Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
| WAO: | Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering |
| ZW: | Ziektewet |
| WW: | Werkloosheidswet |
| Werknemersverzekering: | WAO, ZW, dan wel WW |
| Arbeidsongeschiktheid: | arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid van de WAO |
| Bovenwettelijke WW-uitkering: | de uitkering bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie. |
Vervallen bij Stb. 2009, 267
1. Aan de militair kan gedurende zijn verblijf in werkelijke dienst, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, door de commandant van rijkswege huisvesting worden verleend.
2. De huisvesting van rijkswege wordt zoveel mogelijk verleend bij de eenheid of het onderdeel waar de militair is tewerkgesteld.
3. Bij ministeriële regeling kunnen omstandigheden worden aangegeven waarin de militair verplicht is gebruik te maken van de gelegenheid tot nachtverblijf die hem van rijkswege is geboden.
1. Aan de militair kan gedurende zijn verblijf in werkelijke dienst, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, door de commandant van rijkswege voeding worden verstrekt.
2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de verstrekking van huisvesting van rijkswege geschiedt in combinatie met de verstrekking van voeding van rijkswege.
De militair die buiten zijn woonplaats is tewerkgesteld en uitsluitend om redenen van dienst gewoonlijk niet dagelijks heen en weer kan reizen tussen die woonplaats en de plaats waar hij in de regel zijn dienst verricht, kan, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, een vergoeding worden toegekend ter zake van de kosten wegens het zelf voorzien in huisvesting of voeding.
1. De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair die in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen moeten reizen teneinde te voldoen van een oproep van het bevoegde gezag, dan wel in verband met het verwezenlijken van aanspraken op grond van artikel 104, hebben volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aanspraak op vervoer voor rekening van het Rijk alsmede op een tegemoetkoming in de noodzakelijk gemaakte verblijfkosten, voor zover zij hierop niet uit anderen hoofde aanspraak kunnen doen gelden.
2. Indien een militair of een gewezen militair als bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de functionaris, bij wie hij zich moet vervoegen, niet alleen kan reizen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op degene die hem begeleidt.
1. De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair die inkomsten derven wegens het voldoen aan een oproep van het bevoegde gezag, danwel in verband met het verwezenlijken van aanspraken op grond van artikel 104, hebben in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen aanspraak op een uitkering ter zake van de gederfde inkomsten over de tijd die zij als gevolg daarvan noodzakelijk hebben verlet, voorzover zij hierop niet uit anderen hoofde recht kunnen doen gelden.
2. Het bedrag van de uitkering, bedoeld in het vorige lid, is gelijk aan dat van de gederfde netto-inkomsten, maar beloopt per dag ten hoogste het bedrag, genoemd in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, eventueel gewijzigd krachtens artikel 18 van die wet.
3. Indien een militair of een gewezen militair, als bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de functionaris, bij wie hij zich moet vervoegen, niet alleen kan reizen, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing op degene die hem begeleidt.
1. In geval van verpleging in een zieken- of verplegingsinrichting van een militair in werkelijke dienst kan aan diens naaste betrekkingen een tegemoetkoming worden verleend in de kosten van vervoer en van verblijf ter zake van reizen die zij tot het bezoeken van de militair hebben gemaakt.
2. In geval van overlijden van een militair in werkelijke dienst kan aan diens naaste betrekkingen een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid worden verleend ter zake van reizen die zij tot het bezoeken van het stoffelijk overschot hebben gemaakt.
3. Een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste en tweede lid kan in de aldaar bedoelde gevallen eveneens worden verleend aan de naaste betrekkingen van de niet in werkelijke dienst verblijvende militair of van de gewezen militair die wordt of ten tijde van zijn overlijden werd verpleegd in een zieken- of verplegingsinrichting.
4. Indien de betrekkingen van de militair of de gewezen militair, in dit artikel, naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel niet alleen kunnen reizen, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing op degene die hen begeleidt.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het verlenen van de tegemoetkoming bedoeld in dit artikel.
1. Voor de toepassing van dit artikel worden onder belanghebbenden begrepen de echtgenote, ouders, pleeg-, stief- of schoonouders, grootouders, zwagers en schoonzusters, eigen kinderen, stief- of pleegkinderen, kleinkinderen, voogden, verloofde, broers en zusters.
