Hoofdstuk 9 Eerbewijzen Koninklijke Marine

Dit hoofdstuk behandelt de specifieke eerbewijzen zoals die bij de KM en met name op schepen worden toegepast. Het bij een inrichting van de zeemacht geldend eerbetoon is, voorzover niet reeds in andere hoofdstukken opgenomen, eveneens in dit hoofdstuk vermeld.

1. Valreepsgasten

  1. Het eerbewijs valreepsgasten wordt uitsluitend gebracht aan boord van een oorlogsschip.
  2. Ter weerszijden van de valreep worden vier officieren met de rang van luitenant ter zee der tweede klasse oudste categorie of met een lagere rang, of vier onderofficieren zo mogelijk met dezelfde rang, dan wel vier of twee schepelingen opgesteld, een en ander afhankelijk van de rang of het aanzien van degene voor wie het eerbewijs is bestemd.
  3. De persoon aan wie het eerbewijs wordt gebracht, wordt overgefloten door de chef der equipage dan wel door de hoogst aanwezige onderofficier van de operationele dienst subdienstgroep nautische dienst (ODND) of door de onderofficier van de wacht. In een enkel geval, aangegeven in dit hoofdstuk, wordt hij niet overgefloten.
  4. Gedurende het overfluiten brengen de valreepsgasten en degene die de fluit doet horen, de groet. Degene die op de fluit blaast, groet desgewenst met links of rechts.

2. Stilstaan der bemanning

Het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gebracht aan boord van een oorlogsschip en bij een inrichting der zeemacht.

  1. Het eerbewijs stilstaan der bemanning aan boord van een oorlogsschip:
    1º. het eerbewijs stilstaan der bemanning aan boord vangt aan met het signaal stil op de hoorn of met een bootsmansfluit, gevolgd door:
    (a) de eerste vijf maten van de taptoe wanneer front moet worden gemaakt naar stuurboord;
    (b) de eerste vier maten van de reveille wanneer front moet worden gemaakt naar bakboord;
    (c) de eerste vier maten van de parademars wanneer front moet worden gemaakt naar beide zijden;
    2º. indien de autoriteit in een motorrijtuig voorbijgaat, kunnen de eerste vijf maten van de taptoe en de eerste vier maten van de reveille worden vervangen door één stoot, onderscheidenlijk twee stoten op de hoorn; indien geen hoornblazer aanwezig is, wordt het signaal gefloten op de bootsmansfluit, waarna wordt aangegeven naar welke zijde de bemanning front moet maken;
    3º. alle militairen der zeemacht, die aan dek of op de brug zijn, stellen zich (op een varend schip voorzover de navigatie zulks toelaat) op langs de aangegeven zijde, zoveel mogelijk op gelijke afstand van elkaar en maken front naar buitenboord; de officier van de wacht kiest daarbij een plaats die van buitenboord goed zichtbaar is;
    4º. de militairen, bedoeld onder 3º, brengen de groet op de wijze, zoals die is voorgeschreven voor een stilstaande eenheid, met dien verstande dat alle officieren de groet brengen op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk;
    5º. het eerbewijs eindigt op het signaal doorgaan;
    6º. de militairen der zeemacht, die zich bevinden in de onmiddellijke nabijheid van het schip, aan boord waarvan het eerbewijs wordt gebracht, brengen gedurende het eerbewijs de groet op de wijze, zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk.
  2. Het eerbewijs stilstaan der bemanning bij een inrichting der zeemacht:
    1º. het eerbewijs stilstaan der bemanning bij een inrichting der zeemacht vangt aan met het signaal stil op de hoorn of, indien geen hoornblazer aanwezig is, op de bootsmansfluit;
    2º. alle militairen der zeemacht die zich op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein bevinden, maken front naar de plaats waar de autoriteit staat opgesteld, waarbij de officier van de wacht zich opstelt op een plaats, die goed zichtbaar is;
    3º. de militairen, hiervoor bedoeld onder 2º, brengen de groet op de wijze, voorgeschreven voor een militair afzonderlijk;
    4º. het eerbewijs eindigt op het signaal doorgaan.

3. Paraderen

  1. Het eerbewijs paraderen wordt uitsluitend gebracht aan boord van een oorlogsschip.
  2. Het eerbewijs vangt aan met het signaal al is ons prinsje op de hoorn.
  3. Indien het schip varende is, stelt de commandant zich op de brug op. Indien dat niet het geval is, gaat hij op een zodanige plaats staan dat hij duidelijk zichtbaar is. De overige officieren worden opgesteld op aanwijzing van de commandant. De gewapende wacht, die bij paraderen steeds in het geweer komt, en de muziek (indien aanwezig) worden opgesteld op een plaats, waar zij goed tot hun recht komen. De equipage wordt zo over het schip verdeeld, dat de lijnen van het schip zo goed mogelijk uitkomen. De opstelling van de bemanning moet nauwkeurig in een paradeerrol zijn vastgesteld. Het verdient aanbeveling de paradeerrol in onderling verband met de meerrol op te maken.
  4. Indien het schip behoort tot een verband en de commandant van dat verband aan boord is, stelt deze zich op een zodanige plaats op dat hij duidelijk zichtbaar is, met de officieren van zijn staf op één gelid twee passen achter zich.
  5. De bemanning stelt zich aan die zijde van het schip op, waarlangs de persoon, voor wie het eerbewijs geldt, zal voorbijgaan. De afstand tussen de leden der bemanning moet zo groot zijn, dat de projecties van die afstanden op de lengteas van het schip gelijk zijn.
  6. Indien een saluut zal worden gegeven, wordt de saluutbatterij gereed gehouden.
  7. Het eerbewijs eindigt op het signaal aftrap. Indien degene, voor wie het eerbewijs is bestemd, twee of meer oorlogsschepen moet voorbijgaan, wordt dat signaal pas gegeven nadat hij het laatste paraderende oorlogsschip voorbij is.

4. Joelen

Het eerbewijs joelen wordt gebracht aan boord van een oorlogsschip, bij een inrichting der zeemacht en elders aan de wal.

  1. Het eerbewijs joelen aan boord van een oorlogsschip:
    1º. het eerbewijs joelen vangt aan met de aanwijzing mutsen af;
    2º. de leden van de bemanning, met uitzondering van de bewapenden, alsmede de leden van de muziek, nemen met de rechterhand hun hoofddeksel af en houden dat tegen de linkerzijde van de borst;
    3º. de commandant heft vervolgens zijn pet op, daarbij roepende, indien het eerbewijs voor H.M. de Koningin is bestemd, leve de koningin of, indien het anderen geldt, driewerf hoezee;
    4º. alle leden van de bemanning roepen op een driemaal gegeven fluitsignaal op de bootsmansfluit telkens gelijktijdig hoezee, waarbij degenen die het hoofd hebben ontbloot, telkens de rechterarm met het hoofddeksel schuin rechts naar boven strekken en terugbrengen naar de linkerzijde van de borst; indien geen fluitsignaal kan worden gegeven, gebeurt dit mondeling conform onderdeel b;
    5º. vervolgens zetten zij op de aanwijzing mutsen op hun hoofddeksel weer op.
  2. Het eerbewijs joelen bij een inrichting der zeemacht en elders aan de wal:
    Het eerbewijs joelen bij een inrichting der zeemacht en elders aan de wal wordt op overeenkomstige wijze gebracht als aan boord van een oorlogsschip, met dien verstande dat, indien het niet mogelijk is een fluitsignaal zoals bedoeld in onderdeel a, onder 4º, te geven, de commandant op leve de koningin of driewerf hoezee onmiddellijk laat volgen hiep - hiep, waarna de leden van de bemanning een driewerf hoezee roepen.

5. Vlaggen van top

  1. Het eerbewijs vlaggen van top wordt gebracht door oorlogsschepen en bij inrichtingen der zeemacht, maar bij de laatste uitsluitend als daar een getuigde mast aanwezig is. Aan boord van een oorlogsschip wordt daartoe aan de top van elke mast de koninkrijksvlag en aan de geusstok de geus gehesen; bij inrichtingen der zeemacht wordt de koninkrijksvlag gehesen aan de top van de getuigde mast en in voorkomende gevallen wordt er geen vlag van een buitenlandse natie gehesen..
  2. Indien van de top van de voormast een commandovlag, de standaard of een onderscheidingsvlag waait, wordt op schepen met meer dan een mast aan die top de koninkrijksvlag niet gehesen. Op schepen met slechts één mast wordt in dat geval de koninkrijksvlag aan stuurboord van de commandovlag, de standaard of de onderscheidingsvlag gehesen. Indien er evenwel van die top naast de commandovlag of de standaard ook een onderscheidingsvlag waait, wordt die onderscheidingsvlag hoog aan een seinwipper aan stuurboord gehesen en wordt aan stuurboord van de commandovlag of de standaard de koninkrijksvlag gehesen.
  3. Indien aan boord van een buitenlands oorlogsschip van top wordt gevlagd en een Nederlands oorlogsschip daaraan zal deelnemen, wordt, indien dat schip meer dan een mast heeft, in plaats van de koninkrijksvlag aan de top van de voormast, de vlag van de betrokken natie gehesen. Indien het schip slechts één mast heeft, wordt aan de top daarvan zowel de koninkrijksvlag als de buitenlandse natievlag gehesen; de laatste aan stuurboord van de eerste. Indien evenwel van die top reeds een commandovlag of de standaard waait, wordt alleen de buitenlandse natievlag gehesen en wel aan stuurboord daarvan. Waait naast de commandovlag of de standaard een onderscheidingsvlag, dan wordt die onderscheidingsvlag hoog aan een seinwipper aan stuurboord gehesen en wordt de buitenlandse natievlag aan stuurboord van de commandovlag of de standaard gehesen.

6. Pavoiseren

  1. Het eerbewijs pavoiseren wordt uitsluitend gebracht door oorlogsschepen. Daartoe worden, behalve de vlaggen bedoeld in § 5, bovendien ook nog seinvlaggen gehesen.
  2. De seinvlaggen worden volgens een van tevoren opgemaakt pavoiseerplan met gelijke tussenruimten aangeslagen aan een lijn. De lijn wordt van het voorschip langs de toppen van de masten, ten minste één vlagbreedte onder de topvlaggen, naar het achterschip geleid.
  3. Bij het opmaken van het pavoiseerplan wordt zoveel mogelijk van voren naar achteren het kleurenschema rood-wit-blauw gevolgd. In geen geval mogen seinvlaggen worden opgenomen, die gelijk zijn aan of grote overeenkomst vertonen met buitenlandse natie- of onderscheidingsvlaggen.

7. Geven van saluten

  1. Saluten worden in principe gegeven door oorlogsschepen, maar als regel alleen door een fregat of groter schip. Tijdens een reis kunnen evenwel ook andere oorlogsschepen dit eerbewijs brengen als dat in verband met het karakter van de reis gewenst is. Bij nationale saluten kan het saluut ook worden afgegeven door een walbatterij.
  2. Indien van een oorlogsschip een saluut mag worden verwacht, dat dit om redenen niet kan geven, stelt de commandant van dat oorlogsschip de betrokken plaatselijke autoriteiten onverwijld op de hoogte, onder aanbieding van zijn verontschuldigingen.
  3. In de gevallen, aangegeven in dit hoofdstuk, waait gedurende het saluut de koninkrijksvlag of een buitenlandse natievlag van de top van de voormast. Waait van die top reeds de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, een commandovlag, de standaard of een onderscheidingsvlag, dan wordt de koninkrijksvlag of de buitenlandse natievlag aan stuurboord daarvan gehesen. Indien van die top zowel een commandovlag of de standaard als een onderscheidingsvlag waaien, wordt de onderscheidingsvlag hoog aan een seinwipper aan stuurboord gehesen en wordt aan stuurboord van de commandovlag of de standaard de koninkrijksvlag of de buitenlandse natievlag gehesen. Indien van de top van de voormast reeds de koninkrijksvlag of een buitenlandse natievlag waait, wordt aan die top geen tweede koninkrijksvlag of buitenlandse natievlag gehesen. Indien tijdens vlaggen van top of pavoiseren een saluut moet worden gegeven dat geen verband houdt met de gelegenheid waarvoor van top wordt gevlagd of wordt gepavoiseerd, worden gedurende dat saluut de top- en pavoiseervlaggen neergehaald. Een oorlogsschip dat ten anker of gemeerd ligt, voert gedurende het saluut steeds de geus.
  4. Tenzij er reden is om alle schoten van dezelfde zijde af te vuren, wordt het eerste schot gegeven van de zijde, die gekeerd is naar de persoon of naar de vlag voor wie of waarvoor het saluut is bestemd of, indien er geen reden is om aan een bepaalde zijde de voorkeur te geven, van stuurboord. De volgende schoten vallen beurtelings van bakboord en stuurboord of, indien het saluut wordt gegeven met meer dan één stuk aan dezelfde zijde, van voren naar achteren.
  5. Indien verscheidene schepen gezamenlijk het eerbewijs brengen, een z.g. algemeen saluut, begint het vlaggenschip of het schip van de oudste commandant. Bij het tweede schot valt het schip van de commandant die in rang of, bij gelijke rang, in ouderdom in rang volgt op de commandant van het verband of op de oudste commandant in met zijn eerste schot en zo vervolgens.
  6. Het geven van een saluut verloopt als volgt:
    1º. de eerste officier laat het signaal de jagers van Van Dam blazen; de aangewezen stuksbemanningen komen onverwijld op post en maken de stukken gereed;
    2º. de eerste officier laat de officier der artillerie die de schoten moet afvuren, alsmede de officier van de wacht weten, hoeveel schoten moeten worden gegeven, van welke zijde het eerste schot dan wel alle schoten moeten worden afgevuurd, bij welk schot, bij een algemeen saluut, moet worden ingevallen, welke natievlag moet worden gehesen en welke vlaggen eventueel moeten worden neergehaald; de officier der artillerie geeft de nodige orders aan de stuksbemanningen; de officier van de wacht doet hetzelfde aan de gasten bij de vlaggen en de geus; zodra alles gereed is, melden zij dat aan de eerste officier;
    3º. het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven; de officier der artillerie geeft daarop het waarschuwingscommando: KLAAR OM TE SALUEREN MET ....(aantal) SCHOTEN STUUR- (BAK-)BOORD UIT, de kanonnen worden geladen;
    4º. de eerste officier laat het signaal vuren blazen; de officier van de wacht doet de vlaggen die moeten worden neergehaald, neerhalen en die moeten worden gevoerd, hijsen; onmiddellijk nadat de officier der artillerie zich ervan heeft overtuigd dat de vereiste vlaggen klaar uitwaaien, commandeert hij nabij het stuk dat moet vuren: STUUR-(BAK)BOORD - VUUR, dan wel, indien er van één zijde wordt gevuurd: KANON ÉÉN (TWEE enz.) - VUUR, waarop het betrokken kanon wordt afgevuurd met een aftrektouw of met een eenvoudige mechanische afvuurinrichting; een militair der zeemacht, opgesteld in de nabijheid van de officier van de artillerie, telt hardop het aantal schoten; nadat het bevolen aantal schoten is afgevuurd, commandeert de officier der artillerie VASTVUREN, waarop de stukken worden ontladen; hierna meldt hij aan de eerste officier, dat het saluut voltooid is;
    5º. de eerste officier laat het signaal vastvuren blazen; de officier van de wacht doet daarop de voor het saluut gehesen vlaggen neerhalen en die, vóór het saluut zijn neergehaald, weer hijsen; zodra hij gereed is, meldt hij dat aan de eerste officier;
    6º. de eerste officier laat het signaal doorgaan blazen en, indien geen verdere saluten moeten worden gegeven, ook het signaal aftrap;
    7º. na het signaal aftrap laat de officier der artillerie stukken vast houden; zodra hij gereed is, meldt hij dat aan de eerste officier.
  7. Sloepen die langszij liggen van het schip dat een saluut zal geven, steken tijdig af en blijven gestopt in de buurt liggen, zo mogelijk met afgezette motor. Sloepen die zich in de nabijheid van dat schip bevinden, stoppen en wachten met langszij komen totdat het eerbewijs is volbracht.

