Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen

Gelet op:

Zie tevens: ontwerp invalditeitsschaal 1953

Vastst./Wijz datum  Bron  Nummer  Wijz. t.a.v.  Inwerkingtr. datum
23-12-96 Stb. 1997/67 21-02-97
28-05-98 Stb. 340  Art. 3 29-05-98
28-04-03 Stb. 209 Art. 1, 12 en 13 01-06-01
03-07-07 Stb. 353 Art. 1 02-08-06
 

1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister
Onze Minister van Defensie;

b. geneeskundige autoriteit 
de door de minister aan te wijzen medische autoriteit,  die hem adviseert omtrent blijvende dienstongeschiktheid;

c. geneeskundig onderzoek
een militair geneeskundig onderzoek naar het bestaan van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst;

d. pensioenkeuring
een geneeskundig onderzoek naar het ontstaan, tot uiting komen of verergeren, de aard en de gevolgen van verwonding, ziekten of gebreken, ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen inzake arbeidsongeschiktheid, alsmede inzake invaliditeit met dienstverband.

e. pensioenverzekeringsautoriteit
een door Onze Minister aan te wijzen medisch adviseur, die hem adviseert omtrent de pensioenverzekeringsaspecten;

f. commissie
de commissie genoemd in artikel 3.

2. Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid

Artikel 2

1. In geval van langdurig arbeidsverzuim dient voorafgaand aan het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid uiterlijk in de 26e week na de eerste dag van het arbeidsverzuim een eerste beoordeling plaats te vinden omtrent de vraag of de betreffende militair moet worden voorgedragen voor een dergelijk geneeskundig onderzoek. Deze beoordeling vindt plaats op een door de geneeskundige autoriteit te bepalen wijze. Zo nodig wordt deze beoordeling in de twaalfde maand herhaald.

2. Een geneeskundig onderzoek en een herhaald geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de geneeskundige autoriteit in opdracht van Onze Minister.

3. Van de opdracht genoemd in het vorige lid doet de geneeskundige autoriteit mededeling aan de pensioenverzekeringsautoriteit.

Artikel 3

1. Een al dan niet na langdurig ziekteverzuim te houden geneeskundig onderzoek, als ook een herhaald geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid, wordt ingesteld door een commissie, welke bestaat uit ten minste drie artsen, waarvan de voorzitter, tevens lid, en de overige leden worden aangewezen door de geneeskundige autoriteit.

2. Ten aanzien van de samenstelling van een commissie als genoemd in het eerste lid geldt dat:

  1. niet als lid kan worden aangewezen de behandelend arts van de militair en tevens voor een herhaald geneeskundig onderzoek niet kan worden aangewezen een arts, die als lid deel heeft uitgemaakt van de commissie, welke het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid heeft ingesteld;
  2. zo mogelijk als lid een hoofdofficier wordt aangewezen.

Artikel 4

Aan de te onderzoeken militair wordt bij de schriftelijke oproep voor een geneeskundig of herhaald geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid door de voorzitter van de commissie bekend gemaakt met welk doel het onderzoek zal plaatsvinden.

Artikel 5

Indien de te onderzoeken militair door zijn toestand verhinderd is te verschijnen op de door de voorzitter van de commissie bepaalde zittingsplaats, bepaalt de voorzitter waar en op welke wijze het geneeskundig of herhaald geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid alsdan zal plaatsvinden.

Artikel 6

De militaire autoriteiten zijn, met inachtneming van de op de Wet persoonsregistraties gebaseerde privacyreglementen, verplicht aan de voorzitter van de commissie op diens verzoek toe te zenden een staat van dienst betreffende de te onderzoeken militair en hem voorts die gegevens te verstrekken, welke de commissie nodig acht, in het bijzonder:

  1. een verslag van het verloop van de verzuimcontrole en verzuimbegeleiding;
  2. een verslag van de reïntegratieactiviteiten van het krijgsmachtdeel en eventueel externe diensten;

Artikel 7

De commissie beoordeelt een militair op het bestaan van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst met inachtneming van het Militair keuringsreglement.

Artikel 8

1. De commissie brengt aangaande het geneeskundig onderzoek en het herhaald geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid een rapport uit. Het rapport omvat een onderbouwde uitspraak omtrent de al dan niet blijvende dienstongeschiktheid van de militair en de gegevens waarop deze uitspraak is gebaseerd en voor het herhaald geneeskundig onderzoek een nadere beschouwing met betrekking tot de door de militair aangevoerde redenen van zijn verzet.