2. Aan de militair in werkelijke dienst die ingevolge een dienstopdracht in het buitenland verblijft, kunnen door het hoofd defensieonderdeel voor rekening van het rijk berichten worden verzonden in geval van:
Aan de militair die om redenen van dienst verblijft buiten het land, waar zijn gezin woonachtig is, kan door het hoofd defensieonderdeel worden toegestaan voor rekening van het rijk voortijdig naar dat land terug te keren of over te komen, indien naar het oordeel van de bevelhebber omstandigheden in het gezin die terugkeer of die overkomst noodzakelijk maken.
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder kinderopvang en gastouderopvang hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel b onderscheidenlijk c, van de Wet kinderopvang.
2. Door de bevelhebber kan naar bij ministeriėle regeling te stellen regels, financieel worden bijgedragen in de kosten van de militair voor kinderopvang of gastouderopvang van een of meerdere kinderen.
3. De bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, eindigt met ingang van de dag waarop de militair ontslag wordt verleend.
4. Wanneer sprake is van een ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, onder d, van dit besluit, eindigt de bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het vierde lid, 6 maanden na de datum waarop dat ontslag is ingegaan, of op het moment dat uit andere hoofde aanspraak bestaat op een bijdrage, als bedoeld in het tweede lid. Gedurende deze periode van 6 maanden blijft de situatie van voor het ontslag ongewijzigd gehandhaafd.
Onze minister kan de militair naar billijkheid schadeloos stellen voor schaden anders dan bedoeld in artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen en is bevoegd hieromtrent voor groepen van militairen regels te geven.
Vervallen
1. De militair heeft met betrekking tot de uniformkleding en andere goederen, behorende tot zijn persoonlijke standaarduitrusting, aanspraak hetzij op een verstrekking van rijkswege en voor rekening van het rijk in natura, hetzij op een tegemoetkoming in de kosten van aanschaffing.
2. Met betrekking tot de uniformkleding en andere goederen, bedoeld in het vorige lid, die de militair in eigendom moet hebben, kan hem een tegemoetkoming worden verleend in de kosten van onderhoud en vernieuwing en in de kosten van voorgeschreven veranderingen van die kleding en goederen.
3. Aan de militair kan in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen een tegemoetkoming in de kosten van aanschaffing of van onderhoud en vernieuwing worden verleend ter zake van uniformkleding en andere goederen die niet tot zijn persoonlijke standaarduitrusting behoren, maar die hij niettemin in eigendom moet hebben, alsmede ter zake van burgerkleding van hemzelf en -in geval van uitzending van de militair met zijn gezin naar bij ministeriële regeling aan te wijzen gebieden van kleding van leden van zijn gezin.
4. De verstrekking in natura en die van de tegemoetkomingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, geschieden naar regels bij ministeriële regeling te stellen.
1. Indien een militair in Nederland overlijdt terwijl hij om redenen van dienst buiten zijn woonplaats verbleef, worden aan de nabestaanden de kosten vergoed van het doen overbrengen van het stoffelijk overschot naar een plaats van keuze in Nederland.
2. Indien een militair in werkelijke dienst overlijdt en het overlijden verband houdt met de uitoefening van de militaire dienst, wordt aan de nabestaanden een tegemoetkoming in de kosten van lijkbezorging verleend tot maximaal € 5.000.
3. Indien een militair in werkelijke dienst overlijdt ten gevolge van een vliegongeval tijdens een dienstreis als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit dienstreizen defensie, wordt aan de nabestaanden een som ineens ten bedrage van € 15.000 toegekend. Deze aanspraak vervalt wanneer de Regeling uitkering vliegongeval van toepassing is.
4. Voor zover Onze Minister niet anders bepaalt, is dit artikel niet van toepassing in buitengewone omstandigheden en ten aanzien van militairen die zijn overleden in de tijd waarin zij waren ingedeeld bij een eenheid of onderdeel van de krijgsmacht, waaraan de bekendmaking bedoeld in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht is gedaan.
1. In geval van overlijden van de militair wordt een uitkering verstrekt:
a. aan de echtgenoot van de militair, dan wel
b. indien de militair geen echtgenoot heeft nagelaten, aan of ten behoeve van het kind of de kinderen waarvoor aanspraak op kinderbijslag bestaat, dan wel
c. indien de militair geen echtgenoot of kinderen als bedoeld onder b heeft nagelaten, aan zijn ouders, broers, zusters of kinderen waarvoor geen aanspraak op kinderbijslag bestaat, indien hij naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel in de noodzakelijke kosten van hun levensonderhoud grotendeels bijdroeg.
2. Indien het eerste lid geen toepassing kan vinden, kan het hoofd defensieonderdeel de uitkering geheel of gedeeltelijk doen aanwenden ter bestrijding van de kosten van de laatste ziekte en de begrafenis of crematie van de militair.