8. Eerbewijzen aan personen

  1. Eerbewijzen aan personen worden in het algemeen slechts gebracht aan militairen die in uniform zijn gekleed, alsmede aan de burgerautoriteiten, genoemd in dit hoofdstuk en die als zodanig herkenbaar zijn. Aan een militair die niet in uniform is gekleed en aan een burgerautoriteit die niet als zodanig herkenbaar is, wordt uitsluitend de groet gebracht, maar alleen, indien men kan worden geacht de militair of de autoriteit te kennen. Voorts wordt een officier die niet is gekleed in uniform wanneer hij aan boord komt of van boord gaat van een schip dan wel aankomt bij of vertrekt van een inrichting der zeemacht, aan de valreep ontvangen of tot de valreep uitgeleid door de officier van de wacht en de onderofficier van de wacht. Bij een inrichting der zeemacht wordt deze officier bij aankomst en vertrek ontvangen en uitgeleid door de officier van de wacht en de onderofficier van de wacht of de chef de équipage
  2. Met uitzondering van de (ere)groet, stilstaan der bemanning, valreepsgasten (indien er valreepsgasten beschikbaar zijn), indien de gewapende wacht bijeen is, het in het geweer komen van de gewapende wacht, en, indien er hoornsignalen kunnen worden gegeven, het voorgeschreven aantal malen geeft acht, worden de eerbewijzen aan personen slechts gebracht, indien hun voorbijkomen of hun bezoek tijdig is aangekondigd en daardoor een officieel karakter draagt. En aangekondigd werkbezoek geldt echter niet als een officieel bezoek. Bij informele bezoeken en werkbezoeken kunnen de eerbewijzen tot de bovengenoemde worden beperkt.
  3. Van zonsondergang tot zonsopkomst worden geen andere eerbewijzen gebracht dan de (ere)groet. Zie ook § 30, onderdeel b, onder 2º.
  4. Bij aan boord komen en van boord gaan, voor inrichtingen der zeemacht bij aankomst en vertrek, worden des morgens vóór het hijsen van de vlag en gedurende de middagrust geen andere eerbewijzen gegeven dan de (ere)groet. Hetzelfde geldt bij aan boord komen en van boord gaan:
    1º. gedurende de tijd dat het schip in een haven ligt en de vlag port voert;
    2º. gedurende de tijd dat de kerkwimpel waait.
    Degene die op zo’n moment aan boord komt of van boord gaat dan wel aankomt of vertrekt en recht heeft op meer eerbewijzen, wordt ontvangen of uitgeleid door de (onder-)officier van de wacht.
  5. De (ere)groet wordt slechts gebracht door militairen die in uniform zijn gekleed.
  6. De groet is een uiting van saamhorigheid tussen militairen onderling en is wederkerig. Hij moet voorts worden gezien als een beleefdheidsvorm en vervult als zodanig dezelfde functie als de groet in de burgersamenleving. Bovendien is de groet een uiting van respect voor de verantwoordelijkheid die de persoon aan wie hij wordt gebracht binnen de krijgsmacht draagt. Ook dat aspect van de groet is geheel in overeenstemming met de normen die in de burgermaatschappij gelden.
  7. De individuele militair moet zelf beoordelen of hij de groet al of niet zal brengen, zodat de nadruk valt op de persoonlijke verantwoordelijkheid. Hij moet zich daarbij enerzijds bewust zijn van de waarde van de groet, zoals die in onderdeel f is omschreven, en anderzijds moet hij rekening houden met de omstandigheden. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarbij de groet achterwege moet blijven, omdat daardoor de veiligheid in het verkeer in gevaar zou kunnen worden gebracht. Voorts behoort een militair die deel uitmaakt van een militaire begrafenisstoet, niet te groeten.
  8. In afwijking van onderdeel g, moeten militairen der zeemacht, geen schildwacht zijnde, die zijn belast met de controle op documenten of goederen, met het openen en sluiten van hekken, poorten of slagbomen of met dergelijke bezigheden, de groet brengen wanneer zij zich tot iemand wenden of iemand zich tot hen wendt. Een en ander voorzover een goede uitvoering van hun taak dit toelaat.
  9. Militairen der zeemacht, die tijdelijk zijn opgesteld om het verkeer te regelen of om een weg of een terrein af te zetten, alsmede militairen der zeemacht die onder geleide staan, geven geen eerbewijzen tenzij hen dat uitdrukkelijk is opgedragen.
  10. Onverminderd hetgeen is bepaald in de onderdelen c en d moeten, afgezien van de gevallen, genoemd in dit hoofdstuk, waarin het eerbewijs valreepsgasten onvoorwaardelijk moet worden gebracht, aan boord van een oorlogsschip, dat op een rede of in een haven in het buitenland ligt, steeds valreepsgasten bij de hand zijn. In een haven of op een rede in het Koninkrijk der Nederlanden geldt dat alleen, indien er buitenlandse oorlogsschepen aanwezig zijn, en voorts bij gelegenheden van militair ceremoniële aard.
  11. Op zondagen en algemeen erkende christelijke feestdagen worden geen saluten gegeven. Zie echter ook § 30, onderdeel b, onder 2º.
  12. Op een varend oorlogsschip wordt niet van top gevlagd noch gepavoiseerd, behalve wanneer het schip wordt verhaald. Het eerbewijs pavoiseren wordt bij stormweer in het geheel niet gebracht.
  13. Indien aan twee of meer personen gelijktijdig eerbewijzen zouden moeten worden gebracht, worden alleen die welke aan de voornaamste persoon toekomen, gebracht.
  14. Indien aan boord van twee oorlogsschepen of aan boord van een oorlogsschip en aan de wal aan één persoon onmiddellijk op elkaar volgend eerbewijzen moeten worden gebracht, wordt een zodanige regeling getroffen, dat wordt voorkomen dat bepaalde eerbewijzen tweemaal worden gebracht voorzover daardoor de plechtigheid zou worden geschaad.
  15. De eerbewijzen bij ontvangst aan boord of hij een inrichting der zeemacht moeten op zodanige tijdstippen worden gebracht, dat de begroeting van de autoriteit er niet door wordt opgehouden of onderbroken.
  16. Degene die een autoriteit vertegenwoordigt, geniet de voorrang, maar ontvangt niet de eerbewijzen die zijn verschuldigd aan de autoriteit die hij vertegenwoordigt.
  17. Indien bij aankomst of vertrek van een inrichting der zeemacht of elders aan de wal de gewapende wacht in het geweer is gekomen of een erewacht is opgesteld, wordt de betrokken autoriteit eerst naar een gunstige plaats (zo mogelijk midden vóór de gewapende wacht of erewacht) geleid, om daar het eerbewijs in ontvangst te nemen.

9. Eerbewijzen aan Hare Majesteit de Koningin

Aan H.M. de Koningin worden de eerbewijzen gebracht, genoemd in hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8 en voorts in deze §. Namens H.M. de Koningin zal steeds worden aangegeven of de eerbewijzen niet of in vereenvoudigde vorm moeten worden gegeven.

