Hoofdstuk 3 Exercitie van een eenheid

1. Aantreden

  1. Algemeen
    (1) Onder een gelid wordt verstaan: een aantal militairen die naast elkaar en in colonne achter elkaar staan.
    (2) Onder een rot wordt verstaan: een aantal militairen die achter elkaar en in colonne naast elkaar staan.
    (3) Afhankelijk van de opdracht wordt aangetreden op één, twee, drie of vier gelederen.
    Bij het aantreden stellen de militairen zich individueel op in de 'houding' volgens grootte bij lange(re) verplaatsingen is het raadzaam de kleinste personen voorop te laten marcheren, vanaf rechts, richten naar rechts en komen in opvolging vanaf rechts in de 'eerste rust'.
    Is de getalsterkte van de gelederen ongelijk, dan moeten de gelederen zoveel mogelijk op gelijke sterkte worden gebracht, met dien verstande, dat:
    (a) het rot op de rechter- en linkervleugel en het voorste en achterste gelid (vanaf drie gelederen) steeds voltallig * moeten zijn;
    (b) het tweede gelid één militair sterker is dan het derde wanneer het ontbrekende aantal militairen één of drie bedraagt; (Figuur 3-1)
    (c) aantreden op vier gelederen, als de getalsterkte minimaal 16 militairen bedraagt, de commandant niet inbegrepen. (Figuur 3-1).


Figuur 3-1


  Bijzonderheden:
  1. De eventuele open ruimtes in de eenheid (b.v. na ‘rechtsomkeert = mars’) niet opvullen’.
  2. Om de grootste persoon (man van richting) bij compagnies of bataljonsexercitie per eenheid rechtsvoor te situeren, dient in flankcolonne (marsrichting) te worden aangestreden en naar rechts te worden gericht.
  3. Het aantal gelederen mag nooit groter zijn dan het aantal rotten: met tweeën vanaf 4 personen, met drieën: vanaf 9 personen, met vieren: vanaf 16 personen enz.



  Bijzonderheden:

1. Opstellen tijdens de exercitie met ongelijksoortige bewapening, in volgorde vanaf rechts:

  • bewapend met geweer;
  • bewapend met karabijn;
  • bewapend met pistool:
  • bewapend met sabel.

Daarna volgen eventueel onbewapende militairen.

2. Opstellen tijdens de (ceremoniële) excercitie mer meerdere krijgsmachtdelen, in volgorde vanaf rechts:

  • Koninklijke Marine
  • Koninklijke Landmacht
  • Koninklijke Luchtmacht
  • Koninklijke Marechaussee.

(4) Wanneer kaderleden zijn ingedeeld stellen zij zich op de rechtervleugel op en vormen daar het eerste rot.
De overige kaderleden stellen zich op de linkervleugel op en vormen daar het laatste rot.
Daarna stellen de overigen zich op en vormen daar het tweede, derde rot, enzovoort.
(5) De pelotonscommandant, niet optredend als zelfstandig commandant, stelt zich rechts van het voorste gelid op.  De OPC van het peloton stelt zich links van het achterste gelid op. (Figuur 3-2).

  Bijzonderheden:

Met betrekking tot kaderleden is een onvolledig rot toegestaan.



Figuur 3-2


Bij zelfstandig optreden wordt het peloton geformeerd zoals aangegeven in figuur 3-2a.

Figuur 3-2a

  1. Aantreden op één gelid (Figuur 3-3)
    Aanwijzing: 'aantreden op een gelid'.
    De militairen stellen zich op in de ‘houding’ met een onderlinge tussenruimte van één armlengte.
    Met uitzondering van de rechtervleugelman, draaien allen het hoofd en de ogen naar rechts en strekken tegelijkertijd de rechterarm horizontaal zijwaarts, waarbij de tot vuist gemaakte hand de bovenarm van de nevenman raakt en richt zich daarbij op de meest rechter persoon. (Figuur 3-4).
    Wanneer bij het horizontaal zijwaarts strekken van de rechterarm de tussenruimte onvoldoende is, wordt de rechterarm met de tot vuist gemaakte hand achter de nevenman langs gestrekt: met de handrug naar boven gekeerd.
  Bijzonderheden:
  1. Het uitrichten tijdens ‘aantreden’ gebeurd in opeenvolging in de ‘houding’.
    Indien de richting en afstand juist zijn wordt individueel in opeenvolging de ‘eerste rust’ aangenomen zodra de militair links naast hem de rechterhand (en het hoofd) heeft teruggebracht zoals in de ‘houding’.
  2. De eenheid is juist gericht wanneer de hakken in één lijn staan.

