Hoofdstuk 9 Exercitie van de vaandelwacht

1. Algemeen

  1. Voorzover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, worden de verrichtingen uitgevoerd zoals omschreven in dit voorschrift.
  2. Waar in dit hoofdstuk over 'vaandel' wordt gesproken, wordt hiermee tevens bedoeld 'standaard', respectievelijk standaardwacht, -drager, -groep en standaardvoerend commandant.
  3. De vaandelwacht bestaat uit de commandant vaandelwacht (officier), de vaandeldrager (adjudant-onderofficier) en vijf militairen waaronder minimaal één onderofficier. Er moet naar worden gestreefd dat allen, die deel uitmaken van de vaandelwacht, zoveel mogelijk van gelijke lengte zijn.
  4. Wanneer meerdere vaandels zijn ingedeeld kan worden overgegaan tot het samenstellen van een vaandelgroep.
    Zie voor de samenstelling en uitvoering: DP 20-10 ‘Ceremonieel en Protocol voor de Krijgsmacht’.
  5. Zie voor de ceremonieën en eerbewijzen: DP 20-10 ‘Ceremonieel en Protocol voor de Krijgsmacht’.
  6. Bij het beoefenen van de exercitie met het vaandel moet gebruik worden gemaakt van het oefenvaandel (fanion) en oefenbandelier.
  7. De vaandelwacht verplaatst zich nooit in de ‘looppas’.
  8. De vaandelwacht staat nooit in de 'tweede rust'.
  9. De volgende commando's worden nimmer door de commandant vaandelwacht gegeven dan wel opgedragen aan de vaandelwacht:
    - 'links / rechts = om';
    - 'links / rechts uit de flank = mars';
    - 'links / rechts uit de flank = halt';
    - 'rechtsom = keert';
    - 'rechtsomkeert = mars'.
  10. Bij het marcheren van de vaandelwacht in troepenverband wordt door de vaandelwacht hetzelfde tempo aangehouden, inbegrepen de commando's:
    - 'hoofd der colonne links = mars';
    - 'hoofd der colonne rechts = mars'.
  11. Optredend in troepenverband (b.v. tijdens een defilé) dient integraal de exercitie van de krijgsmacht te worden uitgevoerd (zie ook § 3, onderdeel a).
  12. Bij interservice-optredens, en wanneer een vaandelwacht deel uitmaakt van een vaandelgroep, dient de voor een vaandelwacht geldende exercitie te worden uitgevoerd zoals omschreven in dit voorschrift met dien verstande, dat:
    - het tempo van de vertraagde ‘gewone pas’, inculsief de bewegingen, wapenhandelingen en ‘rechts- en links zwenken’, 80, i.p.v 112 passen per minuut is;
    - tijdens de verrichtingen ‘rechts- en links zwenken’, de voeten worden opgetild en geplaatst zoals bij ‘markeert de pas’;
    - de gestrekte vrije arm, tijdens het zwenken, stil tegen het lichaam wordt gehouden zoals in de ‘houding’;
    - op het uitvoeringscommando (voorwaarts): ‘mars’, aansluitend aan een zwenking, de vrije arm tegelijkertijd met de ‘aanmarcheerpas’ wordt doorgezwaaid;
    - tijdens het marcheren in het tempo van 80 passen per minuut de vrije arm doorgezwaaid wordt zoals in ‘gewone pas’.

2. Aantreden, in- en uittreden van de vaandeldrager

  1. De vaandelwacht wordt onder leiding van de onderofficier opgesteld met een onderlinge tussenruimte van één meter, in linie op twee gelederen, met in het voorste gelid van rechts naar links de onderofficier, (de plaats van de vaandeldrager blijft open) en één militair.
    In het achterste gelid staan de overige drie militairen.
    Nadat de onderofficier het commando: 'vaandelwacht = presenteert = geweer' / ‘brengt ere = groet’ heeft gegeven, treedt de vaandeldrager op bevel van de commandant vaandelwacht in.
    De commandant vaandelwacht stelt zich rechts van de onderofficier op en neemt vervolgens het commando over.
  2. Aansluitend aan het in- en uitreden van de vaandeldrager volgt het commando: ‘vaandelwacht = zet af = geweer’ / ‘in de houding = staat’.
  3. Het uittreden van de vaandeldrager gebeurt in omgekeerde volgorde.