  1. Aan boord van oorlogsschepen:
    1º. bij in nabijheid komen:
    wanneer H.M. de Koningin in de nabijheid van een oorlogsschip komt maar het niet zal voorbijgaan, wordt er gepavoiseerd van het hijsen van de vlag tot zonsondergang en geeft het oorlogsschip een saluut, dan wel neemt het deel aan een algemeen saluut van 35 schoten; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast en wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden;
    2º. bij voorbijgaan:
    wanneer H.M. de Koningin een oorlogsschip zal voorbijgaan of een oorlogsschip H.M. de Koningin zal voorbijgaan, wordt er onverminderd het bepaalde in § 8, onderdeel l, gepavoiseerd vanaf het hijsen van de vlag tot zonsondergang; gedurende het voorbijgaan worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) er wordt geparadeerd;
    (b) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer;
    (c) zo mogelijk wordt een muziekkorps toegevoegd;
    (d) op het signaal stil brengen alle paraderende leden van de bemanning, met uitzondering van de muziek en de leden van het muziekkorps alsmede de gewapende wacht, de eregroet waarbij die wacht het geweer presenteert;
    (e) de muziek speelt de parademars; de eregroet wordt pas beëindigd op het signaal doorgaan, dat wordt gegeven na het eerbewijs joelen;
    (f) de eregroet wordt onderbroken door het eerbewijs joelen;
    (g) in aansluiting op het eerbewijs joelen speelt de muziek, opgesteld op het halfdek of vliegdek aan de zijde die naar de H.M. de Koningin is toegekeerd en front makende naar buitenboord, het Wilhelmus;
    (h) het oorlogsschip geeft ongeacht hoe vaak H.M. de Koningin voorbijgaat, eenmaal een saluut of neemt het deel aan een algemeen saluut van 35 schoten (dat eveneens eenmaal wordt gegeven), tenzij reeds ingevolge onderdeel a, onder 1º, een saluut is gegeven; gedurende het saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast;
    3º. bij aan boord komen:
    wanneer H.M. de Koningin aan boord zal komen, wordt er vanaf het hijsen van de vlag tot het tijdstip bedoeld onder (d) gepavoiseerd; terwijl H.M. de Koningin aan boord komt, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld als bij grote parade; de bemanning maakt, voorzover zij is geplaatst aan de andere zijde dan die waar de staatsietrap of valreep ligt, front naar de midscheeps; voor zover zij is geplaatst aan dezelfde zijde als die waar de staatsietrap of valreep ligt, maakt zij front naar buitenboord tot het moment dat H.M. de Koningin het bovenste bordes van de staatsietrap heeft betreden of het einde van de valreep heeft bereikt; daarna eveneens naar de midscheeps;
    (b) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer; op het signaal stil, presenteert de wacht het geweer; aan de gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (c) op het onderste bordes van de staatsietrap of aan de voet van de valreep wordt H.M. de Koningin ontvangen door de eerste of oudste officier of, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het schip;
    (d) zodra H.M. de Koningin de staatsietrap of de valreep betreedt, worden de top- en pavoiseervlaggen neergehaald en wordt de onderscheidingsvlag aan de top van de voormast gehesen;
    (e) het eerbewijs valreepsgasten wordt gegeven; als valreepsgasten fungeren vier officieren met de rang van luitenant ter zee der tweede klasse oudste categorie; H.M. de Koningin wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    (f) aan de valreep wordt H.M. de Koningin ontvangen door de commandant van het schip of, indien het behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van dat verband;
    (g) de muziek speelt de parademars;
    (h) vervolgens speelt de muziek het Wilhelmus;
    (i) daarop vraagt de commandant van het verband of de commandant van het schip aan H.M. de Koningin of zij de gewapende wacht wenst te inspecteren; indien H.M. de Koningin daartoe de wens te kennen geeft, geeft de commandant aan de commandant van de gewapende wacht opdracht zich te melden; terwijl H.M. de Koningin de gewapende wacht inspecteert, speelt de muziek het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (j) nadat H.M. de Koningin de gewapende wacht is voorbijgegaan of heeft geïnspecteerd, worden de officieren aan haar voorgesteld;
    (k) tenslotte inspecteert H.M. de Koningin de equipage;
    4º. bij van boord gaan:
    wanneer H.M. de Koningin van boord gaat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld volgens de paradeerrol; de bemanning maakt, totdat H.M. de Koningin het bovenste bordes van de staatsietrap of de valreep heeft betreden, front naar de midscheeps en daarna naar buitenboord; alle leden der bemanning brengen in dit geval de eregroet op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk;
    (b) het signaal doorgaan wordt pas gegeven na het eerbewijs Wilhelmus;
    (c) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer; op het signaal stil, presenteert zij het geweer; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (d) H.M. de Koningin wordt tot aan de valreep begeleid door de commandant van het schip of, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband;
    (e) de muziek speelt de parademars;
    (f) het eerbewijs valreepsgasten wordt gegeven; als valreepsgasten fungeren vier officieren met de rang van luitenant ter zee der tweede klasse oudste categorie; H.M. de Koningin wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    (g) van de valreep tot aan het onderste bordes van de staatsietrap wordt H.M. de Koningin begeleid door de eerste of oudste officier, of, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het schip;
    (h) zodra H.M. de Koningin de staatsietrap of de valreep heeft verlaten, wordt de onderscheidingsvlag neergehaald en worden de top- en pavoiseervlaggen gehesen, die eerst op het moment van het neerhalen van de vlag worden neergehaald;
    (i) vervolgens joelt de bemanning;
    (j) daarop speelt de muziek het Wilhelmus;
    (k) het oorlogsschip geeft tenslotte een saluut dan wel neemt deel aan een algemeen saluut van 35 schoten; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast;
    5º. bij aan dek of in een afgesloten ruimte komen tijdens verblijf aan boord:
    (a) wanneer H.M. de Koningin tijdens een verblijf aan boord aan dek komt, wordt het volgende eerbewijs gebracht; op de waarschuwing front maken van de officier of schepeling, die de (aan)komst van H.M. de Koningin het eerst opmerkt, maken de leden van de bemanning die in de nabijheid zijn, zo mogelijk ruimte naar de midscheeps en brengen de eregroet op de wijze zoals voorgeschreven voor een stilstaande eenheid, met dien verstande dat alle officieren de eregroet brengen op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk; de zijde van het dek waar H.M. de Koningin vertoeft, wordt zo mogelijk open en vrij gelaten;
    (b) wanneer H.M. de Koningin tijdens een verblijf aan boord in een afgesloten ruimte komt, wordt het volgende eerbewijs gebracht; op de waarschuwing orde van de officier of schepeling die de komst van H.M. de Koningin het eerst opmerkt, plaatsen de leden van de bemanning die in die ruimte aanwezig zijn, zich terzijde en brengen de eregroet op de wijze zoals voorgeschreven voor een stilstaande eenheid, met dien verstande dat alle officieren hun eregroet brengen op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk; gedurende de maaltijd blijven zij evenwel stilzwijgend zitten.
  2. Bij inrichtingen der zeemacht in Nederland:
    Bij inrichtingen der zeemacht in Nederland worden aan H.M. de Koningin overeenkomstige eerbewijzen gebracht als aan boord van oorlogsschepen, met dien verstande dat:
    1º. niet wordt gepavoiseerd; in plaats daarvan wordt van top gevlagd;
    2º. niet wordt geparadeerd; in plaats daarvan wordt de bemanning opgesteld als bij grote parade;
    3º. het eerbewijs valreepsgasten niet wordt gegeven;
    4º. geen saluut wordt gegeven;
    5º. de eregroet voorzover de betrokken militairen niet in enige formatie staan aangetreden, steeds wordt gebracht op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk;
    6º. indien bij de bemanning een vaandel is ingedeeld, bovendien met het vaandel wordt gegroet.
  3. Elders aan wal, met uitzondering van de Nederlandse Antillen en Aruba:
    Elders aan de wal, met uitzondering van de Nederlandse Antillen en Aruba, wordt, indien H.M. de Koningin daartoe opdracht geeft, op de plaats waar zij aankomt dan wel vanwaar zij vertrekt alsmede vóór haar verblijfplaats, een erewacht opgesteld, waaraan zijn toegevoegd een muziekkorps en, indien de erewacht is betrokken uit personeel van een vaandelvoerende eenheid, zo mogelijk het vaandel van die eenheid. Voor die erewacht worden in de eerste plaats aangewezen de Ridders der Militaire Willemsorde die dienen bij schepen of inrichtingen der zeemacht, waaruit de erewacht is betrokken.
    Bij aankomst van H.M. de Koningin en telkens wanneer zij bij haar verblijfplaats aankomt, worden de volgende eerbewijzen gegeven:
    1º. de erewacht brengt de eregroet waarbij het geweer wordt gepresenteerd, met dien verstande, dat alle officieren de eregroet brengen op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk; wanneer H.M. de Koningin de erewacht op twintig passen is genaderd, speelt de muziek de parademars;
    2º. vervolgens speelt de muziek het Wilhelmus;
    3º. daarna meldt de commandant van de erewacht zich bij H.M. de Koningin en vraagt of zij de erewacht wenst te inspecteren; gedurende de inspectie speelt de muziek het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn; indien bij de erewacht een vaandel is ingedeeld, wordt bovendien met het vaandel gegroet;
    bij vertrek van H.M. de Koningin en telkens wanneer zij haar verblijfplaats verlaat, worden de volgende eerbewijzen gegeven:
    1º. de erewacht brengt de eregroet waarbij het geweer wordt gepresenteerd, met dien verstande dat alle officieren de eregroet brengen op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk;
    2º. de muziek speelt de parademars;
    3º. indien bij de erewacht een vaandel is ingedeeld, wordt bovendien met het vaandel gegroet; nadat H.M. de Koningin de erewacht heeft geïnspecteerd of is voorbijgegaan, wordt deze op parade - rust gesteld; de erewacht rukt in, nadat zij door de adjudant van H.M. de Koningin is bedankt.
  4. In de Nederlandse Antillen en op Aruba:
    In de Nederlandse Antillen en op Aruba wordt H.M. de Koningin per plechtigheid slechts één van de eerbewijzen, genoemd in onderdeel c (elders aan wal) gebracht.
  5. In en door sloepen:
    Wanneer H.M. de Koningin een sloep voorbijgaat (of een sloep H.M. de Koningin voorbijgaat), in een sloep komt of een sloep verlaat, brengt de bemanning van die sloep de eregroet. Een sloep waarin H.M. de Koningin is gezeten, wordt gestuurd door een officier met de rang van luitenant ter zee der eerste klasse of der tweede klasse oudste categorie. Wanneer H.M. de Koningin aan boord zal komen, wordt in die sloep het staatsiekleed gespreid.
  6. Door eenheden:
    1º. zie hoofdstuk 7, § 7, onderdeel b;
    2º. wanneer H.M. de Koningin een eenheid voorbijgaat (of omgekeerd), brengt die eenheid de eregroet, met dien verstande dat, indien bij de eenheid officieren zijn ingedeeld, zij daarbij handelen zoals de commandant van de eenheid; indien de eenheid stilstaat en gewapend is met het geweer, wordt het geweer gepresenteerd; indien muziek aanwezig is, speelt die gedurende het voorbijgaan de parademars; indien bij de eenheid een vaandel is ingedeeld, wordt bovendien met het vaandel gegroet.
  7. Door militairen afzonderlijk:
    Zie hoofdstuk 7, § 7, onderdeel a.

10. Eerbewijzen aan leden van het Koninklijk Huis

  1. Aan leden van het Koninklijk Huis worden de eerbewijzen gebracht zoals vermeld in § 9 en met in achtneming van het gestelde in § 8, onderdeel b, met dien verstande dat:
    1º. het saluut voor een lid van het Koninklijk Huis uit 21 schoten bestaat;
    2º. als valreepsgasten voor een lid van het Koninklijk Huis vier officieren met de rang van luitenant ter zee der tweede klasse jongste categorie of luitenant ter zee der derde klasse fungeren.
  2. Er wordt niet gepavoiseerd of geparadeerd, noch wordt er een saluut gegeven, zolang H.M. de Koningin aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is.
  3. Door of namens H.M. de Koningin kan worden bepaald dat de eerbewijzen, bedoeld in de vorige onderdelen, niet of in vereenvoudigde vorm moeten worden gegeven, waartoe telkens de nodige richtlijnen namens haar zullen worden verstrekt.

11. Eerbewijzen aan de gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba

  1. Aan de gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba worden bij hun installatie en bij officiële inspectiebezoeken de eerbewijzen gebracht, genoemd in § 9 en § 8, onderdeel b, met dien verstande dat:
    1º. het saluut uit 21 schoten bestaat;
    2º. als valreepsgasten vier onderofficieren, zo mogelijk met dezelfde rang, fungeren;
    3º. een sloep waarin zij zijn gezeten, wordt gestuurd door een onderofficier.
  2. Er wordt niet gepavoiseerd of geparadeerd, noch wordt er een saluut gegeven, zolang H.M. de Koningin of een lid van het Koninklijk Huis aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is.

12. Eerbewijzen aan het staatshoofd en aan een lid van het regerende vorstenhuis van een bevriende soevereine staat

  1. Aan het staatshoofd en aan een lid van het regerende vorstenhuis van een bevriende soevereine staat worden de eerbewijzen gebracht, genoemd in § 9, met inachtneming van het gestelde in § 8, onderdeel b, met dien verstande dat:
    1º. in plaats van de persoonlijke onderscheidingsvlag of de bij wijze van onderscheidingsvlag te gebruiken betrokken buitenlandse natievlag wordt gevoerd;
    2º. voor het staatshoofd het volkslied van de betrokken staat wordt gespeeld, gevolgd door het Wilhelmus, en evenzo voor een lid van het regerende vorstenhuis, indien dat door of namens H.M. de Koningin uitdrukkelijk is bepaald;
    3º. het saluut uit 21 schoten bestaat, terwijl gedurende dat saluut de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast waait;
    4º. als valreepsgasten vier officieren met de rang van luitenant ter zee der tweede klasse jongste categorie of luitenant ter zee der derde klasse fungeren;
    5º. de parademars niet wordt gespeeld;
    6º. de muziek toegevoegd aan de opgestelde erewacht, bij zijn vertrek en telkens wanneer hij zijn verblijfplaats verlaat, het volkslied van zijn natie speelt; voor de samenstelling van die erewacht geldt niet het vereiste, dat daarvoor in de eerste plaats Ridders der Militaire Willemsorde moeten worden aangewezen.
  2. Tenzij een staatshoofd of een lid van een regerend vorstenhuis van een bevriende soevereine staat anders verlangt, ontvangt hij de eerbewijzen die hem als zodanig toekomen en niet die welke zijn verbonden aan zijn militaire rang of functie.
  3. Er wordt niet gepavoiseerd of geparadeerd, noch wordt er een saluut gegeven, zolang H.M. de Koningin, een lid van het Koninklijk Huis dan wel de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is.

13. Eerbewijzen aan de minister en aan de staatssecretaris

Aan de minister en aan de staatssecretaris worden de eerbewijzen gebracht, genoemd in deze §, met dien verstande dat in de Nederlandse Antillen en op Aruba hun per plechtigheid slechts één eerbewijs wordt gebracht.

  1. Aan boord van oorlogsschepen:
    1º. bij voorbijgaan:
    wanneer de minister of de staatssecretaris een oorlogsschip voorbijgaat of een oorlogsschip een van de genoemde autoriteiten voorbijgaat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven;
    (b) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer; op het signaal stil neemt de gewapende wacht het geweer in den arm;
    (c) de tamboers slaan vier ereroffels; indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt viermaal het signaal geeft acht geblazen;
    2º. bij aan boord komen:
    wanneer de minister of de staatssecretaris aan boord komt, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld als bij grote parade; de bemanning maakt, voorzover zij is geplaatst aan de andere zijde dan die waar de staatsietrap of valreep ligt, front naar de midscheeps; voorzover zij is geplaatst aan dezelfde zijde als die waar de staatsietrap of valreep ligt, maakt zij front naar buitenboord totdat de minister of de staatssecretaris het bovenste bordes van de staatsietrap heeft betreden of het einde van de valreep heeft bereikt, en daarna eveneens naar de midscheeps; het signaal doorgaan wordt pas gegeven na het eerbewijs mars van de heer Van der Duyn;
    (b) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer; op het signaal stil neemt de gewapende wacht het geweer in den arm; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (c) zodra de minister of staatssecretaris de staatsietrap of de valreep betreedt, wordt diens onderscheidingsvlag aan de top van de voormast gehesen;
    (d) het eerbewijs valreepsgasten wordt gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de minister of de staatssecretaris worden overgefloten met de bootsmansfluit;
    (e) aan de valreep wordt de minister of de staatssecretaris ontvangen door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband;
    (f) de tamboers slaan vier ereroffels; indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt viermaal het signaal geeft acht geblazen;
    (g) vervolgens speelt de muziek de eerste acht maten van de parademars;
    (h) daarop vraagt de commandant de minister of de staatssecretaris of hij de gewapende wacht wenst te inspecteren; indien hij daartoe de wens te kennen geeft, geeft de commandant aan de commandant van de gewapende wacht opdracht zich te melden; terwijl de minister of de staatssecretaris de gewapende wacht inspecteert, speelt de muziek het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    3º. bij van boord gaan:
    wanneer de minister of staatssecretaris van boord gaat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld als bij grote parade; de bemanning maakt, voorzover zij is geplaatst aan de andere zijde dan die waar de staatsietrap of valreep ligt, front naar de midscheeps; voorzover zij is geplaatst aan dezelfde zijde als die waar de staatsietrap of valreep ligt, maakt zij eveneens front naar de midscheeps totdat de minister of de staatssecretaris het bovenste bordes van de staatsietrap of valreep heeft betreden en daarna naar buitenboord; het signaal doorgaan wordt pas gegeven na het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (b) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer; op het signaal stil neemt zij het geweer in den arm; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (c) de minister of de staatssecretaris wordt tot aan de valreep uitgeleid door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband;
    (d) de tamboers slaan vier ereroffels. Indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt viermaal het signaal geeft acht geblazen;
    (e) de muziek speelt de eerste acht maten van de parademars;
    (f) het eerbewijs valreepsgasten wordt gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de minister of de staatssecretaris worden overgefloten met de bootsmansfluit;
    (g) zodra de minister of de staatssecretaris de staatsietrap of valreep af is, wordt de onderscheidingsvlag neergehaald;
    (h) het oorlogsschip geeft tenslotte een saluut van 19 schoten; gedurende dat saluut waait van de top van de voormast de koninkrijksvlag; geen saluut wordt echter gegeven, indien H.M. de Koningin, een lid van het Koninklijk Huis dan wel de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is;
    4º. bij aan dek of in een afgesloten ruimte komen tijdens verblijf aan boord:
    wanneer de minister of staatssecretaris tijdens een verblijf aan boord, aan dek of in een afgesloten ruimte komt, wordt de zijde van het dek of de ruimte waar hij vertoeft zo mogelijk open en vrij gehouden.
  2. Bij inrichtingen der zeemacht:
    Bij inrichtingen der zeemacht worden de minister of staatssecretaris overeenkomstige eerbewijzen gebracht als aan boord van oorlogsschepen, met dien verstande dat:
    1º. het eerbewijs valreepsgasten niet wordt gegeven;
    2º. geen onderscheidingsvlag wordt gevoerd;
    3º. geen saluut wordt gegeven.
  3. In en door sloepen:
    Wanneer de minister of staatssecretaris een sloep voorbijgaat (of een sloep een van die autoriteiten), in een sloep komt of een sloep verlaat, maakt de bemanning van die sloep front. Wanneer de minister of staatssecretaris aan boord zal komen, wordt in die sloep het staatsiekleed gespreid.
  4. Door eenheden:
    Wanneer de minister of staatssecretaris een eenheid voorbijgaat, of een eenheid een van die autoriteiten, maakt die eenheid front waarbij, indien de eenheid stilstaat en gewapend is met het geweer, het geweer in den arm wordt genomen.
  5. Door militairen afzonderlijk:
    Voor het brengen van de groet door een individuele militair der zeemacht aan de minister of staatssecretaris geldt het gestelde in § 8, onderdeel g. Schildwachten met een normale beveiligingstaak bij een schip brengen het eerbewijs in den arm geweer. Tussen zonsondergang en zonsopkomst brengen deze laatste echter geen eerbewijzen.

