Hoofdstuk 5 Het meevoeren van vaandels

1. Algemeen

  1. Een vaandel wordt bij de bereden wapens een standaard* genoemd; het vaandel wordt bewaard bij de betrokken vaandelvoerend commandant.
    * Bij de bereden wapens wordt een standaardwacht te paard een bereden standaardwacht genoemd. Bij de Luchtdoelartillerie: vaandel (-wacht, zie § 12).
  2. Waar in dit hoofdstuk het woord vaandel wordt gebruikt, wordt tevens een (bereden) standaard bedoeld, tenzij uit de desbetreffende tekst blijkt dat alleen het woord vaandel van toepassing is.
  3. In de defensiepublicatie DP 20-30: Vaandels en standaarden bij de Nederlandse krijgsmacht worden alle materiële gegevens van vaandels en standaarden behandeld, alsmede de procedure voor verwerving, vervanging, onderhoud enz.
  4. In de defensiepublicatie DP 20-20: Handboek exercitie voor de krijgsmacht wordt in hoofdstuk 9 de exercitie van de vaandelwacht behandeld.
    Deze specifieke exercitie mag uitsluitend worden gevoerd door een vaandelwacht of -groep.

2. Meevoeren van het vaandel

Het vaandel wordt bij de eenheid ingedeeld en meegevoerd in de onderstaande gevallen:

  1. bij een inspectie door H.M. de Koningin of door een lid van het Koninklijk Huis;
  2. bij een erewacht voor H.M. de Koningin of voor een lid van het Koninklijk Huis, een buitenlands staatshoofd of een lid van een regerend buitenlands vorstenhuis;
  3. bij een parade of defilé van een vaandelvoerende eenheid;
  4. bij een beëdiging voor het front van de aangetreden eenheden;
  5. bij een commando-overdracht voor het front van de aangetreden eenheden, indien de betrokken (regiments)commandanten het vaandel functioneel overdragen;
  6. bij bijzondere plechtigheden, wanneer de betrokken vaandelvoerend commandant dat noodzakelijk en wenselijk acht, zonder dat de waardigheid van het vaandel wordt aangetast, na toestemming van C-OPCO;
  7. bij bijzondere gelegenheden in opdracht van C-OPCO;
  8. bij aangelegenheden van vorming, traditie, voorlichting en training om de militair vertrouwd te laten worden met het vaandel, na toestemming van C-OPCO.

Bijzonderheden:

Bij elk van de hierboven genoemde ceremonies moet ten minste een compagnie, eskadron of batterij van de vaandelvoerende eenheid aanwezig zijn, tenzij C-OPCO anders beslist. (Bijvoorbeeld bij de overdracht van het bevel over een krijgsmachtdeel, waarbij alle vaandels van de eenheden van dat krijgsmachtdeel in één vaandelgroep optreden).

3. Draagwijze van het vaandel

  1. Het vaandel wordt gedragen door de vaandeldrager, die daartoe een lederen bandelier, aan de onderkant voorzien van een lederen koker, schoen genaamd, over de linkerschouder draagt. De onderkant van de vaandelstok rust in de schoen.
  2. Te paard wordt de standaard gedragen door de standaarddrager, die daartoe een lederen riem met schoen aan het zadel bevestigd heeft waarin de onderkant van de standaardstok rust. Deze wordt met de volle rechterhand ter hoogte van de borst vastgehouden, waarbij de standaard in een zoveel mogelijk rechtstandige positie wordt gehouden.
    De standaarddrager draagt over de linkerschouder een lederen bandelier waaraan een ketting met aan het einde een musketonhaak die wordt gehaakt aan een oog dat zich juist beneden het standaarddoek aan de standaardstok bevindt.
  3. Marcheert de vaandelwacht in rust*, dan wordt het vaandel bij voorkeur met foedraal over de rechterschouder gedragen. Indien geen foedraal beschikbaar is, wordt het doek om de stok gedraaid en met de koorden vastgezet. Ieder lid van de vaandelwacht kan worden aangewezen om het vaandel op deze wijze te verplaatsen.
    * Zie DP 20-20: Handboek exercitie voor de krijgsmacht, hoofdstuk 3, § 6.
  4. Indien een vaandel aanwezig is bij een plechtigheid in een gebouw, wordt het vaandel door de vaandeldrager met de vaandelstang op de grond geplaatst, vóór en tegen de punt van de rechtervoet, waarbij de vaandelstang iets naar voren helt en met één hand wordt vastgehouden. De vaandeldrager blijft tijdens de duur van de plechtigheid in de houding staan.

