenwichtige verdeling van risico’s tussen werkgever en werknemer.
3. Het bedrag van de terugbetalingsverplichting in geval van een initiële opleiding, als bedoeld in artikel 13, wordt naar evenredigheid verminderd naarmate de termijn van de hem op basis van artikel 12k van de Militaire Ambtenarenwet 1931 opgelegde verplichting is verstreken met dien verstande dat de periode van de proeftijd hierbij meetelt.
4. Het door de militair terug te betalen bedrag wordt als volgt vastgesteld:
5. De militair op wie een terugbetalingsverplichting rust, wordt ontslagen van die verplichting, indien hij bij ontslag op aanvraag, als bedoeld in artikel 39, eerste lid, binnen zes maanden na dat ontslag wordt aangesteld als ambtenaar bij het Ministerie van Defensie.
6. Het door de militair terug te betalen bedrag is direct opeisbaar, wanneer een omstandigheid, als bedoeld in het eerste lid, zich voordoet, en wordt in beginsel in één termijn voldaan. Onze Minister kan een afbetalingsregeling treffen.
7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van dit artikel.
1. Functietoewijzing en ontheffing uit een functie geschiedt door Onze Minister.
2. De functie wordt in beginsel voor minimaal twee jaar en maximaal drie jaar toegewezen. De duur van de functievervulling kan met instemming van de militair worden verlengd tot een maximum van vijf jaar.
3. De militair is gehouden de hem toegewezen functie te vervullen.
4. Gedurende de eerste twee jaar van functievervulling komt de militair in beginsel niet in aanmerking voor plaatsing op een andere functie.
5. Na ontheffing uit de functie volgt in beginsel functietoewijzing of bestemming voor een functieopleiding.
6. Indien de militair buiten staat is de hem toegewezen functie te vervullen, kunnen daaraan door Onze Minister consequenties worden verbonden.
7. In afwijking van het tweede lid kan voor bij ministeriële regeling aan te wijzen specifieke functiegroepen de functievervullingsduur worden vastgesteld tot een maximum van zeven jaar. In geval van een afwijkende functievervullingsduur van meer dan vijf jaar, kan tevens een van het vierde lid afwijkende termijn worden vastgesteld tot een maximum van vier jaar.
1. De militair wordt in de gelegenheid gesteld zijn voorkeur kenbaar te maken voor te vervullen functies. Hiertoe worden in ieder geval de beschikbare functies bekend gesteld.
2. Bij de bekendstelling van functies worden in ieder geval vermeld:
1. Om voor een functie in aanmerking te komen voldoet de militair aan de gestelde eisen over de opbouw van kennis, ervaring en vaardigheden.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde eisen worden in ieder geval gerekend:
1. Bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende factoren:
2. Bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing worden in ieder geval de volgende kandidaten in ogenschouw genomen:
3. Bij de bekwaamheid en geschiktheid van de militair, genoemd in het eerste lid onder e worden in beginsel in beschouwing genomen:
1. Onze Minister stelt de betrokken militair indien mogelijk zes maanden voor de datum van ingang van de functievervulling, in kennis van het besluit tot functietoewijzing onder vermelding van:
2. Van de termijn, genoemd in het eerste lid, kan door Onze Minister worden afgeweken tot een termijn van ten minste twee maanden, indien naar zijn oordeel het dienstbelang hiertoe noodzaakt.
3. In afwijking van het eerste lid wordt voor in het buitenland geplaatste militairen in beginsel een termijn van 12 maanden maar ten minste 9 maanden gehanteerd, indien zij na hun buitenlandse plaatsing een functie in Nederland gaan vervullen.
1. De militair kan door Onze Minister eenmaal tijdens een functievervulling voor een periode van maximaal 12 maanden worden belast met de volledige waarneming van een functie. Onder volledige waarneming van een functie wordt verstaan: het op aanwijzing van Onze Minister in de plaats van de eigen functie uitoefenen van het volledige samenstel van werkzaamheden van een andere functie.
2. Voorts kan de militair eenmaal tijdens een functievervulling door Onze Minister voor een periode van maximaal 12 maanden, naast het blijven vervullen van zijn eigen functie, worden belast met de waarneming van een deel van het samenstel van werkzaamheden, verbonden aan een andere functie dan die aan hem is toegewezen.
3. Een militair kan alleen worden belast met de waarneming van een functie waaraan zijn eigen rangsniveau of het naasthogere rangsniveau is verbonden.