14. Eerbewijzen aan de CDS en aan de IGK

  1. De CDS en de IGK ontvangen dezelfde eerbewijzen als gebracht aan een militair der zeemacht, niet belast met een commando of met een bijzondere opdracht, met wie zij in de rang zijn gelijkgesteld.
  2. Een aangekondigd bezoek draagt in beginsel het karakter van een werkbezoek.
  3. Van toepassing is het gestelde in § 15, onderdeel a, onder 1º, (c); onder 2º, (b) en onder 3º, (c).

15. Eerbewijzen aan vlagofficieren

Aan vlagofficieren worden onderstaande eerbewijzen gebracht. Zie echter ook het bepaalde in § 8, onderdeel b.

  1. Aan boord van oorlogsschepen:
    1º. bij voorbijgaan:
    (a) wanneer een vlagofficier, belast met een bevel, een schip voorbijgaat (of een schip een zodanige vlagofficier), worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een officier; op het signaal stil neemt de bemanning het geweer in den arm;
    (3) de tamboers slaan voor een vlagofficier met de rang van admiraal of van luitenant-admiraal vier, voor een vlagofficier met de rang van vice-admiraal drie, voor een vlagofficier met de rang van schout-bij-nacht twee ereroffels en voor een vlagofficier met de rang van commandeur één ereroffel; indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt hetzelfde aantal malen het signaal geeft acht geblazen;
    (b) wanneer een vlagofficier, belast met een bijzondere opdracht, een schip voorbijgaat, dat bij die opdracht is betrokken (of een zodanig schip een zodanige vlagofficier), worden hem de eerbewijzen gebracht, genoemd onder (a), (1) hiervoor; van een schip dat niet bij de opdracht is betrokken, ontvangt hij de eerbewijzen, genoemd onder (c);
    (c) wanneer een vlagofficier, niet belast met een commando of met een bijzondere opdracht, een schip voorbijgaat (of een schip een zodanige vlagofficier), worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) op de hoorn wordt het aantal malen geeft acht geblazen zoals vermeld in onderdeel 1º, (a), onder (3);
    2º. bij aan boord komen:
    (a) wanneer een vlagofficier, belast met een commando, aan boord komt van een schip, of wanneer een vlagofficier, belast met een bijzondere opdracht, aan boord komt van een schip dat bij die opdracht is betrokken, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld als bij de grote parade, indien de vlagofficier voor een inspectie aan boord komt; in het laatste geval maakt de bemanning, voorzover zij is geplaatst aan de andere zijde dan die waar de staatsietrap of valreep ligt, front naar de midscheeps; voorzover de bemanning is geplaatst aan dezelfde zijde als die waar de staatsietrap of valreep ligt, maakt de bemanning front naar buitenboord, totdat de vlagofficier het bovenste bordes van de staatsietrap of het einde van de valreep heeft bereikt, en daarna eveneens naar de midscheeps; het signaal doorgaan wordt pas gegeven na het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (2) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een officier; op het signaal stil neemt zij het geweer in den arm; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (3) zodra de vlagofficier de staatsietrap of valreep betreedt, wordt zo nodig zijn commandovlag dan wel zijn onderscheidingsvlag aan de top van de voormast gehesen;
    (4) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de vlagofficier wordt overgefloten met de bootsmansfluit; indien de vlagofficier niet gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten alleen gegeven wanneer er op grond van enige bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn;
    (5) aan de valreep wordt de vlagofficier ontvangen door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband, tenzij de vlagofficier van lagere rang is dan de commandant van het verband; in dat geval wordt hij alleen ontvangen door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier;
    (6) de tamboers slaan het aantal ereroffels, aangegeven onder 1º, (a), (3); indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt hetzelfde aantal malen het signaal geeft acht geblazen;
    (7) de muziek speelt de eerste acht maten van de parademars;
    (8) indien er ingevolge hetgeen is bepaald onder (b) een gewapende wacht aanwezig is, vraagt de commandant aan de vlagofficier of hij de wacht wenst te inspecteren; indien deze daartoe de wens te kennen geeft, geeft de commandant de commandant van de wacht opdracht zich te melden; terwijl de vlagofficier de gewapende wacht inspecteert, speelt de muziek het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (b) wanneer een vlagofficier, belast met een bijzondere opdracht, aan boord komt van een schip dat niet is betrokken bij zijn opdracht, dan wel wanneer een vlagofficier als bedoeld onder 1º, (a), en (c), aan boord komt van een schip, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven;
    (2) wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten aanwezig zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven;
    (3) als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de vlagofficier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    (4) op de hoorn wordt het aantal malen geeft acht geblazen, zoals aangegeven onder 1º, (a), (3);
    (5) aan de valreep wordt de vlagofficier ontvangen door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband, tenzij de vlagofficier een lagere rang bekleedt dan de commandant van het verband; in dat geval wordt hij alleen ontvangen door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier;
    3º. bij van boord gaan:
    (a) wanneer een vlagofficier, belast met een bevel, van boord gaat van een schip, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld als bij grote parade, indien de vlagofficier voor een inspectie aan boord is gekomen; in het laatste geval maakt de bemanning, voorzover zij is geplaatst aan de andere zijde dan die waar de staatsietrap of valreep ligt, front naar de midscheeps; voorzover de bemanning is geplaatst aan dezelfde zijde als die waar de staatsietrap of valreep ligt, maakt zij front naar de midscheeps totdat de vlagofficier het bovenste bordes van de staatsietrap of valreep heeft bereikt, en daarna naar buitenboord; het signaal doorgaan wordt pas gegeven na het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (2) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een officier; op het signaal stil neemt zij het geweer in den arm; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (3) tot aan de valreep wordt de vlagofficier uitgeleid door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband, tenzij de vlagofficier van lagere rang is dan de commandant van het verband, in dat geval wordt hij alleen uitgeleide gedaan door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier;
    (4) de tamboers slaan het aantal ereroffels zoals aangegeven onder 1º, (a), (3); indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt hetzelfde aantal malen het signaal geeft acht geblazen;
    (5) de muziek speelt de eerste acht maten van de parademars;
    (6) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de vlagofficier wordt overgefloten met de bootsmansfluit; indien de vlagofficier niet gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten alleen gegeven, wanneer er op grond van enige andere bepalingen in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn;
    (7) zodra de vlagofficier de staatsietrap of valreep af is, wordt zo nodig zijn commandovlag neergehaald;
    (8) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, geeft het oorlogsschip, tenzij dat zijn eigen vlaggenschip is tenslotte een saluut van:
    19 schoten voor een vlagofficier met de rang van admiraal;
    17 schoten voor een vlagofficier met de rang van luitenant-admiraal;
    15 schoten voor een vlagofficier met de rang van vice-admiraal;
    13 schoten voor een vlagofficier met de rang van schout-bij-nacht;
    11 schoten voor een vlagofficier met de rang van commandeur;
    voor een zodanig saluut wordt geen vlag gehesen; geen saluut wordt gegeven, indien H.M. de Koningin, een lid van het Koninklijk Huis dan wel de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is;
    (b) wanneer een vlagofficier, belast met een bijzondere opdracht, van boord gaat van een schip dat bij die opdracht is betrokken, worden hem de eerbewijzen, genoemd in onderdeel 3º, (a), onder (1) tot en met (7), gebracht;
    (c) wanneer een vlagofficier zoals bedoeld hiervoor onder (b) van boord gaat van een schip dat niet is betrokken bij zijn opdracht, dan wel wanneer een vlagofficier als bedoeld onder 1º, (a), en (c) van boord gaat van een schip, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het bewijs stilstaan der bemanning;
    (2) tot aan de valreep wordt de vlagofficier uitgeleid door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband tenzij de vlagofficier van lagere rang is dan de commandant van het verband, in welk geval hij wordt uitgeleid door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier;
    (3) op de hoorn wordt het aantal malen het signaal geeft acht geblazen, aangegeven onder 1º, (a), (3);
    (4) wanneer er op grond van enige andere bepalingen in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de vlagofficier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    4º. bij aan dek of in een afgesloten ruimte komen tijdens verblijf aan boord:
    wanneer een vlagofficier tijdens een verblijf aan boord, aan dek of in een afgesloten ruimte komt, wordt de zijde van het dek of de ruimte waar hij vertoeft zo mogelijk open en vrij gehouden.
  2. Bij inrichtingen der zeemacht:
    Bij inrichtingen der zeemacht worden aan vlagofficieren overeenkomstige eerbewijzen gebracht als aan boord van oorlogsschepen, met dien verstande dat:
    1º. het eerbewijs valreepsgasten niet wordt gegeven;
    2º. geen commando- of onderscheidingsvlag wordt gehesen;
    3º. geen saluut wordt gegeven.
  3. In en door sloepen:
    Wanneer een vlagofficier een sloep voorbijgaat (of een sloep een vlagofficier), in een sloep komt of een sloep verlaat, brengt de bemanning van die sloep de groet, tenzij in de sloep een vlagofficier of een autoriteit van hogere rang of functie dan hijzelf is gezeten; de commandant van de sloep brengt evenwel de groet aan alle militaire meerderen die in de sloep komen of haar verlaten; bij bijzondere gelegenheden van militair-ceremoniële aard wordt, wanneer de vlagofficier aan boord zal komen, in de sloep het staatsiekleed gespreid.
  4. Door eenheden:
    Wanneer een vlagofficier een eenheid voorbijgaat (of een eenheid een vlagofficier), brengt die eenheid de groet waarbij, indien de eenheid stilstaat en gewapend is met het geweer, het geweer in den arm wordt genomen.
  5. Door militairen afzonderlijk:
    Voor het brengen van de groet aan een vlagofficier door een individuele militair der zeemacht, die een lagere rang heeft dan hij of die geen rang heeft, geldt § 8, onderdeel g; schildwachten met een normale beveiligingstaak bij een schip brengen het eerbewijs in den arm geweer; tussen zonsondergang en zonsopkomst brengen deze laatste echter geen eerbewijzen.

16. Eerbewijzen aan officieren der zeemacht met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang

  1. Aan officieren der zeemacht in de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang worden onderstaande eerbewijzen gebracht. Zie ook § 8, onderdeel b.