Figuur 3-3


Figuur 3-4

  1. Aantreden op meerdere gelederen. (Figuur 3-5)
    Aanwijzing: 'aantreden op twee (drie of vier) gelederen'.
    Deze verrichting wordt uitgevoerd zoals omschreven in punt 1b, met dien verstande, dat de rechtervleugelman van het tweede (derde en vierde) gelid zich richt op en afstand neemt tot zijn voorman door de rechterarm horizontaal voorwaarts te strekken en zich zodanig te verplaatsen tot hij met de tot vuist gemaakte hand zijn voorman raakt: met de handrug naar boven gekeerd. (Figuur 3-6).
    Aansluitend brengen zij de rechterarm in opvolging van voor naar achter terug zoals in de 'houding'.
    De overige militairen opgesteld in het tweede (derde en vierde) gelid richten zich, zodra zij naar rechts gericht zijn, op hun voorman.


Figuur 3-5


Figuur 3-6

  1. Aantreden met verkorte tussenruimte op één gelid
    Aanwijzing: 'aantreden met verkorte tussenruimte op één gelid'.
    Deze verrichting wordt uitgevoerd zoals omschreven in punt 1b, met dien verstande, dat de verkorte tussenruimte wordt verkregen doordat de militairen de tot vuist gemaakte rechterhand, met de handrug naar voren gekeerd, juist boven de heup plaatsen waarbij de rechterelleboog de linkerarm van de nevenman moet raken en richten zich daarbij op de meest rechter persoon. (Figuur 3-7).


Figuur 3-7

  1. Aantreden met verkorte tussenruimte op meerdere gelederen
    Aanwijzing: ‘aantreden met verkorte tussenruimte op twee (drie of vier) gelederen’.
    Deze verrichting wordt uitgevoerd zoals omschreven in punt 1c, met dien verstande, dat de verkorte tussenruimte wordt verkregen doordat de militairen opgesteld in het voorste gelid de tot vuist gemaakte rechterhand, met de handrug naar voren gekeerd, juist boven de heup plaatsen waarbij de rechterelleboog de linkerarm van de nevenman moet raken en richten zich daarbij op de meest rechter persoon.

2. Naar rechts richten wanneer is aangetreden op één gelid

  Bijzonderheden:

Vooraf: ‘nummeren’, zie bijlage C.


  1. Commando: 'naar rechts = richten'
    De uitgangssituatie is de 'houding' en de eenheid staat opgesteld op één gelid.
    (1) 1e beweging
    Uitgezonderd de rechtervleugelman draaien op het uitvoerings-commando: ‘richten’ allen in één tel het hoofd en de ogen naar rechts en strekken tegelijkertijd de rechterarm horizontaal zijwaarts.
    Wanneer bij het horizontaal zijwaarts strekken van de rechterarm de tussenruimte onvoldoende is, wordt de rechterarm met de tot vuist gemaakte hand achter de nevenman langs gestrekt: met de handrug naar boven gekeerd.
    (2) 2e beweging
    Uitgezonderd de rechtervleugelman verplaatsen allen zich door snel te dribbelen tot zij met de tot vuist gemaakte hand de bovenarm van hun nevenman raken en richten zich daarbij op de meest rechter persoon.
    De schouders worden in front gehouden.
    Het naar rechts gedraaide hoofd wordt rechtstandig gehouden. (Figuur 3-8).