2. In geval van niet blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst bevat het rapport tevens een verklaring of herstel van de militair binnen een periode van 6 maanden na ommekomst van de ziekteverzuimperiode van 2 jaar is te verwachten, zodanig dat dit alsnog tot een geschiktverklaring zou kunnen leiden.

3. Een lid van de commissie bij wie op een of meer punten een van het gevoelen der meerderheid afwijkende mening bestaat, is bevoegd om daarvan onder vermelding van de gronden, waarop die mening berust, te doen blijken bij een aan het rapport toe te voegen nota.

4. De voorzitter van de commissie zendt het rapport alsmede eventuele nota's als genoemd in het derde lid, naar de geneeskundige autoriteit.

Artikel 9

1. De geneeskundige autoriteit kan de commissie opdragen het rapport nader te motiveren, zo nodig na een op zijn last voortgezet onderzoek.

2. De geneeskundige autoriteit zendt Onze Minister een uittreksel van het rapport, na dit te hebben voorzien van zijn visum. Dit uittreksel bevat een uitspraak omtrent de al dan niet blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst van de militair en eventuele overige gegevens, die de geneeskundige autoriteit noodzakelijk acht.

3. Alvorens de in het tweede lid bedoelde uitspraak aan Onze Minister te zenden deelt de geneeskundige autoriteit aan de militair mede of hij hem al dan niet blijvend ongeschikt acht voor het vervullen van de militaire dienst alsmede de gronden waarop dit oordeel berust en wijst hem daarbij op de mogelijkheid voorzien in het vierde lid.

4. Binnen zes weken na de dag waarop de militair in kennis is gesteld van de uitspraak genoemd in het derde lid, kan de militair daartegen bij Onze Minister schriftelijk en met redenen omkleed in verzet komen, waarna binnen zes weken na de datum van ontvangst een herhaald geneeskundig onderzoek kan worden ingesteld.

Artikel 10

In bijzondere gevallen kan Onze Minister bepalen dat hem het volledige rapport wordt toegezonden met het oog op een integrale herbeoordeling van de uitspraak van de geneeskundige autoriteit, door een door hem aangewezen functionaris belast met de taak om namens hem op te treden in medische zaken.

Artikel 11

Onze Minister kan bepalen, dat een onderzoek ten aanzien van een dienstplichtige door een keuringsraad wordt aangemerkt als een geneeskundig onderzoek.

3. De pensioenkeuring

Artikel 12

1. De pensioenverzekeringsautoriteit kan bij de vaststelling van de aanspraken van de militair, ter vervanging van een eigen pensioenkeuring gebruik maken van een geneeskundig onderzoek door de commissie.

2. Indien de pensioenverzekeringsautoriteit van de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid gebruik wenst te maken, richt hij daartoe een verzoek aan de geneeskundige autoriteit onder gelijktijdige opgave van de behandelend medisch adviseur.

3. De commissie brengt omtrent de eventuele pensioenaanspraken van de militair een nader rapport uit aan de pensioenverzekeringsautoriteit.

4. In voorkomend geval kan de commissie tevens gevraagd worden een advies uit te brengen omtrent de vraag of en zo ja in hoeverre na ontslag alsnog sprake is van verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in de bij of krachtens Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen inzake invaliditeit met dienstverband.

Artikel 13

1. Bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen wordt uitgegaan van de War Pensions Committee-schaal zoals in de bijlage opgenomen.

2. Onze Minister kan in bepaalde gevallen afwijken van de in lid 1 genoemde schaal dan wel aanwijzingen geven ter nadere invulling van de toepassing ervan.

4. Slotbepalingen

Artikel 14

Het Besluit procedure geneeskundig onderzoek militairen wordt ingetrokken.

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van in het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 16

Dit besluit kan worden aangehaald als: "Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen".