    Aan boord van schepen:
    1º. bij voorbijgaan:
    (a) wanneer een kapitein ter zee of eskadercommandant een schip onder zijn commando voorbijgaat (of een schip een zodanige officier onder wiens commando het staat), worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) indien hij gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een onderofficier met de rang van sergeant-majoor of van sergeant; op het signaal stil neemt de gewapende wacht het geweer in den arm;
    (3) de tamboers slaan één ereroffel; indien geen ereroffel kan worden gegeven, wordt eenmaal het signaal geeft acht geblazen;
    (b) wanneer een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang, niet vallende onder onderdeel a, onder 1º, (a), commandant van een schip of van een verband van schepen, het schip of een der schepen onder zijn commando voorbijgaat (of een schip een zodanig officier onder wiens commando het staat), wordt hem het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven;
    2º. bij aan boord komen:
    (a) wanneer een kapitein ter zee of eskadercommandant aan boord komt van een schip onder zijn bevel, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) indien hij gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een onderofficier met de rang van sergeant-majoor of van sergeant; op het signaal stil neemt zij het geweer in den arm; aan de gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (3) zodra hij de staatsietrap of de valreep betreedt, wordt zo nodig zijn standaard gehesen;
    (4) indien hij gewapend is met de sabel wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit; indien hij niet gewapend is met de sabel wordt het eerbewijs valreepsgasten alleen gegeven wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn;
    (5) aan de valreep wordt hij ontvangen door de commandant en de eerste of de oudste officier;
    (6) de tamboers slaan één roffel; indien geen roffel kan worden gegeven, wordt eenmaal het signaal geeft acht geblazen;
    (7) de muziek speelt de eerste acht maten van de parademars;
    (8) indien er ingevolge hetgeen is bepaald onder (2), een gewapende wacht aanwezig is, vraagt de commandant of hij de wacht wenst te inspecteren; indien hij daartoe de wens te kennen geeft, geeft de commandant aan de commandant van de gewapende wacht opdracht zich te melden; terwijl hij de gewapende wacht inspecteert, speelt de muziek het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (b) wanneer een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang, niet vallende onder onderdeel a, 2º, onder (a), commandant van een schip of van een verband van schepen, aan boord komt van het schip of van een der schepen onder zijn bevel, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    (3) aan de valreep wordt hij ontvangen door de eerste of de oudste officier en de officier van de wacht, dan wel, wanneer hij de commandant is van een verband van schepen, door de commandant en de eerste of de oudste officier;
    (c) wanneer een officier der zeemacht met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang aan boord komt van een schip dat niet onder zijn commando staat, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) tenzij hij een lagere rang bekleedt dan de commandant wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven;
    (2) wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren voor een kapitein ter zee of een kapitein-luitenant ter zee vier schepelingen zonder rang en voor een andere officier twee schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    (3) indien hij een hogere rang bekleedt dan wel gelijk in rang is aan de commandant, wordt hij aan de valreep ontvangen door de commandant en de eerste of de oudste officier; in alle andere gevallen wordt hij aan de valreep ontvangen:
    (i) indien hij de rang van kapitein-luitenant ter zee bekleedt: door de eerste of de oudste officier en de officier van de wacht;
    (ii) indien hij geen kapitein-luitenant ter zee is, maar een hogere rang bekleedt dan of gelijk in rang is aan de officier van de wacht door de officier van de wacht en de onderofficier van de wacht;
    (iii) indien hij een lagere rang bekleedt dan de officier van de wacht door de onderofficier van de wacht;
    3º. bij van boord gaan:
    (a) wanneer een kapitein ter zee of eskadercommandant van boord gaat van een schip onder zijn commando, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) indien hij gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een onderofficier met de rang van sergeant-majoor of van sergeant; op het signaal stil neemt zij het geweer in den arm; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (3) tot aan de valreep wordt hem uitgeleide gedaan door de commandant en de eerste of de oudste officier;
    (4) de tamboers slaan één ereroffel; indien geen ereroffel kan worden gegeven, wordt éénmaal het signaal geeft acht geblazen;
    (5) de muziek speelt de eerste acht maten van de parademars;
    (6) indien hij gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit; indien hij niet gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten alleen gegeven, wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn;
    (7) zodra hij de staatsietrap of de valreep af is, wordt zo nodig zijn standaard neergehaald;
    (8) indien hij gewapend is met de sabel, geeft het oorlogsschip, tenzij dat zijn eigen vlaggenschip is, tenslotte een saluut van 11 schoten; voor dat saluut wordt geen vlag gehesen; geen saluut wordt gegeven, indien H.M. de Koningin, een lid van het Koninklijk Huis, dan wel de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is;
    (b) wanneer een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang niet behorend tot de categorie bedoeld in onderdeel a, onder 3º, (a), commandant van een schip of van een verband van schepen, van boord gaat van het schip of van een der schepen onder zijn commando, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) tot aan de valreep wordt hem uitgeleide gedaan door de eerste officier of de oudste officier en de officier van de wacht dan wel, wanneer hij commandant is van een verband van schepen, door de commandant en de eerste of de oudste officier;
    (3) wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    (c) wanneer een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang van boord gaat van een schip dat niet onder zijn commando staat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) tenzij hij een lagere rang bekleedt dan de commandant, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven;
    (2) indien hij een hogere rang bekleedt dan of gelijk in rang is aan de commandant, wordt hem tot aan de valreep uitgeleide gedaan door de commandant en de eerste officier of de oudste officier; in alle andere gevallen wordt hem tot aan de valreep uitgeleide gedaan:
    (i) indien hij de rang van kapitein-luitenant ter zee bekleedt, door de eerste of de oudste officier en de officier van de wacht;
    (ii) indien hij geen kapitein-luitenant ter zee is maar een hogere rang bekleedt dan of gelijk in rang is aan de officier van de wacht, door de officier van de wacht en de onderofficier van de wacht;
    (iii) indien hij een lagere rang bekleedt dan de officier van de wacht, door de onderofficier van de wacht;
    (3) wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren voor een kapitein ter zee of een kapitein-luitenant ter zee vier schepelingen zonder rang en voor een andere officier twee schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    4º. bij aan dek of in een afgesloten ruimte komen tijdens verblijf aan boord:
    wanneer een officier in de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang, dan wel commandant van een verband van schepen of commandant van een schip tijdens een verblijf aan boord van een (het) schip onder zijn commando, aan dek of in een afgesloten ruimte komt, wordt de zijde van het dek of de ruimte waar hij vertoeft zo mogelijk open en vrij gehouden.
  2. Bij inrichtingen der zeemacht:
    Bij inrichtingen der zeemacht worden aan de officieren in de rang van kapitein ter zee of een lagere rang overeenkomstige eerbewijzen gebracht als aan boord van oorlogsschepen, met dien verstande dat:
    1º. het eerbewijs valreepsgasten niet wordt gegeven;
    2º. de standaard niet wordt gehesen;
    3º. geen saluut wordt gegeven;
    4º. met inachtneming van het voorgaande een kolonel, commandant der mariniers, bij een inrichting der zeemacht onder zijn commando dezelfde eerbewijzen ontvangt als een kapitein ter zee, eskadercommandant, ontvangt van een schip onder zijn commando.
  3. In en door sloepen:
    1º. wanneer een officier in de rang van kapitein ter zee of een lagere rang, CZMCARIB, een commandant van een verband van schepen, een commandant der mariniers of commandant van een schip of van een inrichting der zeemacht een sloep voorbijgaat (of een sloep een zodanige officier), in een sloep komt of een sloep verlaat, terwijl die sloep behoort tot een (het) schip of een (de) inrichting onder zijn bevel, brengt de bemanning van die sloep de groet, tenzij daarin een officier of een autoriteit van hogere rang of functie dan de betrokkene is gezeten; de commandant van de sloep brengt evenwel de groet aan alle militaire meerderen die in de sloep komen of haar verlaten; bij bijzondere gelegenheden van militair-ceremoniële aard wordt, wanneer de officier aan boord zal komen, in de sloep het staatsiekleed gespreid;
    2º. wanneer een officier in de rang van kapitein ter zee of een lagere rang een sloep voorbijgaat (of een sloep een zodanige officier), in een sloep komt of een sloep verlaat, terwijl die sloep niet behoort tot een schip of een inrichting onder zijn bevel, brengt de bemanning van die sloep de groet, tenzij in die sloep een officier of een autoriteit van hogere rang of functie dan de betrokkene is gezeten; de commandant van de sloep brengt evenwel de groet aan alle militaire meerderen die in de sloep komen of haar verlaten; bij bijzondere gelegenheden van militair-ceremoniële aard wordt, wanneer een officier met de rang van kapitein-luitenant ter zee of met een hogere rang aan boord zal komen, in de sloep het staatsiekleed gespreid; hetzelfde is het geval bij aan boord komen van een officier van de wacht, gewapend met de sabel.
  4. Door eenheden:
    1º. wanneer een officier in de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang een eenheid voorbijgaat (of een eenheid een zodanige officier), waarvan de commandant onder zijn commando staat, brengt die eenheid de groet waarbij, indien de eenheid stilstaat en gewapend is met het geweer, het geweer in over geweer wordt genomen; indien het eerbewijs echter een kapitein ter zee, eskadercommandant, CZMCARIB of een kolonel, commandant der mariniers, geldt, wordt het geweer in den arm genomen; van een oefenende of rustende eenheid brengt evenwel slechts de commandant de groet waarna hij zich, zodra hem daartoe gelegenheid wordt geboden, meldt bij de betrokken officier;
    2º. wanneer een officier in de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang een eenheid voorbijgaat (of een eenheid een zodanige officier), waarvan de commandant niet onder zijn commando staat, brengt die eenheid de groet tenzij de commandant een hogere rang bekleedt dan die officier;
  5. Door militairen afzonderlijk:
    Voor het brengen van de groet aan een officier in de rang van kapitein ter zee of in een lagere rang door een individuele militair der zeemacht die een lagere rang heeft dan hij of die geen rang heeft, geldt § 8, onderdeel g; schildwachten met een normale beveiligingstaak bij een schip brengen de groet in over geweer; indien het eerbewijs evenwel een kapitein ter zee, eskadercommandant, of een kolonel, commandant der mariniers, geldt, nemen zij het geweer in den arm; tussen zonsondergang en zonsopkomst brengen schildwachten echter geen eerbewijzen, behalve voor een officier die is belast met het maken van een ronde.

17. Eerbewijzen aan onderofficieren der zeemacht

Aan onderofficieren der zeemacht worden onderstaande eerbewijzen gebracht. Zie ook het gestelde in § 8, onderdeel b.

  1. Aan boord van oorlogsschepen:
    1º. wanneer een onderofficier aan boord komt van een schip worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) indien de onderofficier de rang van adjudant-onderofficier bekleedt en is gewapend met de sabel wordt, wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren twee schepelingen zonder rang; de onderofficier wordt niet overgefloten;
    (b) indien de onderofficier de rang van sergeant of een hogere rang bekleedt, wordt hij ontvangen door de onderofficier van de wacht mits hij een hogere rang bekleedt dan deze laatste;
    2º. wanneer een onderofficier van boord gaat van een schip worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) indien de onderofficier de rang van adjudant-onderofficier bekleedt en is gewapend met de sabel wordt, wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren twee schepelingen zonder rang; de onderofficier wordt niet overgefloten;
    (b) indien de onderofficier de rang van sergeant of een hogere rang bekleedt, wordt hij tot aan de valreep uitgeleid door de onderofficier van de wacht mits hij een hogere rang bekleedt dan deze laatste.
  2. Bij inrichtingen der zeemacht:
    Bij inrichtingen der zeemacht worden aan onderofficieren der zeemacht overeenkomstige eerbewijzen gebracht als aan boord van oorlogsschepen, met dien verstande dat het eerbewijs valreepsgasten niet wordt gegeven.
  3. In en door sloepen:
    Wanneer een onderofficier een sloep voorbijgaat (of een sloep een onderofficier), in een sloep komt of een sloep verlaat, brengt de bemanning van die sloep de groet mits betrokkene een hogere rang bekleedt dan de commandant van de sloep. De commandant van de sloep brengt evenwel de groet aan alle militaire meerderen die in de sloep komen of haar verlaten.
  4. Door eenheden:
    Wanneer een onderofficier een eenheid voorbijgaat (of een eenheid een onderofficier), brengt die eenheid de groet mits de onderofficier een hogere rang bekleedt dan de commandant van de eenheid.
  5. Door militairen afzonderlijk:
    Voor het brengen van de groet aan een onderofficier door een individuele militair der zeemacht die een lagere rang heeft dan hij, of die geen rang heeft, geldt het gestelde in § 8, onderdeel g. Schildwachten met een normale beveiligingstaak bij een schip brengen aan onderofficieren met de rang van sergeant of hoger, alsmede aan korporaals die boven hen zijn gesteld als wachtcommandanten als korporaal van aflossing, de groet, waarbij zij het geweer bij de voet nemen. Voor de toepassing van het laatste worden manschappen die boven een schildwacht zijn gesteld als wachtcommandant of korporaal van aflossing mede als korporaal aangemerkt. Tussen zonsondergang en zonsopkomst brengen schildwachten geen eerbewijzen, behalve voor de onderofficier, belast met het maken van een ronde.

18. Eerbewijzen aan militairen der zeemacht, Ridders der Militaire Willemsorde

  1. Onverminderd de eerbewijzen die hij ontvangt krachtens zijn rang en eventueel zijn functie, geldt voor het brengen van de groet aan een militair der zeemacht, Ridder der Militaire Willemsorde die het ordeteken van modelformaat zichtbaar draagt, voor zijn rang- en standgenoten die dat ordeteken niet of niet zichtbaar dragen, § 8, onderdeel g.
  2. Schildwachten met een normale beveiligingstaak bij een schip, brengen voor een schepeling, Ridder der Militaire Willemsorde die het ordeteken van modelformaat zichtbaar draagt de groet, waarbij zij het geweer in in den arm geweer nemen. Tussen zonsondergang en zonsopkomst brengen zij echter geen eerbewijzen.

19. Eerbewijzen aan militairen van de KL, de KLu en de KMar

  1. Aan een militair van de KL, de KLu en de KMar worden dezelfde eerbewijzen gebracht als aan een militair der zeemacht, niet belast met een commando of met een bijzondere opdracht met wie hij in rang is gelijkgesteld, met dien verstande, dat geen onderscheidingsvlag wordt gevoerd en dat de groet niet behoeft te worden gebracht aan militairen beneden de rang van sergeant.
  2. Onverminderd hetgeen hiervoor in onderdeel a is bepaald, is op militairen van de KL, de KLu en de KMar, Ridders der Militaire Willemsorde, § 18 op overeenkomstige wijze van toepassing.

20. Eerbewijzen aan andere burgerautoriteiten van het koninkrijk dan bedoeld in § 11 en § 13

  1. Een minister, lid van de raad van ministers van het koninkrijk, een minister, lid van de raad van ministers van een rijksdeel, en een staatssecretaris van een departement van algemeen bestuur, ontvangen dezelfde eerbewijzen als de Minister van Defensie, met dien verstande dat de gewapende wacht niet in het geweer komt en voorts geen saluut wordt gegeven en geen onderscheidingsvlag wordt gevoerd.
  2. Een buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een luitenant-admiraal, met dien verstande dat:
    1º. hem bij het aan boord komen en van boord gaan van een oorlogsschip de eerbewijzen worden gebracht, vastgesteld voor een luitenant-admiraal, die, belast met een commando en gewapend met de sabel, een schip onder zijn commando bezoekt of verlaat; er wordt geen commando- of onderscheidingsvlag gevoerd;
    2º. gedurende een saluut voor een zodanige autoriteit de koninkrijksvlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.
  3. Een buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een vice-admiraal, met dien verstande dat:
    1º. hem bij het voorbijgaan, aan boord komen en van boord gaan van een oorlogsschip de eerbewijzen worden gebracht, vastgesteld voor een vice-admiraal, die, belast met een commando en gewapend met de sabel, een schip onder zijn commando voorbijgaat, bezoekt of verlaat; er wordt geen commando- of onderscheidingsvlag gevoerd;
    2º. gedurende een saluut voor een zodanige autoriteit de koninkrijksvlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.
  4. Een gevolmachtigd minister ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een schout-bij-nacht, met dien verstande dat:
    1º. hem bij het voorbijgaan, aan boord komen en van boord gaan van een oorlogsschip de eerbewijzen worden gebracht, vastgesteld voor een schout-bij-nacht die, belast met een commando en gewapend met de sabel, een schip onder zijn commando voorbijgaat, bezoekt of verlaat; er wordt geen commando- of onderscheidingsvlag gevoerd;
    2º. gedurende een saluut voor een zodanige autoriteit de koninkrijksvlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.
  5. Een zaakgelastigde ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een commandeur, met dien verstande dat:
    1º. hem bij het voorbijgaan, aan boord komen en van boord gaan van een oorlogsschip de eerbewijzen worden gebracht, vastgesteld voor een commandeur die, belast met een commando en gewapend met de sabel, een schip onder zijn commando voorbijgaat, bezoekt of verlaat; er wordt geen commando- of onderscheidingsvlag gevoerd;
    2º. gedurende een saluut voor een zodanige autoriteit de koninkrijksvlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.
  6. Een consul-generaal ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een kapitein ter zee, commandant van een schip, ontvangt van het oorlogsschip, een sloep, een eenheid of een militair afzonderlijk onder zijn commando, met dien verstande dat:
    1º. op de sloep geen wimpel wordt gevoerd;
    2º. hem bij het voorbijgaan, aan boord komen en van boord gaan van een oorlogsschip de eerbewijzen worden gebracht, vastgesteld voor een kapitein ter zee, commandant van een schip, die, gewapend met de sabel, dat schip voorbijgaat, aan boord daarvan komt of van boord daarvan gaat; er wordt geen standaard of onderscheidingsvlag gevoerd;
    3º. hem bij het van boord gaan een saluut van 9 schoten wordt gebracht; gedurende dat saluut wordt de koninkrijksvlag aan de top van de voormast gevoerd.
  7. Een consul ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een kapitein-luitenant ter zee, commandant van een schip, ontvangt van het oorlogsschip, een sloep, een eenheid of een militair afzonderlijk onder zijn commando, met dien verstande dat op de sloep geen wimpel wordt gevoerd en dat hem bij het van boord gaan een saluut van 7 schoten wordt gebracht; gedurende dat saluut wordt de koninkrijksvlag aan de top van de voormast gevoerd.
  8. Een vice-consul ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een consul, met dien verstande dat het saluut bij van boord gaan uit 5 schoten bestaat.
  9. Indien een der bovenbedoelde autoriteiten op doorreis aankomt bij of vertrekt van een marinevliegkamp, worden geen andere eerbewijzen dan de groet gegeven.