3. Tenue en bewapening

  1. De vaandelvoerend commandant kan, na toestemming van (het kabinet van) C-OPCO, uit oogpunt van traditie het tenue, de bewapening en/of de exercitie wijzigen of aanvullen.
  2. De commandant vaandelwacht en de vaandeldrager zijn in beginsel bewapend met het pistool.
  3. Indien het ceremoniële tenue wordt gedragen zijn de commandant vaandelwacht en de vaandeldrager bewapend met de sabel, tenzij door de vaandelvoerend commandant een andere bewapening is voorgeschreven.
  4. Indien de vaandelwacht bewapend is met het geweer C7 / C7A1 worden alle bewegingen uitgevoerd in: ‘over = geweer’.
  5. Indien de vaandelwacht bewapend is met de karabijn C8 / C8A1 dan wel het pistool wordt de wapenexercitie uitgevoerd zoals omschreven in hoofdstuk 6 en 7.

4. Commando’s

  1. Alle commando’s aan de vaandelwacht worden gegeven door de commandant vaandelwacht (met uitzondering van het gestelde in punt 2a en 4d) en voorafgegaan door het waarschuwingscommando: 'vaandelwacht'.
  2. Indien meerdere vaandelwachten dezelfde verrichting tegelijkertijd moeten uitvoeren, worden de commando’s gegeven door de commandant vaandelwacht die het hoogst c.q. het oudst in rang is en tevens optreedt als commandant vaandelgroep.
  3. De commando's aan een vaandelgroep worden voorafgegaan door het waarschuwingscommando: 'vaandelgroep'.
  4. Wanneer de vaandelwacht deel uitmaakt van een defilé, worden de commando's, die gegeven worden door de paradecommandant, opgevolgd vanaf het commando: 'voorwaarts = mars' tot en met het commando: 'afdeling = halt'. (Zie ook punt 1i en j).
  5. Indien de commandant vaandelwacht bewapend is met pistool / sabel, wordt (tijdens het geven van commando’s) met de linkerhand de pistooltas / greep op de voorgeschreven wijze omvat. (Figuur 9-3 en 9-3a).
  6. In de rusthouding dient de vaandelstok (stang) te allen tijde uit de schoen van de bandelier te worden genomen en tegen de voorzijde van de rechtervoet te worden geplaatst.

5. De verrichtingen met het vaandel

  1. Commando: 'vaandelwacht = geeft = acht'
    (1) De uitgangssituatie is de 'eerste rust', met dien verstande, dat de vaandeldrager de vaandelstok, die hij met de rechterhand onder het vaandeldoek vasthoudt, laat steunen op de grond tegen de voorzijde van de rechtervoet. (Figuur 9-1).
    De rechterelleboog wordt hierbij tegen het lichaam gedrukt waarbij de onderarm horizontaal is. (Figuur 9-2).
    Indien de vaandelwacht bewapend is met het pistool wordt met de linkerhand de pistooltas op de voorgeschreven wijze omvat.  (Figuur 9-3).
    Indien de vaandeldrager bewapend is met een pistool / sabel wordt aansluitend met de linkerhand de pistooltas / greep op de voorgeschreven wijze omvat. (Figuur 9-3a).
Figuur 9-1 Figuur 9-2

Figuur 9-3 Figuur 9-3a

(2) Op het waarschuwingscommando: 'vaandelwacht = geeft' blijft de vaandeldrager onbeweeglijk stilstaan.
(3) Op het uitvoeringscommando: 'acht' wordt door de vaandeldrager in één tel de 'houding' aangenomen.
Aansluitend tilt hij het vaandel op zodat het vaandel loodrecht midden voor het lichaam komt en vervolgens geleidt hij met de linkerhand het ondereinde van de vaandelstok in de schoen van de bandelier. (Figuur 9-4).
Aansluitend omvat de vaandeldrager met de rechterhand de vaandelstok ter hoogte van de kin, met de handrug naar voren gekeerd en de elleboog onder een hoek van 45° naar de grond gericht, waarbij de vaandelstok in nagenoeg loodrechte stand wordt gehouden. (Figuur 9-5).