Nota van toelichting

Op 2 juli 1993 heeft het kabinet besloten om ook het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen te brengen (brief van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 15 juli 1993, kenmerk AW93/4594, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Tweede Kamer vergaderjaar 1992-1993, 22800 VI, nr. 44)). Dit besluit leidt ertoe dat de ambtelijke rechtspositie op dit terrein wijziging dient te ondergaan en de uitvoering van het wettelijk deel van de aanspraken niet langer meer door de werkgever of andere ambtelijke organen kunnen worden uitgevoerd. De Minister van Binnenlandse Zaken is met de centrales van overheidspersoneel overeengekomen dat de z.g. OOW-operatie (het onder de werking brengen van het overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen) het totale niveau van rechten en verplichtingen van het overheidspersoneel in verband met ziekte en verplichtingen van het overheidspersoneel in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid op het moment van overgang naar de werknemersverzekeringen in stand laat en kostenneutraal uitwerkt. De afspraken op dit punt, die gelden voor de overheidssector als geheel, met uitzondering van defensie en de rechterlijke macht, zijn vastgelegd in het onderhandelingsakkoord van 14 september 1994. De afspraken tussen de staatssecretaris van Defensie en de centrales van overheidspersoneel zijn vastgelegd in het akkoord van 19 januari 1995. In dit akkoord is onder meer overeengekomen dat de procedure geneeskundig onderzoek zal worden aangepast aan de totstandkoming van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (USZO) en aan de door de OOW gewijzigde situatie per 1 januari 1998 waarbij tevens van de gelegenheid gebruik wordt gemaakt om de regeling te moderniseren. Tegen deze achtergrond wordt de oude regeling vervangen door voorliggend besluit.

Bij het tot stand brengen van onderhavige regeling is een tweedeling tot stand gebracht tussen het geneeskundig onderzoek dat kan leiden tot een dienstongeschiktheidsverklaring welke exclusief aan de werkgever defensie blijft voorbehouden en de pensioenkeuring, die onderdeel uitmaakt van de uitvoeringsovereenkomst met USZO. Ondanks de splitsing in formele zin, blijft feitelijk een combinatie van procedures uitgangspunt zodat het individu in het kader van de ontslagbeoordeling slechts eenmaal een onderzoek hoeft te ondergaan en wel op een dusdanige wijze dat alle noodzakelijke procedures in principe op basis van dit ene onderzoek kunnen worden afgerond.

Het advies van de daartoe ingestelde commissie met betrekking tot de ongeschiktheid voor militaire dienst wordt aan de geneeskundige autoriteit uitgebracht, welke het vervolgens, voorzien van zijn visum, aanbiedt aan de minister. Een dergelijk advies behoeft er overigens niet automatisch toe te leiden dat de betrokken militair eveneens arbeidsongeschikt in de zin van de Algemene militaire pensioenwet is. Evenmin behoeft de kwalificatie blijvend dienstongeschikt in alle gevallen automatisch tot ontslag uit de militaire dienst te leiden. Hoewel er zwaarwegende argumenten kunnen zijn daarvan af te zien, zal in de regel wel een dergelijk besluit volgen. Vanwege het extra risico dat de militair in dit opzicht loopt worden elders voorzieningen getroffen om eventuele uit een dergelijke uitspraak voor het individu voortvloeiende materiële consequenties zo aanvaardbaar mogelijk te maken. De arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene militaire pensioenwet wordt vastgesteld door de medisch adviseur van USZO. De eventueel aanvullende aanspraken op grond van deze wet worden eveneens in formele zin vastgesteld door deze medische autoriteit. Deze aanspraken gaan uit boven hetgeen wettelijk is vastgesteld voor de werknemer in het algemeen (WAO) en geven uitdrukking aan enerzijds de verantwoordelijkheid van de Minister van defensie als werkgever en anderzijds aan de algemeen maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de militair als bijzonder werknemer in bijzondere gevallen. Voor al deze aanspraken ligt het in het kader van de ontslagbeoordeling in de bedoeling een beroep te doen op de commissie, als bij deze regeling in het leven wordt geroepen. Het streven is erop gericht de belasting van de te keuren militair zo gering mogelijk te doen.

Naar aanleiding van de schriftelijke afproceedering van dit onderwerp heeft de sectorcommissie Defensie hierover overeenstemming bereikt.

Artikelgewijs

Artikel 1

Ingevolge het gestelde onder b. is de bevoegdheid bij de bevelhebber van het betreffende krijgsmachtdeel neergelegd om voor zijn krijgsmachtdeel de militair geneeskundige autoriteit aan te wijzen. Daarbij is impliciet geregeld welk krijgsmachtdeel verantwoordelijk is voor de samenstelling van een commissie ingeval een keuring moet worden verricht van een ontslagen militair.

In onderdeel c. is aangegeven dat het onderzoek zich richt op blijvende ongeschiktheid van de militair teneinde te voorkomen dat voor elk langdurig ziektegeval een commissie in het leven zou moeten worden geroepen. Slechts daar waar het vermoeden bestaat dat er sprake is van een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van militaire dienst, is het zinvol een commissie in te stellen.