21. Eerbewijzen aan buitenlandse militairen

  1. Aan een buitenlandse marinemilitair worden dezelfde eerbewijzen gebracht als aan de Nederlandse militair der zeemacht met wie hij in rang en functie is gelijkgesteld, met dien verstande dat, behalve in het geval bedoeld in hoofdstuk 4, § 7, onderdeel h, geen commandovlag, commandowimpel of standaard en evenmin een onderscheidingsvlag wordt gevoerd en dat gedurende een saluut voor een zodanige militair de betrokken buitenlandse natievlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.
  2. Aan andere buitenlandse militairen worden dezelfde eerbewijzen gebracht als aan militairen van de KL, de KLu en de KMar.

22. Eerbewijzen aan buitenlandse burgerautoriteiten

  1. Aan buitenlandse burgerautoriteiten worden dezelfde eerbewijzen gebracht als aan de Nederlandse burgerautoriteiten met wie zij in rang zijn gelijkgesteld, met dien verstande dat gedurende de eregroet voor een zodanige autoriteit de betrokken buitenlandse natievlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.
  2. Zie overigens het bepaalde in hoofdstuk 10.

23. Eerbewijzen aan vlaggen

  1. Algemeen:
    1º. van zonsondergang tot zonsopkomst worden geen andere eerbewijzen gebracht dan de eregroet en de groet;
    2º. met uitzondering van de eerbewijzen aan de koninkrijksvlag, worden de eerbewijzen, voorgeschreven in dit hoofdstuk, niet gebracht aan boord van een oorlogsschip dat in een haven ligt en de vlag port voert;
    3º. de eregroet wordt slechts gebracht door militairen der zeemacht, die in uniform zijn gekleed;
    4º. op zondagen en algemeen erkende christelijke feestdagen wordt geen saluut gegeven; zie § 30, onderdeel b, onder 2º;
    5º. het eerbewijs pavoiseren wordt bij stormweer niet gebracht;
    6º. bij het aankomen op een rede of in een haven in het buitenland of op een rede of in een haven waar buitenlandse oorlogsschepen liggen, alsmede bij het verlaten van een dergelijke rede of haven, moet de gewapende wacht in het geweer komen.
  2. Eerbewijzen aan de koninkrijksvlag:
    1º. aan boord van een oorlogsschip dat op een rede of in een haven ligt alsmede bij een inrichting der zeemacht, wordt op werkdagen om 09.00 uur en op zondagen en op dagen waarop de dienst is als op zondag om 09.30 uur de vlag gehesen op de wijze zoals hierna aangegeven onder (a) tot en met (h); indien er op een buitenlandse rede of in een buitenlandse haven evenwel oorlogsschepen in de nabijheid liggen, die behoren tot het land waar de rede of de haven ligt, wordt het tijdstip van het hijsen van de vlag aangepast aan de regels zoals vastgesteld voor die schepen:
    (a) bij het hijsen van de vlag zijn aanwezig de officier van de wacht, de chef der equipage of de hoofddienst en in principe twee  jongens bij de vlag; de eerste officier, muzikant of muziekkorps en gewapende wacht zijn alleen bij bijzondere gelegenheden aanwezig;
    (b) bij vlaggenparade laat de officier van de wacht tijdig voor het tijdstip van het hijsen van de vlag het signaal appèl voor de wachtparade geven, waarop de gewapende wacht en de muziek (indien ingedeeld) aantreden en de schepelingen die hiervoor zijn aangewezen, zich naar de vlaggenstok begeven om de vlag gereed te maken om te worden gehesen; daarop inspecteert hij de gewapende wacht en de muziek, met dien verstande evenwel dat, indien de muziek onder commando staat van een officier, het wordt geïnspecteerd door de eerste officier; indien de gewapende wacht niet zal aantreden, begeven zich de schepelingen die hiervoor zijn aangewezen op het signaal appèl voor de wachtparade op de hoorn of het signaal jongens bij de vlag op de bootsmansfluit naar de vlaggenstok en maken zij de vlag gereed om te worden gehesen;
    (c) twee minuten voor het tijdstip van het hijsen van de vlag laat de officier van de wacht het signaal gewapend appèl geven, waarop de commandant van de gewapende wacht die wacht het geweer in over geweer laat nemen of indien de ruimte dat niet toelaat, het geweer bij de voet laat nemen; de muziek neemt de houding aan; het signaal jongens bij de vlag wordt 5 minuten voor de vlaggenparade gegeven;
    (d) één minuut voor het tijdstip van het hijsen van de vlag laat de officier van de wacht het signaal stil geven of hij commandeert: STILTE AAN DEK, FRONT MAKEN NAAR DE VLAG; alle militairen der zeemacht die zich aan dek van het oorlogsschip of op het terrein van de inrichting der zeemacht dan wel in de omgeving van het schip of de inrichting bevinden, maken op dat signaal of die order front naar de vlag; de commandant van de gewapende wacht geeft, indien die wacht het geweer in over geweer heeft, het commando: ZET AF - GEWEER, daarna volgt het waarschuwingscommando: PRESENTEERT;
    (e) op het tijdstip van het hijsen van de vlag geeft de officier van de wacht het commando: VLAG - HIJSEN, waarna de commandant van de gewapende wacht terstond het uitvoeringscommando: GEWEER geeft; de gewapende wacht presenteert het geweer, de muziek speelt de vaandelmars en alle andere militairen, hiervoor bedoeld onder (d), met uitzondering van de muzikanten, brengen de eregroet; wanneer de vaandelmars niet kan worden gespeeld wordt het commando VLAG - HIJSEN gefloten; dat signaal wordt aangehouden zolang het hijsen van de vlag duurt; PRESENTEERT -  GEWEER wordt pas beëindigd na het einde van de muziek, bedoeld onder (f);
    (f) zodra de vlag is gehesen, speelt de muziek het Wilhelmus; indien er buitenlandse oorlogsschepen in de nabijheid liggen, worden daarna de verschillende buitenlandse volksliederen gespeeld in alfabetische volgorde van de Franse benaming der betrokken landen; zijn veel naties vertegenwoordigd, dan kan worden volstaan met het spelen van de volksliederen van de beide naties, waarvan oorlogsschepen het dichtst bij liggen; in het buitenland wordt na het Wilhelmus steeds eerst het volkslied gespeeld van de natie tot wiens gebied de rede of de haven behoort, eventueel gevolgd door andere volksliederen overeenkomstig het voorgaande;
    (g) na afloop van de muziek laat de officier van de wacht het aantal glazen slaan overeenkomende met de tijd en vervolgens het signaal doorgaan blazen of fluiten, waarop de militairen der zeemacht, bedoeld onder (d), doorgaan met hun werk en de gewapende wacht in over geweer of, indien de ruimte dat niet toelaat, het geweer bij de voet neemt; na het signaal doorgaan worden de "jongens" bij de vlag door de officier van de wacht bedankt;
    (h) vervolgens laat de officier van de wacht het signaal aftrap geven, waarop de gewapende wacht afmarcheert; daarna geeft hij de dirigent opdracht om te spelen; de dirigent laat de muziek de houding aannemen en een twee- of drietal marsen spelen; zodra de muziek is uitgespeeld, bedankt de officier van de wacht de dirigent waarna deze de muziek afmarcheert;
    (i) bij indienststelling van een oorlogsschip wordt de vlag eveneens gehesen op de wijze zoals hiervoor aangegeven onder (a) tot en met (h);
    2º. iedere militair der zeemacht die aan boord van een oorlogsschip over de valreep aan dek komt, brengt de eregroet, daarbij front makende naar de vlag;
    3º. de vlag wordt aan boord van een oorlogsschip, dat op een rede of in een haven ligt, alsmede bij een inrichting der zeemacht, neergehaald bij zonsondergang op de wijze zoals hieronder is aangegeven:
    (a) bij het neerhalen van de vlag zijn aanwezig de officier van de wacht, de chef der equipage of de hoofddienst en twee (één) jongen(s) bij de vlag; de muziek en de gewapende wacht zijn alleen bij bijzondere gelegenheden aanwezig; de officier van de wacht commandeert het neerhalen van de vlag;
    (b) de officier van de wacht laat tijdig tevoren het signaal appèl voor de wachtparade geven, waarop de gewapende wacht aantreedt en de schepelingen die hiervoor zijn aangewezen, zich naar de vlaggenstok begeven om de vlag gereed te maken om te worden neergehaald; indien de gewapende wacht niet zal aantreden, wordt het signaal jongens bij de vlag gefloten, waarop bedoelde schepelingen zich naar de vlag begeven;
    (c) indien de gewapende wacht aanwezig is, laat de officier van de wacht twee minuten voor het tijdstip van zonsondergang het signaal gewapend appèl geven, waarop de commandant van de gewapende wacht OVER - GEWEER commandeert of, indien de ruimte dat niet toelaat, het geweer bij de voet laat nemen;
    (d) één minuut voor het tijdstip van neerhalen van de vlag laat hij het signaal stil geven of hij commandeert: STILTE AAN DEK, FRONT MAKEN NAAR DE VLAG; alle militairen der zeemacht die zich aan dek van het oorlogsschip of op het terrein van de inrichting der zeemacht dan wel in de omgeving van het schip of de inrichting bevinden, maken op dat signaal of commando front naar de vlag; de commandant van de gewapende wacht geeft, indien die wacht het geweer in over geweer heeft, het commando: ZET AF - GEWEER; daarna volgt het waarschuwingscommando: PRESENTEERT;
    (e) op het tijdstip van neerhalen van de vlag geeft de officier van de wacht het commando: VLAG - NEERHALEN, waarna de commandant van de gewapende wacht terstond het uitvoeringscommando: GEWEER geeft; de gewapende wacht presenteert het geweer, de muziek speelt de vaandelmars en alle andere militairen, bedoeld onder (d), brengen de eregroet; indien de vaandelmars niet kan worden gespeeld, wordt vlag neerhalen gefloten; het signaal wordt aangehouden zolang het neerhalen van de vlag duurt; presenteert geweer wordt pas beëindigd na het einde van de muziek, bedoeld onder e;
    (f) nadat de vlag is neergehaald, laat de officier van de wacht het signaal doorgaan blazen of fluiten, waarop het front, gemaakt door de militairen der zeemacht zoals bedoeld onder (d), wordt beëindigd; op het signaal aftrap tenslotte marcheert de gewapende wacht af;
    (g) bij uit dienst stellen van een oorlogsschip wordt de vlag eveneens neergehaald op de wijze, hiervoor aangegeven onder (a) tot en met (f);
    4º. wanneer oorlogsschepen elkaar voorbijgaan wordt aan boord van beide schepen het eerbewijs stilstaan der bemanning gebracht, waarbij front wordt gemaakt naar de zijde waar zij elkaar voorbijgaan; de commandant die de laagste rang of, bij gelijke rang, de minste ouderdom in rang heeft, doet aan boord van zijn schip het eerbewijs het eerste beginnen en het laatste beëindigen; indien de gewapende wacht bijeen is, komt zij in het geweer; op het signaal stil, presenteert de gewapende wacht het geweer; indien muziek aanwezig is, speelt die het Wilhelmus; wanneer evenwel één der oorlogsschepen een reis van meer dan drie maanden is begonnen of een zodanige reis beëindigt, komen steeds de gewapende wachten van beide schepen in het geweer; aan boord van schepen die in zee langszij van elkaar komen, bijvoorbeeld om voorraden aan te vullen, wordt pas gehandeld als in dit onderdeel is aangegeven, wanneer die schepen weer van elkaar gaan; door schepen die in verband varen wordt aan andere schepen van het verband, ongeacht hoe vaak zij elkaar voorbijgaan, slechts eenmaal per dag het eerbewijs stilstaan der bemanning gebracht;
    5º. wanneer een oorlogsschip een fort of dergelijke voorbijvaart waar de koninkrijksvlag waait, is het gestelde onder 4º, op overeenkomstige wijze van toepassing;
    6º. een oorlogsschip dat voor de eerste maal of na afwezigheid van ten minste een jaar aankomt te Willemstad of te Oranjestad, geeft een saluut van 21 schoten aan de koninkrijksvlag; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; wanneer het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer presenteert.
  3. Eerbewijzen aan de vlaggen van de Nederlandse Antillen en van Aruba:
    Indien bij ceremoniële gelegenheden elders dan aan boord van een schip of bij een inrichting der zeemacht op last van een bevoegde autoriteit eerbewijzen zullen worden gebracht aan de koninkrijksvlag bij het hijsen of neerhalen daarvan en aldaar ook de vlag van de Nederlandse Antillen of van Aruba wordt gehesen of neergehaald, worden aan die vlag dezelfde eerbewijzen gebracht als aan de koninkrijksvlag, waarbij, indien van toepassing, het volkslied van de Nederlandse Antillen of van Aruba in de plaats komt van het Wilhelmus.
  4. Eerbewijzen aan buitenlandse natievlaggen:
    1º. wanneer een buitenlands oorlogsschip een oorlogsschip voorbijgaat (of omgekeerd), worden aan boord van laatstgenoemd schip de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar de zijde waar de schepen elkaar voorbijgaan;
    (b) de gewapende wacht komt in het geweer; zij stelt zich daarbij op aan de zijde waar de schepen elkaar voorbijgaan; op het signaal stil, presenteert de gewapende wacht het geweer; zo mogelijk is aan die wacht een muziekkorps toegevoegd;
    (c) de muziek speelt het volkslied van de betrokken buitenlandse natie;
    2º. wanneer een oorlogsschip een fort of dergelijke voorbijvaart waar een buitenlandse natievlag waait, is het hierboven gestelde eveneens van toepassing;
    3º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven in het buitenland aankomt, geeft het een saluut van 21 schoten aan de vlag van de natie waar die rede of haven ligt, mits evenwel de commandant er zeker van is, dat het saluut door een walbatterij of door een daar aanwezig oorlogsschip van die natie zal worden beantwoord; gedurende dat saluut waait de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; wanneer het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer presenteert;
    4º. indien er geen zekerheid bestaat of het saluut zal worden beantwoord, wordt met het geven van het saluut gewacht tot die zekerheid is verkregen; is er geen saluut gegeven, omdat het niet kon worden beantwoord en wordt zulks naderhand mogelijk doordat er een of meer oorlogsschepen van de buitenlandse natie ter rede of in de haven aankomen, wordt, nadat de (oudste) commandanten dienaangaande overleg hebben gepleegd, het saluut alsnog gegeven;
    5º. bij herhaald bezoek aan de rede of haven in het buitenland wordt telkenmale het saluut aan de buitenlandse natievlag gegeven, tenzij bij het voorafgaande bezoek met de autoriteiten ter plaatse is overeengekomen het saluut bij de terugkomst achterwege te laten;
    6º. behalve in bijzondere gevallen wordt het saluut bedoeld in onderdeel d, onder 3º, niet gegeven door een oorlogsschip dat zonder te ankeren door de territoriale wateren van die natie vaart;
    7º. militairen der zeemacht, die zich bevinden in de omgeving van een buitenlands oorlogsschip of van een militaire inrichting waar de buitenlandse natievlag wordt gehesen of neergehaald, brengen de eregroet.