Figuur 3-8

Controle richtingen
(Nummer..., of naam: op / neer of: naar voren / naar achteren).
De commandant stelt zich drie passen rechts van de rechtervleugelman op en maakt front naar de rechtervleugelman om de richting te controleren en zo nodig te corrigeren.
De eenheid is juist gericht wanneer de hakken in één lijn staan.

  1. Commando: 'hoofd = front'
    De commandant geeft het commando: 'hoofd = front' wanneer de eenheid juist gericht is.
    Op het uitvoeringscommando: 'front' wordt de rechterarm in één tel langs de kortste weg en niet hoorbaar tegen het lichaam gebracht zoals in de 'houding'. Tegelijkertijd worden het hoofd en de ogen teruggedraaid zoals in de 'houding'.
  2. Commando: 'met verkorte tussenruimte naar rechts = richten'
    Deze verrichting wordt uitgevoerd zoals omschreven in punt 2a en b, met dien verstande, dat de tot vuist gemaakte rechterhand (met de handrug naar voren gekeerd) juist boven de heup wordt geplaatst waarna allen, met uitzondering van de rechtervleugelman, zich verplaatsen door snel te dribbelen tot zij met de rechterelleboog de linkerarm van hun nevenman raken en richten zich daarbij op de meest rechter persoon. (Figuur 3-9).


Figuur 3-9

  1. Commando: 'hoofd = front'
    Zoals omschreven in punt b.
  Bijzonderheden:

Controle richtingen: zoals omschreven in punt 2a(2).

3. Naar rechts richten wanneer is aangetreden op meerdere gelederen

  Bijzonderheden:

Vooraf: ‘nummeren’, zie bijlage C. (Nummer..., of naam: op / neer of: naar voren / naar achteren).


  1. Commando: (‘met verkorte tussenruimte’) ‘naar rechts = richten’
    Deze verrichting wordt uitgevoerd zoals omschreven in punt 2, met dien verstande, dat voor het tweede (derde en vierde) gelid het volgende geldt:
    (1)1e beweging
    De rechtervleugelman van het tweede (derde en vierde) gelid strekt de rechterarm in één tel horizontaal voorwaarts: met de handrug naar boven gekeerd (zij houden het hoofd en de ogen naar voren gericht).
    De overige militairen opgesteld in het tweede (derde en vierde) gelid draaien het hoofd en de ogen naar rechts.
    (2)2e beweging
    De rechtervleugelman van het tweede (derde en vierde) gelid richt zich op en neemt afstand tot zijn voorman door zich zodanig te verplaatsen tot hij met de tot vuist gemaakte hand van zijn horizontaal gestrekte rechterarm zijn gerichte voorman raakt.
    Aansluitend brengen zij de rechterarm in opvolging van voor naar achter langs de kortste weg terug zoals in de ‘houding’.
    De overige militairen opgesteld in het tweede (derde en vierde) gelid richten zich, zodra zij naar rechts gericht zijn, op hun voorman. Hierbij worden de ogen naar links gedraaid terwijl het hoofd naar rechts blijft gedraaid. (Figuur 3-10).


Figuur 3-10

  1. Commando: ‘hoofd = front’
    Zoals omschreven in punt 2b.
  Bijzonderheden:
  1. Controle richtingen: de commandant stelt zich drie passen rechts van ieder gelid op en maakt front naar ieder gelid om (zich met ‘zijwaartse passen’ verplaatsend) de richting te controleren en zo nodig te corrigeren.
  2. De eenheid is juist gericht wanneer de hakken van de afzonderlijke gelederen in één lijn staan.

4. Passen

We onderscheiden de volgende passen:

  Lengte: Tempo:
a. looppas 80 centimeter 180 passen per minuut;
b. gewone pas 70 centimeter 112 passen per minuut;
c. vertraagde gewone pas.(vaandelwacht/groep) 70 centimeter 80 passen per minuut;
d. langzame pas 60 centimeter 70 passen per minuut;
e. aanmarcheerpas 50 centimeter alle tempi;
f. verkorte pas voorwaarts 40 centimeter 112 passen per minuut;
g. pas achterwaarts 40 centimeter 112 passen per minuut;
h. pas zijwaarts 40 centimeter 112 passen per minuut.