Artikel 2

Dit artikel legt in het eerste lid een relatie tussen de momenten waarop vanaf 1 januari 1996 beoordelingen in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving moeten plaatsvinden en die waarop bezien moet worden of de desbetreffende militair voor een geneeskundige onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid moet worden voorgedragen. Zo dient in de zesde maand vanaf de eerste dag van de ziekmelding een rapportage aan de USZO plaats te vinden over de in de voorliggende periode ondernomen reïntegratiepogingen en vindt in de twaalfde maand een beoordeling plaats van de (mate van) arbeidsongeschiktheid in het kader van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet. Om de belasting van de betrokken militair zo gering mogelijk te houden zijn de momenten gelijkgeschakeld. Indien het geneeskundig onderzoek is gestart en afgerond voordat de betreffende beoordelingsmomenten zich aandienen, kunnen deze beoordelingen uiteraard achterwege blijven.

Ingevolge het tweede lid verstrekt de minister de opdracht tot het geneeskundige onderzoek aan de geneeskundige autoriteit, die zich ter zake laat adviseren door een door hem in te stellen commissie.

Teneinde de pensioenverzekeringsautoriteit in de gelegenheid te stellen het pensioengeneeskundig onderzoek te laten samenvallen met het dienstongeschiktheidsonderzoek en zodoende de pensioenkeuring feitelijk door de commissie te laten verrichten, krijgt de geneeskundige autoriteit in het derde lid de opdracht de pensioenverzekeringsautoriteit te informeren over de van de minister bekomen opdracht tot het instellen van een onderzoek.

Artikel 3

Door de toevoeging van het bijvoeglijke zinsdeel "al dan niet na langdurig ziekteverzuim" wordt aangegeven dat er niet altijd sprake behoeft te zijn van arbeidsverzuim. Meer in het bijzonder wordt beoogd de regeling ook van toepassing te doen zijn op de z.g. "spontane" geneeskundige onderzoeken naar blijvende dienstongeschiktheid, waaraan in de praktijk vaak geen enkel arbeidsverzuim vooraf gaat.

Het is aan de geneeskundige autoriteit om de vereiste deskundigheid in de commissie te waarborgen. Niet als expliciete eis is gesteld, dat de commissie moet zijn samengesteld uit militair-artsen. Evenmin hoeft sprake te zijn van militairen al dan niet in werkelijke dienst. Niet uitgesloten is dat een beroep wordt gedaan op burgerartsen die deskundig zijn op het gebied van de militaire geneeskunde dan wel de verzekeringsgeneeskunde. De voorzitter van de commissie wordt in functie aangewezen. De aanwijzing kan door de geneeskundige autoriteit zelf geschieden, maar kan ook door deze worden gemandateerd aan een binnen zijn dienst ressorterende functionaris, waarbij ervan wordt uitgegaan dat in dat laatste geval deze functionaris in staat is de deskundigheid van de commissieleden op juiste waarde te schatten.

In lid 2 wordt een aantal beperkingen gesteld aan de mogelijkheden bepaalde commissieleden aan te wijzen teneinde te waarborgen dat alle commissieleden een zo objectief mogelijk oordeel geven over de geschiktheid van de betrokken militair. De uitsluiting van de behandelend geneesheer heeft tot doel een onbevooroordeeld verzekeringsgeneeskundig oordeel mogelijk te maken. Het kan daarbij echter niet zo zijn dat elke arts die de betrokkene in het verleden behandeld heeft van deelneming in de commissie wordt uitgezonderd, daar het niet ondenkbeeldig is in de loop van het dienstverband van de militair dat hij een aantal behandelende artsen heeft gehad. Daar waar sprake is van grote betrokkenheid van de behandelend arts bij de zaak zal van benoeming in de commissie moeten worden afgezien. In de regel zal het derhalve de arts zijn die de betrokken militair voor het in gang zetten van het geneeskundig onderzoek als hier ter sprake is, behandelde. Het gestelde onder b van dit lid is slechts als aanwijzing bedoeld in het geval militairen in actieve dienst in de commissie worden benoemd en strekt ertoe te waarborgen dat er sprake is van de nodige ervaring in de commissie op het gebied van de militaire geneeskunde. Teneinde de mogelijkheid open te houden in voorkomend geval toch ook op het gebied van de militaire geneeskunde minder ervaren artsen te kunnen inzetten, is deze aanwijzing niet dwingend voorgeschreven.