3. De uitkering is gelijk aan driemaal het bedrag van de bezoldiging waarop de militair op de dag van zijn overlijden aanspraak had, vermeerderd met het bedrag per maand van de andere inkomsten die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de pensioengrondslag, ongeacht of hij daarover pensioenbijdrage was verschuldigd.
4. In voorkomend geval wordt de bezoldiging, bedoeld in het derde lid, verhoogd met de toelage-buitenland, bedoeld in het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel.
5. Op de uitkering worden de aan de militair reeds voor zijn overlijden betaalde inkomsten met betrekking tot een na zijn overlijden gelegen tijdvak, in mindering gebracht.
6. De artikelen 54g, 71a, eerste lid, en 80b, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Het hoofd defensieonderdeel kan artikel 118a van overeenkomstige toepassing verklaren in geval van vermissing van de militair.
1. Naar regels bij ministeriële regeling te stellen, kunnen de naaste betrekkingen van een militair die vermist is geraakt bij de uitoefening van de dienst dan wel ten gevolge van bijzondere omstandigheden die zich bij de uitoefening van de dienst hebben voorgedaan, in aanmerking komen voor bemiddeling van Onze Minister bij het voeren van de procedure tot het verkrijgen van een verklaring, dat rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste militair bestaat.
2. De naaste betrekkingen van een militair als bedoeld in het vorige lid hebben, indien de procedure, bedoeld in dat lid, niet kosteloos kan worden gevoerd, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, aanspraak op een vergoeding van de kosten die ter zake voor hun rekening zijn gekomen.
3. Het hoofd defensieonderdeel kan, indien een gezinslid van een militair vermist is geraakt ten gevolge van omstandigheden die naar zijn oordeel verband houden met de dienst van de militair, ten aanzien van die militair overeenkomstige voorzieningen treffen.
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. gewezen militair
de militair die is ontslagen uit de dienst bij het beroepspersoneel;
b. laatstelijk genoten bezoldiging
de som van de geldelijke inkomsten per maand, die in aanmerking worden
genomen bij de vaststelling van de pensioengrondslag van de militair, zulks
naar de toestand op de dag voorafgaande aan het ontslag.
2. De gewezen militair die wegens ziekte of een gebrek, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, nadien nog ongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft gedurende een termijn van twaalf maanden na zijn ontslag aanspraak op zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Vervolgens heeft hij aanspraak op 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Het in de vorige volzin bepaalde geldt slechts voor zover de termijn van achttien kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste ziektedag, nog niet is verstreken.
3. De gewezen militair die binnen een maand na het tijdstip van ingang van zijn ontslag wegens ziekte of een gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft, mits hij gedurende twee maanden onmiddellijk aan evenbedoeld tijdstip voorafgaande in werkelijke dienst is geweest, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, gedurende die ongeschiktheid, doch uiterlijk tot een jaar na de aanvang daarvan, aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging.
4. Indien de gewezen militair binnen een tijdvak van vier weken, nadat de volgens het tweede en derde lid geregelde doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging in verband met zijn herstel is gestaakt, wederom wegens ziekte of een gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, wordt de nieuw opgetreden ongeschiktheid als een voortzetting van de vorige ongeschiktheid beschouwd en wordt de doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging hervat. Voor het bepalen van het tijdstip, waarop de in het tweede en derde lid bedoelde termijnen zijn verstreken, worden perioden van in die leden bedoelde ongeschiktheid welke met een onderbreking van minder dan dertig kalenderdagen zijn opgevolgd, samengeteld.
5.a Het tweede, derde en vierde lid zijn eveneens van toepassing op de gewezen vrouwelijke militair die na afloop van de periode gedurende welke zij in verband met zwangerschap of bevalling aanspraak heeft op een uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg nog wegens ziekte arbeidsongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht.
b. De in het derde lid bedoelde termijn van een jaar vangt aan op de dag na die van de bevalling.
6. De voorgaande leden vinden geen toepassing op de gewezen militair die op het tijdstip van ingang van zijn ontslag ongeschikt is dan wel binnen een maand daarna ongeschikt wordt, en op de gewezen vrouwelijke militair wier ongeschiktheid na het tijdstip, bedoeld in het vorige lid onder b, voortduurt, vanaf de dag met ingang waarvan zij na evenbedoelde tijdstippen in verband met de aanvaarding van een volledige betrekking aanspraak kunnen maken op loon of bezoldiging, dan wel op een uitkering krachtens de Ziektewet.