24. Eerbewijzen aan onderscheidingsvlaggen

  1. Eerbewijzen aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis:
    1º. aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis worden in beginsel de eerbewijzen gebracht zoals in deze § is vermeld; H.M. de Koningin kan echter bepalen, dat die eerbewijzen niet of in vereenvoudigde vorm moeten worden gegeven, waartoe telkens de nodige richtlijnen namens haar zullen worden verstrekt;
    2º. wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis waait wordt, onverminderd het gestelde in § 23, onderdeel b, onder 4º, aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis een saluut gegeven zoals bepaald in hoofdstuk 7, § 11; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt een algemeen saluut gegeven;
    3º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven aankomt waar de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis waait, wordt, nadat eventueel het saluut is gegeven, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, of in het buitenland het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel d, onder 3º, en na de beantwoording daarvan, een saluut aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis gegeven zoals bepaald in hoofdstuk 7, § 11; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt een algemeen saluut gegeven; na aankomst wordt er gepavoiseerd tot zonsondergang;
    4º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis waait, wordt er gepavoiseerd van het hijsen van de vlag tot zonsondergang; voorts is het gestelde onder 3º op overeenkomstige wijze van toepassing;
    5º. het saluut en het eerbewijs pavoiseren vervallen, indien het schip dat die eerbewijzen zou moeten brengen, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis voert.
  2. Eerbewijzen aan de onderscheidingsvlaggen van de gouverneur van de Nederlandse Antillen en van Aruba:
    1º. wanneer de gouverneurs van de Nederlandse Antillen of van Aruba bij het aanvaarden van zijn ambt zijn onderscheidingsvlag doet hijsen of die bij het neerleggen van zijn ambt doet neerhalen, geven de aanwezige oorlogsschepen aan die onderscheidingsvlag een algemeen saluut van 21 schoten; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer gepresenteerd;
    2º. wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop de onderscheidingsvlag waait van de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba, wordt, onverminderd hetgeen is bepaald in § 23, onderdeel b, onder 4º, aan die onderscheidingsvlag een saluut gegeven van 21 schoten; gedurende het saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer gepresenteerd; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl aan boord van de andere oorlogsschepen de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, gedurende dat saluut het geweer gepresenteerd heeft;
    3º. wanneer een oorlogsschip aankomt op een rede of in een haven waar de onderscheidingsvlag van de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van de gouverneur van Aruba waait, wordt, nadat eventueel het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, is gegeven en na de beantwoording daarvan, aan die onderscheidingsvlaggen een saluut gegeven van 21 schoten; een oorlogsschip dat aankomt te Willemstad of te Oranjestad, brengt het saluut aan de onderscheidingsvlag van de gouverneur van de Nederlandse Antillen respectievelijk van Aruba echter uitsluitend wanneer het schip daar voor de eerste keer aankomt of na een afwezigheid van ten minste één jaar; gedurende het saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer gepresenteerd; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer gepresenteerd heeft;
    4º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop de onderscheidingsvlag van de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba waait, wordt aan die onderscheidingsvlag een saluut gegeven van 21 schoten, met dien verstande, dat in Willemstad en Oranjestad het bedoelde saluut aan de onderscheidingsvlag van de gouverneur achterwege blijft, indien het schip dat het zou moeten geven minder dan een jaar tevoren ter plaatse reeds een saluut aan die onderscheidingsvlag heeft gegeven; voorts is het gestelde onder 3º, op overeenkomstige wijze van toepassing;
    5º. het saluut vervalt, indien het schip dat het zou moeten geven, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis voert.
  3. Eerbewijzen aan de onderscheidingsvlaggen van staatshoofden en aan die van leden van regerende vorstenhuizen van bevriende soevereine staten:
    1º. wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop de onderscheidingsvlag of de bij wijze van onderscheidingsvlag gebezigde natievlag waait van het staatshoofd of van een lid van het regerende vorstenhuis van een bevriende soevereine staat, wordt, onverminderd hetgeen is bepaald in § 23, onderdeel d, onder 1º, aan die onderscheidingsvlag of natievlag een saluut gegeven van 21 schoten; gedurende dat saluut waait de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt een algemeen saluut gegeven;
    2º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven aankomt waar een onderscheidingsvlag waait als bedoeld onder 1º, wordt, nadat eventueel het saluut is gegeven, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, of in het buitenland het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel d, onder 3º, en na de beantwoording daarvan, aan die onderscheidingsvlag een saluut van 21 schoten gegeven, met dien verstande dat:
    (a) indien de onderscheidingsvlag is van het daar regerende staatshoofd of van een lid van het daar regerende vorstenhuis, het saluut aan de buitenlandse natievlag, bedoeld in § 23, onderdeel d, mede wordt beschouwd als een saluut aan de onderscheidingsvlag van die personen;
    (b) indien er twee of meer zodanige onderscheidingsvlaggen waaien, eerst de saluten aan de onderscheidingsvlaggen van buitenlandse staatshoofden en daarna die aan de onderscheidingsvlaggen van leden van regerende vorstenhuizen worden gegeven, waarbij evenwel aan twee of meer onderscheidingsvlaggen van tot dezelfde natie behorende personen slechts één saluut wordt gegeven;
    (c) indien op de rede of in de haven ook de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, dan wel de onderscheidingsvlag van de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba waait, het saluut daaraan gegeven wordt vóór elk saluut aan enige buitenlandse onderscheidingsvlag; gedurende dat saluut waait de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt een algemeen saluut gegeven; na aankomst wordt er gepavoiseerd tot zonsondergang;
    3º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop een onderscheidingsvlag zoals bedoeld onder 1º, waait, wordt er gepavoiseerd van het hijsen van de vlag tot zonsondergang; voorts is het gestelde onder 2º, op overeenkomstige wijze van toepassing;
    4º. het saluut en het eerbewijs pavoiseren vervallen, indien het schip dat die eerbewijzen zou moeten brengen, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, dan wel de onderscheidingsvlag van de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba voert.
  4. Eerbewijzen aan de onderscheidingsvlag van de minister en aan die van de staatssecretaris:
    1º. wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop de onderscheidingsvlag waait van de minister of die van de staatssecretaris, wordt, onverminderd hetgeen is bepaald in § 23, onderdeel d, onder 4º, aan die onderscheidingsvlag een saluut gegeven van 19 schoten; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl aan boord van de andere oorlogsschepen de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, gedurende het saluut het geweer in den arm heeft;
    2º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven aankomt waar de onderscheidingsvlag waait van de minister of die van de staatssecretaris, wordt, nadat eventueel het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, of in het buitenland het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel d, onder 3º, is gegeven, en na de beantwoording daarvan, aan die onderscheidingsvlag een saluut gegeven van 19 schoten; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm heeft;
    3º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop de onderscheidingsvlag waait van de minister of die van de staatssecretaris, is het vermelde onder 2º, op overeenkomstige wijze van toepassing;
    4º. het saluut vervalt, indien het schip dat het zou moeten geven, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, dan wel de onderscheidingsvlag van de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba voert.

25. Eerbewijzen aan de commandovlaggen en de standaard van Nederlandse officieren der zeemacht

  1. Wanneer een vlagofficier, kapitein ter zee, of eskadercommandant bij het aanvaarden van zijn commando zijn commandovlag of standaard doet hijsen of die bij het neerleggen van zijn commando doet neerhalen, geven de aanwezige schepen onder zijn bevel, met uitzondering van zijn vlaggenschip, aan die commandovlag of standaard een algemeen saluut van:
    19 schoten voor een vlagofficier met de rang van admiraal
    17 schoten voor een vlagofficier met de rang van luitenant-admiraal
    15 schoten voor een vlagofficier met de rang van vice-admiraal
    13 schoten voor een vlagofficier met de rang van schout-bij-nacht
    11 schoten voor een vlagofficier met der rang van commandeur
    11 schoten voor een kapitein ter zee of eskadercommandant.
    Gedurende dat saluut wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm. Indien het vlaggenschip het enige schip is dat een saluut kan geven, geeft het vlaggenschip het saluut. Bij het aanvaarden of neerleggen van een tijdelijk commando wordt geen saluut gegeven.
  2. Wanneer een vlagofficier, kapitein ter zee of eskadercommandant is bevorderd en hij zijn nieuwe commandovlag doet hijsen, is het gestelde in onderdeel a van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het saluut wordt gegeven om twaalf uur 's middags op de dag waarop de bevordering is ingegaan.
  3. Wanneer een of meer oorlogsschepen voor het eerst aankomen bij het eskader waarbij zij zijn ingedeeld, of wanneer zij definitief vertrekken van het eskader waarvan zij deel hebben uitgemaakt, geeft het schip of het schip van de oudste commandant aan de commandovlag of standaard van de eskadercommandant een saluut van het aantal schoten zoals aangegeven in onderdeel a. Gedurende het saluut wordt, ook aan boord van de andere oorlogsschepen, indien aanwezig, het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm.
  4. Wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop een commandovlag of de standaard waait van een officier van hogere rang dan de eigen commandant wordt, onverminderd het gestelde in § 23, onderdeel b, onder 4º, aan die commandovlag of standaard een saluut gegeven van het aantal schoten, aangegeven hiervoor in onderdeel a. De gewapende wacht komt in het geweer en heeft gedurende het saluut het geweer in den arm. Indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl aan boord van de andere oorlogsschepen de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, gedurende dat saluut het geweer in den arm heeft. Het saluut vervalt, indien het oorlogsschip onder commando staat van een officier, wiens commandovlag of standaard het eerbewijs zou gelden en voorts wanneer op grond van dit onderdeel of van de volgende onderdelen aan de commandovlag of standaard van de betrokken officier voor de tweede maal in zijn bevelsperiode een saluut zou worden gegeven.
  5. Wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven aankomt waar een commandovlag of de standaard waait van een officier van hogere rang dan de eigen commandant wordt, nadat eventueel het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, of in het buitenland het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel d, onder 3º, is gegeven en na de beantwoording daarvan, aan die commandovlag of standaard een saluut gegeven van het aantal schoten, aangegeven in onderdeel a. Gedurende dat saluut wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm. Indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen aankomt, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm heeft. Het saluut vervalt in de gevallen als aangegeven in onderdeel d. De saluten, bedoeld in de onderdelen a, b en c, worden niet beantwoord.
  6. Wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop een commandovlag of de standaard waait van een officier van hogere rang dan de eigen commandant, is onderdeel e, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
    1º. indien er meer zodanige schepen tegelijkertijd aankomen, er slechts één saluut wordt gegeven en wel aan de commandovlag van de officier met de hoogste rang;
    2º. indien ter plaatse een commandovlag waait van een officier van hogere rang dan de aankomende, waaraan reeds een saluut werd gegeven, het saluut vervalt.
  7. Het saluut vervalt, indien het schip dat het zou moeten geven, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, die van de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba, die van de minister of die van de staatssecretaris voert.