Artikel 4

Op de voorzitter van de commissie wordt de verplichting gelegd de militair te informeren over het doel van het onderzoek, hetgeen eveneens inhoudt dat deze in voorkomend geval mededeling doet van het feit dat de pensioenverzekeringsautoriteit eveneens gebruik wenst te maken van de commissie teneinde de aanspraak te kunnen vaststellen op voorzieningen uit de Algemene militaire pensioenwet.

Artikel 5

Dit artikel is een verkorte versie van het oude artikel 4. Hierin was vastgelegd de wijze waarop te werk moest worden gegaan indien een militair niet in staat was zich te vervoegen op de plaats waar de commissie het onderzoek wenste te verrichten. In de huidige versie wordt het aan het inzicht van de voorzitter van de commissie overgelaten hoe op een zo efficiënt mogelijke wijze de benodigde gegevens over de te onderzoeken militair tegen zo laag mogelijke kosten kunnen worden verkregen teneinde tot een afgewogen oordeel te komen m.b.t. diens geschiktheid voor de militaire dienst. De beoordelingsvrijheid over de wijze waarop het onderzoek moet worden ingekleed, geldt voor zowel de oude situatie waarin de militair door zijn medische toestand niet in staat is zich bij de commissie te vervoegen als ook voor de situatie waarin de militair zich in het buitenland bevindt. Het begrip toestand beperkt zich dus niet (meer) tot louter de medische situatie.

Artikel 6

Hierin wordt de opdracht aan alle militaire autoriteiten vastgelegd om maximale medewerking te verlenen aan de werkzaamheden van de commissie. De te verstrekken gegevens vallen onder de bepalingen van de op de Wet op de persoonregistraties gebaseerde reglementen ter zake. Voor zover het betreft medische gegevens vallen deze tevens onder het beroepsgeheim van degene onder wiens verantwoordelijkheid deze gegevens zijn verzameld.

Tevens wordt in dit artikel tot uitdrukking gebracht dat de commissie bevoegd is meer gegevens op te vragen, onder gelijke voorwaarden als voorgaand aangegeven, maar dat vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid aan een minimaal aantal aspecten in dat rapportage aandacht dient te worden geschonken.

Artikel 8

Het gestelde onder artikel 6 met betrekking tot de gegevens is van overeenkomstige toepassing voor dit artikel.

Na voltooiïng van haar onderzoek dient de commissie niet alleen haar eindconclusie op schrift te stellen maar ook de wijze waarop zij tot deze conclusie is geraakt en de gegevens waarop deze stoelt, teneinde de geneeskundige autoriteit en de minister in staat te stellen na te gaan hoe zij tot haar oordeel is gekomen. Dat bij een herhaald onderzoek expliciet wordt ingegaan op de argumenten van betrokkene welke tot dit herhaalde onderzoek hebben geleid, vloeit logischerwijs voort uit het zorgvuldigheidsvereiste dat aan een dergelijk deskundigenonderzoek verbonden is. Een dergelijke vereiste wordt gesteld omdat de uitspraak "blijvend dienstongeschikt" basis kan zijn voor een ontslag uit de militaire dienst.

Omdat niet langer vereist wordt dat de medische eindtoestand bereikt is, maar enkel nog de factor tijd telt, wordt de commissie verder opgedragen aan te geven of herstel mogelijk is binnen een halfjaar na de ontslagbeschermingstermijn van twee jaar. Bij een positieve verwachting blijft ontslag vooralsnog achterwege.