 

  Bijzonderheden:
  1. Voor de uitvoering van de ‘langzame pas’: zie hoofdstuk 10, punt 6.
  2. Ter controle van de diverse tempi is het raadzaam om een metronoom (tempometer) te gebruiken.
  3. Paslengtes gemeten vanaf achterzijde: hak tot hak of vanaf voorzijde: teen tot teen.


5. Marcheren in gewone pas

a. Algemeen
Vanuit de natuurlijke manier van lopen moet de militaire pas worden ontwikkeld, waarbij:

Bereikt moet worden dat met passen van de juiste, gelijke lengte en in het tempo van de ‘gewone pas’ wordt gemarcheerd.

  1. De aanmarcheerpas
    De ‘aanmarcheerpas’ wordt gemaakt met de linkervoet (dan wel de rechtervoet bij: ‘rechts uit de flank = mars‘ ) welke niet hoorbaar met gestrekt been wordt neergezet over een lengte van 50 cm.
    De voet blijft daarbij dicht bij de grond terwijl het bovenlichaam naar voren wordt bewogen.
    Tegelijkertijd wordt de rechter- / linkerarm voorwaarts en de linker- / rechterarm achterwaarts doorgezwaaid, zoals in punt a omschreven.
    De handen zijn tot vuisten gemaakt, duim op de wijsvinger in het verlengde van de onderarm, handrug naar buiten gekeerd.
  2. Commando: 'voorwaarts = mars'
    De uitgangssituatie is de 'houding'.
    Op het waarschuwingscommando: 'voorwaarts' blijft de militair onbeweeglijk stilstaan.
    Op het uitvoeringscommando: 'mars' wordt met de linkervoet een ‘aanmarcheerpas’ gemaakt en met de rechtervoet overgegaan in ‘gewone pas’. (Figuur 3-11 en 3-12).


Figuur 3-11

Figuur 3-12

  1. Commando: 'afdeling = halt'
    De uitgangssituatie is de ‘gewone pas’.
    Op het uitvoeringscommando: 'halt' wordt met de rechtervoet een gewone pas gemaakt. Hierbij wordt reeds snelheid verminderd. Aansluitend wordt met de linkervoet een‘verkorte pas‘ gemaakt waarna de rechtervoet naast de linkervoet wordt geplaatst zoals in de ‘houding’.
  2. Commando: 'rechts / links uit de flank = mars'
    De uitgangssituatie is de ‘houding’.
    (1)1e beweging
    Op het uitvoeringscommando: 'mars' wordt in één tel de linker- / rechtervoet (een kwartdraai gedraaid) met de voetholte 10 cm vóór de punt van de andere voet in de gewenste richting geplaatst.
    De gestrekte armen dienen stil tegen het lichaam te worden gehouden zoals in de ‘houding’. (Figuur 3-13 en 3-14).


Figuur 3-13

Figuur 3-14

(2)2e beweging
Met de rechter- / linkervoet wordt een ‘aanmarcheerpas’ gemaakt en worden tegelijkertijd de armen doorgezwaaid. (Figuur 3-15 en 3-16).


Figuur 3-15

Figuur 3-16

  1. Commando: 'rechts / links uit de flank = halt'
    De uitgangssituatie is de ‘gewone pas’.
    (1)1e beweging
    Op het uitvoeringscommando: 'halt' wordt met de rechter- / linkervoet een ‘verkorte pas’ gemaakt.
    (2) 2e beweging
    De linker- / rechtervoet (een kwartdraai gedraaid) wordt met de voetholte 10 cm vóór de punt van de andere voet in de gewenste richting geplaatst. (Figuur 3-17 en 3-18).
Figuur 3-17 Figuur 3-18

(3) 3e beweging
De rechter- / linkervoet wordt geplaatst zoals in de ‘eerste rust’.
(4) 4e beweging
De linker- / rechtervoet wordt aangesloten zoals in de 'houding'.