26. Eerbewijzen aan commandovlaggen, commandowimpels en standaarden van buitenlandse marineofficieren

  1. Wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop een commandovlag, een commandowimpel of standaard waait van een buitenlandse marineofficier van hogere rang dan de eigen commandant, wordt, onverminderd hetgeen is bepaald in § 23, onderdeel d, onder 1º, aan die commandovlag, commandowimpel of standaard een saluut gegeven van het aantal schoten, aangegeven in § 25, onderdeel a, met dien verstande dat, indien meer zodanige schepen worden ontmoet en het zeker is dat zij onder één commando zijn verenigd, slechts één saluut wordt gegeven en wel aan de commandovlag, commandowimpel of standaard van de officier die dat commando voert. Zijn de oorlogsschepen niet onder één commando verenigd of is dat onzeker, dan wordt aan de vlag, wimpel of standaard van elke commandant een saluut gegeven. De gewapende wacht komt in het geweer en heeft gedurende het saluut het geweer in den arm. Gedurende het saluut waait voorts de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast. Indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere Nederlandse oorlogsschepen is, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl aan boord van de andere oorlogsschepen de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, gedurende dat saluut het geweer in den arm heeft.
  2. Wanneer een oorlogsschip een fort of dergelijke voorbijvaart alwaar een commandovlag, commandowimpel of standaard zoals bovenbedoeld waait, is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing.
  3. Wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven aankomt waar een commandovlag, commandowimpel of standaard waait van een buitenlandse marineofficier van hogere rang dan of van gelijke rang als de eigen commandant, wordt, nadat eventueel het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, of in buitenland het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel d, onder 3º, is gegeven en na de beantwoording daarvan, aan die commandovlag, commandowimpel of standaard een saluut gegeven van het aantal schoten, aangegeven in § 25, onderdeel a, met dien verstande dat:
    1º. indien ter plaatse meer commandovlaggen, commandowimpels of standaarden van zodanige officieren waaien en die officieren tot dezelfde natie behoren, slechts één saluut wordt gegeven en wel aan de commandovlag, commandowimpel of standaard van de officier die het hoogste in rang is;
    2º. indien ter plaatse meer commandovlaggen, commandowimpels of standaarden van zodanige officieren waaien en die officieren tot verschillende naties behoren, aan de vlag, wimpel of standaard van de officier, behorende tot de natie waar die rede of haven ligt het eerst een saluut wordt gegeven en vervolgens aan de andere commandovlaggen, commandowimpels of standaarden naar volgorde van rang van de officieren die de vlaggen voeren; indien evenwel die officieren dezelfde rang bekleden, wordt aan de vlag, wimpel of standaard van hem die het langst met het commando is belast, het eerst het saluut gegeven, waartoe zo nodig vóóraf de vereiste gegevens worden ingewonnen; in overleg met de ter plaatse aanwezige hoogste marineautoriteiten van elke natie kan het geven van saluten worden beperkt tot het geven van een saluut aan de vlag, wimpel of standaard van de oudste van alle ter plaatse aanwezige buitenlandse marineofficieren;
    3º. geen saluut wordt gegeven wanneer ter plaatse reeds een commandovlag, commandowimpel of standaard waait van een Nederlandse officier der zeemacht van hogere rang dan de eigen commandant; gedurende het saluut waait de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht, die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere Nederlandse oorlogsschepen vaart, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm heeft.
  4. Wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop een commandovlag, commandowimpel of standaard waait van een buitenlandse marineofficier van hogere rang dan de eigen commandant, wordt aan de commandovlag, commandowimpel of standaard een saluut gegeven van het aantal schoten, zoals aangegeven in § 25, onderdeel a, met dien verstande dat:
    1º. indien er meer zodanige schepen van dezelfde natie tegelijkertijd aankomen, er slechts één saluut wordt gegeven en wel aan de commandovlag, commandowimpel of standaard van de officier met de hoogste rang;
    2º. indien ter plaatse een commandovlag, commandowimpel of standaard waait van een officier van dezelfde natie als de aankomende en van hogere rang dan deze, waaraan reeds een saluut werd gegeven, het saluut vervalt.
    Gedurende het saluut waait de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm; indien het oorlogsschip al dan niet in verband in de nabijheid ligt van andere Nederlandse oorlogsschepen, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm heeft.
  5. Wanneer behalve het saluut, bedoeld in deze § ook een saluut moet worden gegeven ingevolge een der voorgaande §§, komt het saluut, bedoeld in deze §, daarna.
  6. Het saluut vervalt, indien het schip, dat het zou moeten geven, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, dan wel de onderscheidingsvlag van de gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba voert.

27. Eerbewijzen aan vaandels

  1. Wanneer een ontplooid vaandel een oorlogsschip of een inrichting der zeemacht voorbijgaat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    1º. het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven;
    2º. de gewapende wacht komt in het geweer; op het signaal stil, presenteert zij het geweer.
  2. Wanneer een eenheid een ontplooid vaandel ontmoet, brengt die eenheid de eregroet met dien verstande dat, indien bij de eenheid officieren zijn ingedeeld, deze daarbij handelen zoals de commandant van de eenheid. Indien de eenheid stilstaat en gewapend is met het geweer, wordt het geweer gepresenteerd. Indien ook bij de eenheid een zodanig vaandel of een zodanige standaard is ingedeeld, brengt de eenheid de eregroet.
  3. Wanneer een militair der zeemacht een ontplooid vaandel ontmoet, brengt hij de eregroet waarbij hij, indien hij is gewapend met het geweer niet op de rug, het geweer presenteert. Indien evenwel de militair een dergelijk stilstaand vaandel noodzakelijkerwijze moet voorbijgaan, groet hij op de wijze, aangegeven in hoofdstuk 7.
  4. Wanneer een ontplooid vaandel een erewacht voorbijgaat, brengt die erewacht de eregroet waarbij het geweer wordt gepresenteerd. Alle officieren brengen evenwel de eregroet, voorgeschreven voor een militair afzonderlijk.

28. Eerbewijzen aan het Wilhelmus, aan de volksliederen van de Nederlandse Antillen en van Aruba en aan een buitenlands volkslied

Gedurende de tijd dat het Wilhelmus, het volkslied van de Nederlandse Antillen of van Aruba dan wel een buitenlands volkslied wordt gespeeld, brengen de aanwezige eenheden, bemanningen van sloepen en alle niet tot een zodanig verband behorende militairen der zeemacht de eregroet waarbij gewapenden met het geweer niet op de rug, het geweer presenteren. Alle in enige formatie aangetreden officieren brengen de eregroet op de wijze, voorgeschreven voor een militair afzonderlijk. Indien evenwel tijdens stilstaan der bemanning het Wilhelmus, het volkslied van de Nederlandse Antillen of van Aruba dan wel een buitenlands volkslied wordt gespeeld, blijft dat eerbewijs ononderbroken.

29. Eerbewijzen aan militaire begrafenisstoeten

  1. Wanneer een militaire begrafenisstoet een oorlogsschip of een inrichting der zeemacht voorbijgaat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    1º. de vlag en de geus, indien deze waait, worden halfstok gehesen;
    2º. het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven;
    3º. de gewapende wacht komt in het geweer; op het signaal stil, presenteert zij het geweer.
  2. Wanneer een eenheid een militaire begrafenisstoet ontmoet, brengt die eenheid uitsluitend bij het voorbijgaan van de lijkwagen, lijkauto, lijkbaar of landingsaffuit de eregroet, met dien verstande dat indien bij de eenheid officieren zijn ingedeeld, deze daarbij handelen zoals de commandant van de eenheid. Indien de eenheid stilstaat en is gewapend met het geweer, wordt het geweer gepresenteerd. Indien muziek aanwezig is, beëindigt die de muziek.
  3. Wanneer een militair der zeemacht een militaire begrafenisstoet ontmoet, brengt hij uitsluitend bij het voorbijgaan van de lijkwagen, lijkauto, lijkbaar of landingsaffuit de eregroet waarbij hij, indien hij is gewapend met het geweer niet op de rug, het geweer presenteert. Indien evenwel de militair een dergelijke, stilstaande lijkwagen, lijkauto, lijkbaar of landingsaffuit noodzakelijkerwijze moet voorbijgaan, groet hij op de wijze, aangegeven in hoofdstuk 7.
  4. Wanneer een militaire begrafenisstoet een erewacht voorbijgaat, brengt die erewacht de eregroet waarbij het geweer wordt gepresenteerd. Alle officieren brengen evenwel de eregroet op de wijze, voorgeschreven voor een militair afzonderlijk.

30. Het beantwoorden van eerbewijzen

  1. Het beantwoorden van de eregroet en de groet:
    1º. zie hoofdstuk 7;
    2º. de militair aan wie de groet wordt gebracht, beantwoordt dat eerbewijs met de groet; indien de militair commandant van een eenheid is, beantwoordt uitsluitend hij het eerbewijs;
    3º. bij het verlaten van een oorlogsschip maken de militairen, bedoeld in § 15 en § 16, zodra zij de staatsietrap of valreep af zijn, front naar het schip en brengen de groet; militairen der zeemacht die niet in uniform zijn gekleed, beantwoorden het eerbewijs, door een kort moment de houding aan te nemen.
  2. Het beantwoorden van een saluut:
    1º. de militair der zeemacht aan wie een saluut wordt gegeven, brengt gedurende dat saluut de groet, terwijl het gezelschap waarin hij verkeert, de houding aanneemt; militairen der zeemacht, die niet in uniform zijn gekleed, houden daarbij het hoofd ontbloot;
    2º. een saluut van een oorlogsschip aan de koninkrijksvlag of aan een commandovlag of standaard wordt, ook wanneer dat saluut wordt gegeven op een zondag of op een algemeen erkende christelijke feestdag (behalve wanneer de kerkwimpel waait), dan wel tussen zonsondergang en zonsopkomst, door de walbatterij of door het oorlogsschip waarop die vlag of standaard waait, beantwoord met een gelijk aantal schoten met dien verstande, dat het aantal schoten nooit meer dan 21 bedraagt; een saluut, bedoeld in § 25, onderdeel a tot en met c, wordt echter niet beantwoord; bij een walbatterij presenteert, gedurende het ontvangen en het beantwoorden van een saluut de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; bij het beantwoorden wordt de koninkrijksvlag gehesen die pas wordt neergehaald wanneer het oorlogsschip, dat het saluut aan de koninkrijksvlag gaf, uit zicht is of, indien het schip op de rede of in de haven blijft liggen, op het tijdstip van zonsondergang; aan boord van een oorlogsschip wordt gedurende het ontvangen en beantwoorden van een saluut het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer, dan wel heeft zij, ingeval het saluut een commandovlag of de standaard betreft, het geweer in den arm; bij het beantwoorden wordt de koninkrijksvlag of, indien het saluut werd gegeven door een buitenlands oorlogsschip, de betrokken buitenlandse natievlag aan de top van de voormast gehesen; indien een oorlogsschip al dan niet in verband samen met de andere oorlogsschepen is, wordt het saluut beantwoord door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht, die in het geweer is gekomen, het geweer presenteert, dan wel ingeval het saluut een commandovlag of standaard betreft, het geweer in den arm heeft;
    3º. gedurende een saluut aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis of aan een onderscheidingsvlag wordt aan boord van het oorlogsschip waarop die onderscheidingsvlag waait, het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven en presenteert de gewapende wacht, die in het geweer is gekomen, het geweer dan wel het geweer in den arm heeft; het saluut wordt echter niet beantwoord; indien evenwel in zee een saluut wordt gegeven aan de onderscheidingsvlag van een vlagofficier, omdat men die aanziet voor een commandovlag, wordt dat saluut beantwoord op de wijze, aangegeven onder 2º;
    4º. wanneer een buitenlands oorlogsschip de koninkrijksvlag eer bewijst door het neerhalen van de vlag, wordt dat eerbewijs op gelijke wijze beantwoord;
    5º. wanneer een schip dat geen oorlogsschip is, de koninkrijksvlag aan boord van een oorlogsschip eer bewijst door het neerhalen van de natievlag of door het strijken van de bovenzeilen, wordt dat eerbewijs beantwoord door de vlag één keer half neer te halen en weer voor te hijsen; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt het eerbewijs beantwoord door het vlaggenschip, door het schip van de oudste commandant of door het dichtstbijzijnde schip; herhaalt het voorbijvarende schip de groet of houdt het de vlag neer of de bovenzeilen gestreken, dan beantwoorden alle oorlogsschepen het eerbewijs op bovenbedoelde wijze;
    6º. in afwijking van het hierboven gestelde onder 2º tot en met 5º, worden de genoemde eerbewijzen niet beantwoord door een oorlogsschip dat in een haven ligt en de vlag port voert.

31. Het in het geweer komen van de gewapende wacht

  1. Het eerbewijs in het geweer komen van de gewapende wacht wordt alleen gebracht, indien die wacht uit ten minste zes gewapende personen bestaat.
  2. Indien tijdig van tevoren bekend is, dat de gewapende wacht in het geweer moet komen voor het doen van eerbewijzen, kan zij worden versterkt tot ten hoogste vijfenveertig gewapenden. De gewapende wacht moet echter of geheel uit personeel, behorende tot het Korps Mariniers, of geheel uit vlootpersoneel bestaan.
  3. In het algemeen bepaalt de commandant wie met het commando over de gewapende wacht zal worden belast. In dit hoofdstuk is aangegeven wanneer een officier dan wel een onderofficier in de rang van sergeant-majoor of sergeant moet worden aangewezen.
  4. Zo mogelijk wordt aan de gewapende wacht een muzikant of muziekkorps toegevoegd, indien dit hoofdstuk dat aangeeft.
  5. De gewapende wacht treedt aan op een door de commandant aan te geven plaats. Die plaats moet opvallen. Steeds moet de rechtervleugel van de wacht naar de zijde staan vanwaar degene, voor wie het eerbewijs is bestemd, nadert.
  6. Indien de gewapende wacht wordt geïnspecteerd, wordt de inspecterende autoriteit vergezeld door de commandant van de gewapende wacht en door de hoogste in rang of, bij gelijke rang, degene met de hoogste anciënniteit in rang van de officieren, die hem hebben verwelkomd. De gelederen worden bij de inspectie niet geopend en het eerbewijs wordt aangehouden.
  7. Zie ook het gestelde in hoofdstuk 10.

Naar hoofdstuk 10