7. De aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging bestaat niet indien de betrokkene:
8. De uitbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging wordt gestaakt, indien en voor zolang de betrokkene de door Onze Minister krachtens het tweede of derde lid vastgestelde voorschriften niet nakomt.
9. Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in dit artikel, wordt in voorkomende gevallen:
1. Indien de gewezen militair, bedoeld in artikel 120, recht heeft op een uitkering op grond van een werknemersverzekering, dan wel een bovenwettelijke WW-uitkering berustend op de dienstbetrekking waaraan de laatstgenoten bezoldiging is verbonden, wordt die uitkering daarop in mindering gebracht.
2. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door die gewezen militair geen uitkering op grond van de WAO wordt toegekend, wordt voor de toepassing van het eerste lid uitgegaan van een uitkering op grond van die wet, zoals die zou zijn toegekend bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
3. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door die gewezen militair het bedrag van de uitkering of grond van de in het eerste lid bedoelde werknemersverzekering of een bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk niet wordt toegekend, wordt deze uitkering voor de toepassing van het eerste lid steeds aangemerkt als een uitkering die onverminderd is genoten.
4. Indien die gewezen militair over een periode ter zake van de dienstbetrekking waaraan de laatstgenoten bezoldiging is verbonden aanspraak heeft of had kunnen hebben op een uitkering op grond van de ZW of de WAO, is het verplichtingen- en sanctieregime van die wet over die periode van overeenkomstige toepassing.
5. Indien ten aanzien van die wettelijke uitkering een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door de commandant operationeel commando zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomstige sanctie toegepast op het verminderde bedrag van de laatstgenoten bezoldiging.
6. De aanspraak op doorbetaling van bezoldiging ingevolge artikel 120 vervalt, indien de gewezen militair zonder deugdelijke grond weigert de hem door de commandant operationeel commando aangeboden gangbare arbeid, waartoe de militair geneeskundige dienst hem in staat acht, te aanvaarden.
Vervallen
Vervallen.
Vervallen
1. De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair, die verplicht tot het reserve-personeel behoort onderscheidenlijk laatstelijk heeft behoord, hebben, indien zij ten gevolge van een ziekte of een gebrek, verband houdende met de uitoefening van de dienst, tijdelijk niet in staat zijn:
naar regels bij ministeriële regeling te stellen aanspraak op een uitkering zolang zij in vorenbedoelde omstandigheden verkeren, maar ten hoogste gedurende twee jaren. Deze aanspraak bestaat niet indien ter zake uit anderen hoofde aanspraak bestaat op inkomsten, waarvan het totale bedrag gelijk is aan of hoger is dan dat van de inkomsten, bedoeld onder a of b.
2. Het bedrag van de uitkering is gelijk aan het verschil tussen de inkomsten, bedoeld in het vorige lid onder a of b, en de inkomsten waarop de belanghebbende uit anderen hoofde aanspraak heeft of aanspraak had kunnen maken gedurende de tijd waarin hij verkeert in de omstandigheid, bedoeld in dat lid. De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.
3. Voor de toepassing van de vorige leden worden als inkomsten waarop de belanghebbende uit anderen hoofde aanspraak kan maken, aangemerkt:
4. Onze Minister kan in naar zijn oordeel bijzondere gevallen:
1. Na het overlijden van:
wordt een bedrag uitgekeerd aan de volgende nagelaten betrekkingen:
1° aan de langstlevende der echtgenoten, tenzij zij duurzaam gescheiden leefden;
2° bij ontstentenis van de onder 1° bedoelde echtgenote, ten behoeve van het kind of de kinderen voor wie de overledene aanspraak op kinderbijslag had;
3° bij ontstentenis van de onder 1° en 2° bedoelde betrekkingen, aan of ten behoeve van de ouders, broers, zusters of kinderen van de overledene, voor wie hij naar het oordeel van de commandant operationeel commando grotendeels in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud bijdroeg.
2. Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan de commandant operationeel commando het in dat lid bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk doen aanwenden ter bestrijding van de kosten van de laatste ziekte en de begrafenis of crematie.
3. Het uit te keren bedrag is indien het een overledene betreft als bedoeld in het eerste lid:
en wordt berekend over een tijdvak van drie maanden.
4. Op dat bedrag worden in mindering gebracht de uitkering ingevolge artikel 35 van de Ziektewet, dan wel artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering waarop de overledene aanspraak had dan wel zou kunnen hebben gehad, alsmede naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.