  Bijzonderheden:
  1. Het uitvoeringscommando: ‘halt’ wordt bij het commando: links uit de flank’ op de rechtervoet gegeven.
  2. Tijdens de bewegingen 1 t/m 4 dienen de gestrekte armen stil tegen het lichaam te worden gehouden zoals in de ‘houding’.

6. Rust tijdens marcheren in gewone pas

  1. Commando: 'rust',
    De uitgangssituatie is de ‘gewone pas’ buiten de bebouwde kom.
    In 'rust' mag worden gelopen tijdens verplaatsingen buiten het kazerneterrein.
    Wanneer: 'rust' is gecommandeerd, blijft elke militair in de pas en recht achter zijn voorman lopen.
    De juiste tussenruimte moet worden gehandhaafd, zodat de lengte van de colonne niet toe- of afneemt.
    Slechts na toestemming van de commandant is het toegestaan te spreken, te zingen, uit de pas te lopen, uit de veldfles te drinken, te eten, de draagwijze van het wapen te veranderen of het gelid te verlaten.
    Geschreeuw en uitroepen zijn verboden.
  2. Commando: 'afdeling = geeft = acht'
    De uitgangssituatie is ‘rust’ in ‘gewone pas’ tijdens een verplaatsing buiten het kazerneterrein.
    (1) Op het commando: ‘afdeling’ zo nodig de pas herstellen.
    (2) Op het uitvoeringscommando: 'acht' wordt, nadat de rechtervoet op de grond is gekomen, te beginnen met de linkervoet, verder gemarcheerd in ‘gewone pas’.

7. Looppas

  1. Commando: 'looppas = mars'
    De uitgangssituatie is de ‘gewone pas’.
    Op het uitvoeringscommando: 'mars' wordt, nadat de rechtervoet op de grond is gekomen, te beginnen met de linkervoet, overgegaan in de ‘looppas’. Tegelijkertijd worden de armen gebogen, vuisten op borsthoogte, handruggen naar buiten gekeerd.
    De voeten moeten recht naar voren worden geplaatst en voldoende hoog van de grond worden opgetild.
    De armen moeten zich voldoende vrij van het lichaam bewegen, zodat de ademhaling niet wordt belemmerd.
  Bijzonderheden:
  1. Het commando: 'afdeling = halt' en ‘markeert de pas’ wordt niet gegeven aan een groep die zich verplaatst in ‘looppas’.
  2. Voordat: ‘Halt’ of markeert de pas wordt gecommandeerd moet eerst worden overgegaan in ‘gewone pas’.
  1. Commando: 'gewone pas = mars'
    De uitgangssituatie is de ‘looppas’.
    Op het uitvoeringscommando: 'mars' worden, nadat de rechtervoet op de grond is gekomen, te beginnen met de linkervoet, twee kortere passen in langzamer tempo gemaakt.
    Aansluitend wordt met de linkervoet overgegaan in ‘gewone pas’.

8. Veranderen van richting

  1. Algemeen
    Afhankelijk van de uit te voeren verandering van richting tijdens het marcheren in ‘langzame-, gewone-, looppas’, of vanuit de ‘houding’, moet het daartoe geëigende commando worden gegeven.
    Op het uitvoeringscommando: 'mars' voert de militair aan het hoofd van de colonne met ‘verkorte passen’ de opgedragen verandering van richting uit en marcheert daarna door in de oorspronkelijke pas (lengte).
    De overige militairen voeren de verandering van richting uit zodra zij op het punt van richtingverandering zijn aangekomen.
    Indien op meerdere gelederen is aangetreden wordt deze verrichting op dezelfde wijze uitgevoerd, met dien verstande, dat:
  1. Commando: 'hoofd der colonne rechts / links = mars'
    Dit commando wordt gegeven wanneer de verandering van richting loodrecht op de oorspronkelijke richting is.
  2. Commando: 'hoofd der colonne rechts / links = voorwaarts = mars'
    Dit commando wordt gegeven wanneer de verandering van richting tegelijkertijd met het aanmarcheren vanuit de 'houding' of ‘markeert de pas’ moet aanvangen.
  3. Commando: 'tweemaal hoofd der colonne rechts / links = mars'
    Dit commando wordt gegeven wanneer achtereenvolgens tweemaal loodrecht van richting moet worden veranderd.
  4. Commando: 'tweemaal hoofd der colonne rechts / links = voorwaarts = mars'
    Dit commando wordt gegeven wanneer het tweemaal loodrecht van richting veranderen tegelijkertijd met het aanmarcheren vanuit de 'houding' of ‘markeert de pas’ moet aanvangen.