Figuur 9-4 Figuur 9-5
 
  1. Commando: 'vaandelwacht = op de plaats = rust'
    De uitgangssituatie is de 'houding'.
    Op het uitvoeringscommando: 'rust' wordt in één tel de 'eerste rust' aangenomen zoals omschreven in punt 5a(1).
    Aansluitend wordt het vaandel rechtstandig opgetild, juist voldoende om de vaandelstok vrij te maken van de schoen, waarbij de linkerhand de vaandelstok uit de schoen geleidt.
    Daarna wordt de vaandelstok rechtstandig iets naar rechts gebracht en, door het verplaatsen van de handen langs de vaandelstok, vervolgens op de grond geplaatst tegen de voorzijde van de rechtervoet. (Figuur 9-1).
    Indien de vaandeldrager bewapend is met een pistool / sabel wordt aansluitend met de linkerhand de pistooltas / greep op de voorgeschreven wijze omvat. (Figuur 9-3 en 9-3a).

6. Richten van de vaandelwacht

Indien de vaandeldrager met vaandel is ingetreden

  1. Commando: 'vaandelwacht = op het vaandel = richten'.
    De uitgangssituatie is 'over = geweer', (bewapend met pistool / sabel de ‘houding’).
    Op het uitvoeringscommando: 'richten' richten de linker- en de rechtervleugelman zich op de vaandeldrager met een tussenruimte van één meter waarbij de beweging met de rechterarm achterwege wordt gelaten.
    De middelste achterste militair richt zich op de vaandeldrager.
    De linker- en rechterachterste militair richten zich op hun voorman en op de middelste, achterste militair. (Figuur 9-6).

Figuur 9-6

  1. b. Commando: 'vaandelwacht = hoofd = front'
    De commandant vaandelwacht geeft het commando: 'vaandelwacht = hoofd = front' wanneer de vaandelwacht juist gericht is.
    Op het uitvoeringscommando: 'front' worden in één tel het hoofd en de ogen teruggedraaid zoals in de 'houding'.

Indien de vaandeldrager zonder vaandel is ingetreden

  1. Commando: 'vaandelwacht = naar het midden = richten'.
    De uitgangssituatie is ‘over = geweer' (bewapend met pistool / sabel de ‘houding’).
    De verrichting wordt uitgevoerd zoals omschreven in punt 6a.
    (Van toepassing: bijvoorbeeld tijdens de uitreiking van een nieuw vaandel).

7. Veranderen van richting

  1. Commando: 'vaandelwacht = rechts / links zwenken = mars'
    De uitgangssituatie is zoals omschreven in punt 1k.
    (1) Op het uitvoeringscommando: 'mars' markeert de vaandelwacht de pas en voert de vaandeldrager (als scharnierpunt) de opgedragen richtingverandering uit, waarbij de vaandelwacht gericht blijft op de vaandeldrager.
    (2) Zodra de gewenste richtingverandering is bereikt wordt een vervolgcommando gegeven, bijvoorbeeld: 'vaandelwacht = voorwaarts = mars' of 'vaandelwacht = halt'.
  2. Commando: 'vaandelwacht = rechts / links zwenken = voorwaarts = mars'
    De uitgangssituatie is 'over = geweer', (bewapend met pistool / sabel de ‘houding’).
    (1) Op het uitvoeringscommando: 'mars' maakt de vaandelwacht een ‘aanmarcheerpas’, aansluitend wordt de pas gemarkeerd en de opgedragen richtingverandering uitgevoerd waarbij de vaandelwacht gericht blijft op de vaandeldrager.
    (2) Zodra de gewenste richtingverandering is bereikt wordt een vervolgcommando gegeven, bijvoorbeeld: 'vaandelwacht = voorwaarts = mars' of 'vaandelwacht = halt'.
 

Bijzonderheden:

Wanneer de vaandelwacht deel uitmaakt van een defilé, wordt de verrichting: 'hoofd der colonne rechts / links (voorwaarts) = mars' uitgevoerd zoals omschreven in hoofdstuk 3, punt 8.