4. De militair wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van het besluit hem te belasten met de waarneming van een functie indien de waarneming voorzienbaar langer dan 30 dagen zal duren. Hierbij wordt vermeld:
5. De commandant van de in het tweede lid bedoelde militair draagt er zorg voor dat de combinatie van de waar te nemen werkzaamheden en de eigen werkzaamheden de belasting van één functie niet overschrijdt.
1. Onze Minister kan de militair ontheffen van de eisen die aan de hem toe te wijzen functie zijn verbonden wanneer het onder bijzondere omstandigheden onmogelijk is gebleken de militair tijdig aan te wijzen voor een opleiding als bedoeld in artikel 14, eerste lid en artikel 15 eerste lid.
2. De in het eerste lid genoemde ontheffing geldt voor de duur dat de militair de opleiding nog niet heeft voltooid.
3. Onze Minister stelt de militair met voorrang in de gelegenheid de voor de vervulling van de hem toegewezen functie noodzakelijke opleidingen te volgen.
1. Bij koninklijk besluit geschiedt de bevordering van:
2. De bevoegdheid tot de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bevordering kan bij koninklijk besluit aan Onze Minister worden toegekend.
3. De overige bevorderingen geschieden door Onze Minister.
4. Aan de militair die een functie is toegewezen waaraan een hogere rang is verbonden dan de rang die hij bekleedt, wordt met ingang van de datum van ingang van functievervulling die hogere rang toegekend. Het toekennen van die rang kan tevens, voor een korte periode van voorbereiding, daaraan voorafgaand geschieden.
5. In afwijking van het vierde lid kan aan de militair in bijzondere gevallen tijdelijk een hogere rang worden toegekend dan die welke hij bekleedt indien:
6. De in het vijfde lid bedoelde militair keert van rechtswege terug tot de rang of klasse die hij daarvoor bekleedde indien de reden tot het toekennen van de hogere rang vervalt.
7. De navolgende bevorderingen kunnen geschieden in afwijking van het vierde lid:
8. Indien een militair die een rang tijdelijk bekleedt, overlijdt, wordt hij geacht de tijdelijke rang effectief te hebben bekleed op het tijdstip van zijn overlijden.
1. Indien naar aanleiding van de uitkomst van een functiewaarderingsonderzoek bij een bestaande functie sprake is van een verhoging van de rang die wordt verbonden aan de functie, wordt de militair, die deze functie vervult, bevorderd tot deze hogere rang.
2. De bevordering gaat in op de datum waarop de aanvraag tot het houden van een functiewaarderingsonderzoek is aangeboden aan het hoofd van het defensieonderdeel.
1. De militair kan tijdens een initiële opleiding door Onze Minister worden bevorderd wegens het afsluiten van de opleiding of een gedeelte daarvan.
2. Onze Minister kan aan de militair tijdens een opleiding een titulaire rang of een rang tijdelijk toekennen.
3. De militair, ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht of de Koninklijke marechaussee wordt in verband met opgedane ervaring of de gevolgde opleiding bevorderd tot:
4. De militair voldoet aan de in het derde lid genoemde ervaringseis indien de militair gedurende de in dat lid genoemde en voor zijn aanstellingscategorie en functieniveau geldende periode op voldoende wijze heeft gefunctioneerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de bekwaamheid en geschiktheid, als bedoeld in artikel 20, derde lid. De duur van de genoemde periode kan in geval van onvoldoende functioneren worden verlengd met ten hoogste een jaar.
5. De militair, ingedeeld bij de Koninklijke marine, wordt in verband met opgedane ervaring bevorderd tot korporaal wanneer hij is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot onderofficier en deze met goed gevolg heeft afgerond.
6. De militair, ingedeeld bij de Koninklijke marine, die is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot officier wordt bevorderd tot:
7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor bevordering tijdens of aansluitend op een opleiding dan wel op grond van ervaringsopbouw.
Aan de militair die is bevorderd, wordt als akte van bevordering een afschrift van of uittreksel uit het betreffende besluit tot bevordering uitgereikt. In een akte inzake een tijdelijke bevordering als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, en artikel 24b, tweede lid, worden de reden en het tijdelijke karakter van die bevordering uitdrukkelijk vermeld.