Artikel 9

Aangezien het oordeel van de geneeskundige autoriteit of betrokkene blijvend ongeschikt is voor de militaire dienst gebaseerd is op geneeskundige gronden wordt deze autoriteit in dit artikel opgedragen, nadat hij het advies van de commissie heeft ontvangen, betrokkene van zijn oordeel op de hoogte te stellen, onder verwijzing naar de mogelijkheid daartegen bij de minister tegen het oordeel in verzet te komen, zoals geregeld in de vierde lid. Hierdoor wordt betrokkene in staat gesteld in een vroegtijdig stadium kenbaar te maken het niet eens te zijn met het oordeel van de geneeskundige autoriteit waarna, afhankelijk van de aard van de bedenkingen of de wijze waarop daaraan tegemoet kan worden gekomen een herhaald geneeskundig onderzoek kan volgen. Om voortgang in het proces te houden zendt de geneeskundige autoriteit, zodra hij betrokkene heeft geïnformeerd, een uittreksel van het door de commissie uitgebrachte rapport voorzien van zijn visum aan de minister onder vermelding van de datum waarop hij zijn oordeel aan betrokkene heeft meegedeeld. Indien binnen een termijn van zes weken vanaf die datum geen bedenkingen zijn ingebracht, wordt het oordeel definitief. Worden binnen de gestelde termijn wel bedenkingen ingebracht van zodanige aard, dat de minister een herhaald geneeskundig onderzoek nodig acht, dan kan hij de geneeskundige autoriteit opdragen dit te doen plaatsvinden en vervolgens opnieuw zijn oordeel over betrokkene's dienst(on)geschiktheid te bepalen. Tegen een definitief oordeel "dienstongeschikt" kan geen beroep in de zin van de Algemene wet bestuursrecht worden ingesteld, aangezien aan dit oordeel geen rechtsgevolgen zijn verbonden. Wordt op grond van het oordeel een besluit genomen, dan kan daartegen wel beroep worden ingesteld, waarbij ook de gronden waarop het besluit berust (en dus ook de vaststelling van de ongeschiktheid) door de rechter zullen worden getoetst.

Voorgeschreven is dat de bedenkingen tegen het aanvankelijke dienstongeschiktheidsoordeel schriftelijk moeten worden ingebracht en gemotiveerd moeten worden. De motivering zal overigens doorgaans al voldoende besloten liggen in de omschrijving van de tegenwerpingen zelf. Teneinde de continuïteit van het proces te garanderen en duidelijkheid te verkrijgen over de dienst(on)geschiktheid van de betrokken militair, alsook om op de meest korte termijn tot reïntegratie te kunnen overgaan, is bepaald dat het herhaald geneeskundig onderzoek binnen een termijn van zes weken na de datum van ontvangst van de bedenkingen een aanvang dient te nemen. Daarbij is er van uitgegaan dat inkomende stukken nauwkeurig worden geadministreerd.

Artikel 10

Dit artikel voorziet in een integrale herbeoordeling van het oordeel van de geneeskundige autoriteit in bijzondere gevallen door een door de minister ingesteld orgaan of functionaris welk(e) door hem bevoegd wordt verklaard namens hem op te treden in deze specifiek medische zaken.

Artikel 12

Zoals in het algemene deel reeds geschetst zal de pensioenkeuring onder de formele verantwoordelijkheid van de medisch adviseur van USZO worden uitgevoerd. Met deze organisatie zal in nader overleg een uitvoeringsovereenkomst tot stand worden gebracht waarin zo enigszins mogelijk een keuringsprocedure wordt overeengekomen waarbij het individu in principe slechts eenmaal aan een onderzoek zal worden onderworpen. In dit artikel wordt derhalve reeds een voorziening gecreëerd waarbij deze organisatie gebruik kan maken van (de werkzaamheden van) de commissie.

Hoewel het onderzoek voor een groot deel dezelfde elementen in beschouwing zal nemen voor de beoordeling van de dienstongeschiktheid als de vaststelling van de (mat van) arbeidsongeschiktheid in de zin van de Algemene militaire pensioenwet en/of de relatie met het dienstverband, zal de commissie op grond van de privacybescherming van het individu zowel aan de arts als de pensioenverzekeringsautoriteit een apart rapport uitbrengen elk gericht op de beantwoording van de vragen m.b.t. respectievelijk de dienstongeschiktheid welke een interne defensieaangelegenheid is en de (mate van) arbeidsongeschiktheid/dienstverband, met betrekking waarvan met de uitvoeringsorganisatie afspraken zullen worden gemaakt.

Artikel 13

De WPC-schaal wordt in de praktijk gebruikt als meetinstrument voor de vaststelling van de mate invaliditeit. Met opname in dit besluit krijgt deze schaal een formele basis. Niet beoogd wordt om in de huidige schattingspraktijk een materiële wijziging aan te brengen. Dit betekent dat deze schaal weliswaar als richtlijn bij het vaststellen van de mate van invaliditeit door de betreffende medici zal worden gehanteerd, maar dat het de minister vrij staat bij de toepassing ervan nadere richtlijnen te stellen indien hij daarvoor zwaarwegende redenen heeft. Wijzigingen in deze schaal zullen derhalve pas als richtsnoer gaan gelden als de minister zulks expliciet heeft aangegeven. Omdat aangaande de vindplaats van de schaal en de status ervan onduidelijkheden bestaan, is er voor gekozen de schaal op te nemen in de bijlage, waarmee tevens vaststelling ervan wordt bewerkstelligd.