 

8. De groet met het vaandel

  1. Commando: 'vaandeldrager = vaandel neigen'
    De uitgangssituatie is 'presenteert = geweer', (bewapend met pistool / sabel de ‘eregroet’).
    (1) Op het uitvoeringscommando: 'vaandel neigen' omvat de vaandeldrager de vaandelstok met de linkerhand in ondergreep boven de rechterhand, de linkerarm is daarbij nagenoeg gestrekt.
    (2) Aansluitend wordt de rechterhand langs de vaandelstok omlaag gebracht tot vlak boven de schoen van de bandelier.
    (3) Vervolgens wordt de vaandelstok uit de schoen van de bandelier gelicht, langzaam met het boveneinde van de vaandelstok naar voren gericht en in horizontale stand gebracht door het ondereinde van de vaandelstok langs de rechterzijde van het lichaam achterwaarts te bewegen zodanig, dat de linkeronderarm voor en tegen het lichaam is aangesloten.
    (4) De rechterarm is hierbij gestrekt achterwaarts gericht. (Indien deze houding langdurig vereist wordt: naar verkiezing de vuist op de heup plaatsen).
    (5) De vaandelkwasten mogen de grond niet raken.
    (6) Tijdens het brengen van de ‘groet met het vaandel’ kijkt de vaandeldrager niet naar het langzaam vóórover hellende vaandel maar blijft recht voor zich uitkijken. (Figuur 9-7).
    (7) De groet met het vaandel wordt uitsluitend gebracht voor de autoriteiten, genoemd in de DP 20-10, hoofdstuk 5, § 5.


Figuur 9-7

  1. Commando: 'vaandeldrager = vaandel hoog'
    De uitgangssituatie is 'vaandel neigen'.
    Op het uitvoeringscommando: 'vaandel hoog' worden de bewegingen in punt 8a vermeld in omgekeerde volgorde uitgevoerd.
  2. Commando: 'vaandelwacht = zet af geweer' / ‘in de houding = staat’
    De uitgangssituatie is 'presenteert = geweer’ / ‘de eregroet’.
    Op het uitvoeringscommando: ‘geweer’ / ‘staat’ nemen de bewapenden de uitgangshouding aan.

9. Hoofd rechts tijdens defilé

  1. De uitgangssituatie is de ‘gewone pas’.
    Alleen de commandant vaandelwacht maakt: ‘hoofd = rechts’ wanneer hij op acht passen afstand is gekomen van de inspecteur en brengt tegelijkertijd de (ere)groet (Figuur 9-8):
    (1) bewapend met pistool: zoals omschreven in hoofdstuk 7, punt 4;
    (2) bewapend met sabel: zoals omschreven in hoofdstuk 8, punt 14a.


Figuur 9-8

  1. Wanneer de commandant vaandelwacht de inspecteur twee passen gepasseerd is, maakt hij: ‘hoofd = front’ en wordt aansluitend de (ere)groet beëindigd:
    (1) bewapend met pistool: aansluitend de rechterarm doorzwaaien;
    (2) bewapend met sabel: zoals omschreven in hoofdstuk 8, punt 14b.

10. Hoofd rechts tijdens ceremoniële inspecties

  1. Commando: ‘vaandelwacht = hoofd = rechts’
    De uitgangssituatie is afhankelijk van de bewapening en het daaraan gerelateerde eerbewijs aan de inspecterende autoriteit.
  2. Op het uitvoeringscommando: 'rechts' draaien allen het hoofd in één tel onder een hoek van 45° naar rechts zover mogelijk naar rechts, doch niet voorbij de schouderlijn. (Figuur 9-9 en 3-22).


Figuur 9-9

  1. Zodra de autoriteit in hun gezichtsveld is gekomen volgen de militairen de autoriteit door het hoofd te draaien totdat de uitgangssituatie is bereikt.
  2. Daarna wordt het hoofd stilgehouden en kijken de militairen recht voor zich uit zoals in de ‘houding’.
 

Bijzonderheden:

  1. Indien de autoriteit van links komt aanmarcheren dient voor “rechts”, “links” gelezen te worden.
  2. Door de commandant vaandelwacht wordt ‘de groet’ niet beantwoord.