1. De militair ingedeeld bij Koninklijke marine die op 9 december 2003 de rang van korporaal bekleedde zal, indien hij 12 jaren die rang heeft bekleed, bij voorrang een functie worden toegewezen waaraan de rang van sergeant is verbonden, voor zover een dergelijke functie beschikbaar is, met dien verstande dat een dergelijke functietoewijzing niet kan geschieden binnen een termijn van twee jaar voor de dag waarop hem ontslag als bedoeld in artikel 39a, onder a, zal worden verleend.
2. Indien het niet mogelijk is om de militair, bedoeld in het eerste lid, een functie toe te wijzen waaraan de rang van sergeant is verbonden, wordt hij, op het moment dat hij de rang van korporaal 15 jaar heeft bekleed, bevorderd tot sergeant.
3. De militair ingedeeld bij de Koninklijke marine, die op 9 december 2003 de rang van korporaal bekleedde en aan wie twee jaar voor de dag waarop hem ontslag als bedoeld in artikel 39a onder a, zal worden verleend, nog geen functie is of kan worden toegewezen waaraan de rang van sergeant is verbonden, wordt niettemin bevorderd tot sergeant.
4. Om voor toewijzing van een functie waaraan de rang van sergeant is verbonden, als bedoeld in het eerste lid, dan wel voor bevordering tot sergeant, als bedoeld in het tweede en derde lid, in aanmerking te komen dient de militair te voldoen aan de gestelde eisen als bedoeld in artikel 19.
1. In bijzondere gevallen en voor ten hoogste achttien maanden kan aan de militair een functie worden toegewezen waaraan een lagere rang is verbonden dan de effectieve rang die hij bekleedt.
2. De in het eerste lid bedoelde militair, alsmede de militair die is aangewezen voor het volgen van een opleiding, behoudt zijn rang.
De militair wordt tijdens zijn loopbaan geïnformeerd over:
1. Aan de wijze waarop de militair – aangesteld bij het beroepspersoneel – functioneert wordt ten minste eenmaal per jaar aandacht besteed in een functioneringsgesprek. Met de militair, aangesteld bij het reservepersoneel, wordt door de commandant, in beginsel ten minste eenmaal per drie jaar een functioneringsgesprek gehouden.
2. Indien een militair naast de uit zijn functie voortvloeiende arbeid andere opgedragen arbeid heeft verricht, wordt tevens aan de wijze waarop hij die arbeid heeft verricht, aandacht besteed.
3. Onverminderd het eerste lid wordt een functioneringsgesprek gehouden indien daartoe de behoefte wordt aangegeven door de militair of door de functionele chef. Hierbij geldt dat sprake is van een dienstverhouding van ten minste twee maanden.
4. Aan het functioneringsgesprek wordt deelgenomen door de militair en diens functionele chef.
5. Op initiatief van een van de deelnemers aan het functioneringsgesprek kunnen een of meer andere personen deelnemen aan het gesprek, mits dit uiterlijk een week voordat het gesprek plaatsvindt, wordt gemeld aan de andere deelnemer(s) aan het gesprek.
6. Het functioneringsgesprek is ten minste gericht op de navolgende onderdelen:
7. De functionele chef legt een samenvatting van de inhoud van het gesprek alsmede de gemaakte afspraken en besproken aandachtspunten vast in het bij ministeriële regeling vast te stellen functioneringsgesprekformulier. Het formulier wordt voor een correcte weergave daarvan door de militair en de functionele chef ondertekend, waarna de militair een afschrift van het formulier ontvangt. De samenvatting van de inhoud van het gesprek, de gemaakte afspraken en de besproken aandachtspunten worden in het personeelsdossier opgelegd.
8. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van functioneringsgesprekken.
1. Met de militair die zich in loopbaanfase één bevindt:
2. Met de militair die zich in loopbaanfase twee of drie bevindt wordt tijdens elke functievervulling, maar ten minste eenmaal per drie jaar, minimaal één loopbaangesprek gevoerd door de loopbaanbegeleider.
3. Op verzoek van de militair kan een derde persoon deelnemen aan het loopbaangesprek, mits dit uiterlijk een week voordat het gesprek plaats vindt, wordt gemeld aan de andere deelnemer(s) aan het gesprek.
4. In het loopbaangesprek wordt ten minste aan de volgende aspecten aandacht besteed:
5. Indien het een militair betreft die een functie in fase twee vervult, wordt daarnaast aandacht besteed aan de kansen en mogelijkheden voor het vervolgen van de loopbaan in fase drie in afwachting van het doorstroombesluit.