9. Markeren van de pas

  1. Commando: 'markeert de pas = mars'
    De uitgangssituatie kan zijn de ‘houding’ of ‘gewone pas’ (‘langzame pas’).
    Tijdens het marcheren wordt op het uitvoeringscommando: 'mars' met de rechtervoet een ‘verkorte pas’ gemaakt.
    Daarna worden, te beginnen met de linkervoet, zonder voorwaarts te gaan, in het tempo van de ‘gewone (langzame) pas’ de voeten opgetild waarbij de tenen naar de grond zijn gericht. (Figuur 3-19).
    De gestrekte armen dienen stil tegen het lichaam gehouden te worden zoals in de ‘houding’.
    Indien nodig kunnen richting en afstand worden gecorrigeerd.


Figuur 3-19

  1. Vanuit de ‘houding’ wordt op het uitvoeringscommando: 'mars' begonnen met de linkervoet.
    Aansluitend aan het markeren kunnen richtingveranderingen in de mars worden uitgevoerd, halt worden gehouden en kan overgegaan worden in ‘gewone (langzame) pas’ na de daartoe strekkende commando’s.
  2. Commando: 'voorwaarts = mars'
    De uitgangssituatie is 'markeert de pas’.
    Op het uitvoeringscommando: 'mars' wordt, nadat de rechtervoet op de grond is gekomen, met de linkervoet een ‘aanmarcheerpas’ gemaakt en aansluitend met de rechtervoet overgegaan in ‘gewone (langzame) pas’.
  3. Commando: 'afdeling = halt'
    De uitgangssituatie is 'markeert de pas’.
    Op het uitvoeringscommando: 'halt' wordt, nadat de rechtervoet op de grond is gekomen, de linkervoet naast de rechtervoet geplaatst zoals in de ‘houding’.

10. Wending tijdens het marcheren in gewone pas

Commando: 'rechtsomkeert = mars'
De uitgangssituatie is de ‘gewone pas’.

  1. 1e beweging
    Op het uitvoeringscommando: 'mars' wordt met de rechtervoet een ‘verkorte pas’ gemaakt.
  2. 2e beweging
    De linkervoet wordt loodrecht met de voetholte 10 cm voor de punt van de rechtervoet geplaatst. (Figuur 3-20).


Figuur 3-20

  1. 3e beweging
    De rechtervoet wordt (een halve draai gedraaid) met de hak 10 cm voor de linkerhak in de nieuwe richting geplaatst. (Figuur 3-21).
  Bijzonderheden:

Tijdens beweging 1 tot en met 3 dienen de gestrekte armen stil tegen het lichaam te worden gehouden zoals in de ‘houding’.



Figuur 3-21

  1. 4e beweging
    Met de linkervoet wordt een ‘aanmarcheerpas’ gemaakt en aansluitend met de rechtervoet overgegaan in ‘gewone pas’.
    Tegelijkertijd worden de armen doorgezwaaid.

11. Uit- en intreden

a. Commando: '(rang / stand en naam) = uittreden'
Op het waarschuwingscommando: '(rang / stand en naam)' meldt de militair zich (vanuit de ‘houding’) present (hoofdstuk 2, punt 2).
Op het uitvoeringscommando: 'uittreden' marcheert de militair, wanneer de eenheid in linie op één gelid staat opgesteld, langs de kortste weg naar de meerdere, die het commando heeft gegeven en meldt zich (hoofdstuk 2, punt 6).
Wanneer de eenheid is aangetreden op twee of meerdere gelederen, maakt de militair (m.u.v.die in het voorste gelid) een halve pas zijwaards en treedt naar voren uit:

Wanneer de eenheid in colonne staat opgesteld, maakt de militair voordat hij afmarcheert, ‘rechts- of linksom’, afhankelijk van de plaats van de meerdere.

b. Commando: 'intreden'
Op het uitvoeringscommando: 'intreden' brengt de militair ‘de groet’. Aansluitend wordt ‘rechtsomkeert’ gemaakt, om zich langs de kortste weg weer in de uitgangssituatie op te stellen.