6. Afspraken die in het loopbaangesprek worden gemaakt, worden vastgelegd in het bij ministeriële regeling vast te stellen persoonlijk ontwikkelplanformulier. Het formulier wordt ondertekend door de militair, de loopbaanbegeleider en de commandant operationeel commando.
7. De afspraken uit het persoonlijk ontwikkelplan, vastgelegd in het formulier, genoemd in het zesde lid, zijn bindend, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich verzet tegen uitvoering van de gemaakte afspraken.
8. Indien de in het zesde lid genoemde afspraken niet kunnen worden uitgevoerd om zwaarwegende redenen van dienstbelang, biedt de commandant van het operationeel commando, waarbij de militair is ingedeeld, binnen één jaar, vanaf het moment dat duidelijk wordt dat de oorspronkelijke afspraak niet wordt uitgevoerd, een gelijkwaardig alternatief aan.
9. Wanneer de afspraken niet zijn nagekomen en de militair van mening is dat geen gelijkwaardig alternatief, bedoeld in het achtste lid, is aangeboden kan hij zich binnen vier weken wenden tot een door Onze Minister in te stellen commissie van advies voor een mogelijke oplossing.
10. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van loopbaangesprekken en het opstellen, vaststellen en nakomen van de afspraken, vastgelegd in het persoonlijk ontwikkelplanformulier alsmede ten aanzien van de commissie van advies, genoemd in het negende lid.
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. eerste beoordelaar:
de functionele chef van de militair;
b. tweede beoordelaar:
de commandant van de militair. In het geval de commandant de eerste beoordelaar
is, treedt in beginsel de functionele chef van de commandant
op als tweede beoordelaar.
2. Indien de militair of zijn commandant dit wenselijk vindt wordt een beoordeling over het functioneren van de militair opgemaakt. De militair kan hiertoe een aanvraag indienen bij zijn commandant.
3. Onze Minister kan opdracht geven tot het opmaken van een beoordeling.
4. In de beoordeling wordt een oordeel gegeven over de wijze waarop de militair zijn functie, inclusief eventueel andere opgedragen werkzaamheden, heeft vervuld gedurende het beoordelingstijdvak. De beoordeling wordt gebaseerd op concrete handelingen, resultaten en gedragingen van de te beoordelen militair. Daarbij kunnen ook omstandigheden worden meegewogen buiten de dienst die van invloed zijn geweest op het vervullen van de functie.
5. Het beoordelingstijdvak, waarin ten minste één functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste zes maanden en maximaal 2 jaren. Per kalenderjaar kan slechts één beoordeling worden opgemaakt.
6. De beoordeling wordt opgemaakt door de eerste beoordelaar en vastgelegd in het bij ministeriële regeling vast te stellen beoordelingsformulier.
7. Na het opstellen van de beoordeling wordt deze besproken met de militair. De militair ontvangt een afschrift van de beoordeling waarna hij twee weken de tijd heeft om bedenkingen kenbaar te maken bij de tweede beoordelaar. Deze termijn kan op verzoek van de militair met twee weken worden verlengd.
8. De tweede beoordelaar neemt de beoordeling en de eventueel daartegen ingediende bedenkingen in beschouwing en stelt de beoordeling vast. De militair ontvangt een afschrift van de vastgestelde beoordeling.
9. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het opmaken en vaststellen van beoordelingen.
1. Gegevens betreffende gedragingen of omstandigheden van een militair kunnen schriftelijk worden vastgelegd in een ambtsbericht.
2. De militair wordt schriftelijk in kennis gesteld van een voorgenomen ambtsbericht, waarna hij vier weken de tijd heeft om eventuele schrifelijke bedenkingen kenbaar te maken. Deze termijn kan op verzoek van de militair met twee weken worden verlengd.
3. Onze Minister houdt bij de vaststelling van een ambtsbericht rekening met de door de militair ingediende bedenkingen en stelt vervolgens het ambtsbericht vast. Onze Minister kan besluiten af te zien van het vaststellen van het ambtsbericht.
4. De militair ontvangt een afschrift van het ambtsbericht. Indien Onze Minister besluit af te zien van het vaststellen van een ambtsbericht ontvangt de militair een afschrift hiervan.
5. Een ambtsbericht kan gedurende een periode van ten hoogste zes jaar na de vaststelling worden meegewogen bij een te nemen rechtspositioneel besluit.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vorm en de wijze van indiening van ambtsberichten.