12. Openen en sluiten (tempo van 112 passen per minuut).

  Bijzonderheden:

Vooraf: ‘nummeren’, zie bijlage C.

  1. Commando: ‘openen = mars’.
    De uitgangssituatie is de ‘houding’.
    (1) Op het uitvoeringscommando: ‘mars’ maakt, wanneer de eenheid op twee gelederen is aangetreden, het voorste gelid ‘twee verkorte passen voorwaarts’.
    (2) Op het uitvoeringscommando: ‘mars’ maakt, wanneer de eenheid op drie gelederen is aangetreden:

(3) Op het uitvoeringscommando: ‘mars’ maakt, wanneer de eenheid op vier gelederen is aangetreden:

Aansluitend wordt (zonder commando) naar rechts gericht.
De rechtervleugelman van het tweede, derde en achterste gelid verandert daarbij niet van plaats en de rechterarm wordt niet gestrekt.

Controle richtingen
(Nummer..., of naam: op / neer of: naar voren / naar achteren, gevolgd door: stop).
De commandant stelt zich drie passen rechts van ieder gelid op en maakt front naar ieder gelid om (zich met ‘zijwaartse passen’ verplaatsend) de richting te controleren en zo nodig te corrigeren.
De eenheid is juist gericht wanneer de hakken van de afzonderlijke gelederen in één lijn staan.

  1. Commando: ‘hoofd = front’
    Zoals omschreven in punt 2b.
  2. Commando: ‘sluiten = mars’
    De uitgangssituatie is de ‘houding’ (geopend).
    (1) Op het uitvoeringscommando: ‘mars’ maakt, wanneer de eenheid op twee gelederen is aangetreden, het voorste gelid ‘twee passen achterwaarts’.
    (2) Op het uitvoeringscommando: ‘mars’ maakt, wanneer de eenheid op drie gelederen is aangetreden:

(3) Op het uitvoeringscommando: ‘mars’ maakt, wanneer de eenheid op vier gelederen is aangetreden:

Aansluitend wordt (zonder commando) naar rechts gericht.

  Bijzonderheden:
  1. Controle richtingen: zoals omschreven in n.b. onder punt 3b en bijlage C: ‘Nummeren’.
  2. Tijdens de ‘(verkorte) passen vóór- en achterwaarts’ dienen de gestrekte armen stil tegen het lichaam te worden gehouden zoals in de ‘houding’.

  1. Commando: ‘hoofd = front’
    Zoals omschreven in punt 2b.

13. Hoofd rechts tijdens defilé

  1. Commando: ‘hoofd = rechts’
    De uitgangssituatie is de ‘gewone pas’.
    Op het uitvoeringscommando: ‘rechts’ worden, na één ‘gewone pas’ rechts, op de linkervoet in één tel het hoofd en de ogen onder een hoek van 45° naar rechts gedraaid.
    De rechtervleugelman voert de beweging met het hoofd niet uit en is belast met het behouden van de richting.
    De militairen kijken de persoon voor wie het eerbewijs wordt gebracht aan zodra deze in hun gezichtsveld is gekomen en blijven daarna verder marcheren met het hoofd en de ogen naar rechts gedraaid.
  2. Commando: ‘hoofd = front’
    De uitgangssituatie is ‘hoofd = rechts’ tijdens defilé.
    Op het uitvoeringscommando: ‘front’ worden, na één ‘gewone pas’ rechts, op de linkervoet, tegelijkertijd het hoofd en de ogen in één tel teruggedraaid zoals in ‘gewone pas’.
  Bijzonderheden:
  1. Indien de eenheden door plaatselijke omstandigheden, vanaf het podium gezien, van rechts komen aanmarcheren, worden de commando’s voor het muziekkorps en voor de overigen bij het passeren van de richtvlaggen aangepast.
  2. Aanvang, duur en einde van: ‘hoofd = rechts’ zijn afhankelijk van de situatie en richtlijnen ter plaatse.
  3. De respectievelijke commandanten brengen (al dan niet bewapend) het voorgeschreven eerbewijs.
  4. Indien de eenheden bewapend zijn: zie hoofdstukken 5 t/m 8.
  5. Ongewapende troepen dienen geen (ere-)groet te brengen wanneer zij ‘HOOFD = RECHTS’ moeten maken.
  6. Voor meer bijzonderheden zie DP 20-10, hoofdstuk 14: Het defilé.

14. Hoofd rechts tijdens inspecties

  1. Commando: 'hoofd = rechts' zodra de autoriteit tot op acht pas is genaderd.
    De uitgangssituatie is de 'houding', en het eerbewijs: brengt (ere)groet, afhankelijk van de rang / status van de parade-inspecteur en de eenheid staat opgesteld op één gelid.
  2. Op het uitvoeringscommando: 'rechts' draaien allen het hoofd en de ogen in één tel onder een hoek van 45° naar rechts. (Figuur 3-22).


Figuur 3-22

  1. Zodra de autoriteit in hun gezichtsveld is gekomen volgen de militairen de autoriteit door het hoofd te draaien totdat de uitgangssituatie is bereikt.
  2. Daarna wordt het hoofd stilgehouden en kijken de militairen recht voor zich uit zoals in de ‘houding’.
  Bijzonderheden:
  1. Indien de eenheid staat aangetreden op twee (drie of vier) gelederen, worden de verrichtingen uitgevoerd zoals omschreven voor het eerste- / voorste gelid.
  2. Indien de autoriteit van links komt aanmarcheren, dient voor “rechts”, “links” gelezen te worden.
  3. De respectievelijke commandanten brengen (al dan niet bewapend) het voorgeschreven eerbewijs.
  4. Indien bij de ‘niet ingedeelden’ hogere in rang staan aangetreden dan hun functionele commandant, geeft deze vooraf de aanwijzing: ‘mag ik de boven mij gestelden verzoeken mijn exercitiecommando’s op te volgen’.
  5. Niet ingedeelde (onder)officieren nemen op gelijke wijze deel aan een ceremonieële inspectie.
  6. Indien de eenheden bewapend zijn: zie hoofdstukken 5 t/m 8.
  7. Indien ongewapende eenheden de (ere-)groet brengen, wordt geen ‘hoofd rechts’ gemaakt.

15. Pas veranderen

Commando: ‘verandert de pas = mars’ (drie tellen, vier bewegingen)
De uitgangssituatie is de ‘gewone pas’.

  1. 1e beweging
    Op het uitvoeringscommando: ‘mars’ wordt met de rechtervoet één ‘verkorte pas’ gemaakt.
  2. 2e en 3e beweging (in één tel uit te voeren)
    (1) Met de linkervoet wordt één verkorte pas gemaakt.
    (2) De rechtervoet wordt naast de linkervoet geplaatst zoals in de ‘houding’ (halve tel ná (1)).
    (3) Tijdens de 2e en 3e beweging worden de armen stilgehouden in de posities: rechterhand op heuphoogte vóór-, en linkerhand onder een hoek van 30° achterwaarts.
  3. 4e beweging
    Met de linkervoet wordt een ‘aanmarcheerpas’ gemaakt en overgegaan in ‘gewone pas’ (armen doorzwaaien).
  Bijzonderheden:

Toepassing (functioneel) alleen in ‘gewone (langzame) pas’.

  1. Individueel wordt de aanwijzing: ‘verandert de pas’ gegeven, voorafgegaan door de rang / naam van betrokkene(n).
  2. Bij optredens van meerdere eenheden: indien een eenheid ‘uit de pas’ marcheert wordt het commando: ‘verandert de pas = mars’ gegeven, voorafgegaan door de naam van de bedoelde eenheid.