4. Ontplooid vaandel

  1. Een vaandel wordt geacht te zijn ontplooid wanneer het vaandeldoek is ontdaan van het foedraal, de stang in de schoen van de bandelier is geplaatst en het vaandel in de vaandelwacht is ingetreden.
  2. Indien een vaandel wordt gebruikt als hierboven bedoeld in een gebouw, is het vaandel ontplooid zonder te zijn ingetreden in de vaandelwacht.
  3. Indien de vaandelwacht de eerste rust heeft aangenomen (vaandelstang bij de voet), worden geen eerbewijzen aan het vaandel gegeven.

5. De groet met het vaandel

De groet met een vaandel wordt gebracht door het vaandel te neigen conform het gestelde in DP 20-20: Handboek exercitie voor de krijgsmacht. De groet met het vaandel wordt gebracht voor:

  1. H.M. de Koningin;
  2. leden van het Koninklijk Huis;
  3. de gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba;
  4. buitenlandse staatshoofden;
  5. leden van buitenlandse regerende vorstenhuizen.

Tijdens het spelen van het Wilhelmus en bij andere gelegenheden dan hierboven omschreven, wordt nimmer met het vaandel gegroet.

6. De vaandelwacht

  1. De vaandelwacht bestaat uit:
    1º. de commandant: een officier in de rang van luitenant;
    2º. de vaandeldrager: een onderofficier in de rang van adjudant-onderofficier;
    3º. overig personeel: vijf militairen beneden de rang van adjudant-onderofficier, waarvan ten minste één onderofficier.
  2. De vaandeldrager wordt rechts geflankeerd door een onderofficier, terwijl aan zijn linkerzijde en in het achterste gelid, de vier overige militairen zijn opgenomen. De commandant van de vaandelwacht staat / marcheert rechts van de rechtervleugelman in het voorste gelid.
  3. De samenstelling van een vaandelwacht op de officiers- en onderofficiersopleidingen mogen hiervan afwijken.

7. De bereden standaardwacht

  1. De bereden standaardwacht bestaat uit:
    1º. de commandant: een officier in de rang van luitenant;
    2º. de standaarddrager: een onderofficier in de rang van adjudant-onderofficier;
    3º. overig personeel: vier militairen beneden de rang van adjudant-onderofficier, waarvan ten minste een onderofficier.
  2. De standaarddrager wordt links geflankeerd door de commandant, de oudste militair beneden de rang van onderofficier is rechtervleugelman, terwijl in het gelid daarachter de drie overige militairen zijn opgenomen.

8. De vaandelgroep

  1. De vaandelgroep bestaat uit:
    1º. de commandant: een officier in de rang van kapitein of luitenant;
    2º. de vaandeldrager: het aantal onderofficieren in de rang van adjudant-onderofficier; gelijk aan het aantal vaandels dat wordt meegevoerd, op te stellen in twee, drie, vier of vijf gelederen;
    3º. overig personeel: het aantal militairen beneden de rang van adjudant-onderofficier, waarvan minimaal twee in de rang van onderofficier, benodigd om alle vaandels (met uitzondering van het front) links, rechts en achter te beschermen.
  2. De samenvoeging van meer vaandelwachten tot een of meer vaandelgroepen geschiedt op aanwijzing van de parade-inspecteur. De opstelling van de vaandels gebeurt overeenkomstig de voorrang van de vaandelvoerende eenheden, waarbij de standaarden zoveel mogelijk in één gelid worden geplaatst.
  3. Indien vaandelwachten / vaandelgroepen van meer dan een krijgsmachtdeel zijn ingedeeld, wordt de volgorde aangehouden van KM, KL, KLu en KMar.
  4. De commandant van de vaandelgroep staat / marcheert rechts van de rechtervleugelman van de voorste vaandelwacht.
  5. De oudste onderofficier beneden de rang van adjudant-onderofficier, marcheert als rechtervleugelman; de rechtervleugelman van het laatste gelid dient eveneens ten minste een onderofficier te zijn.
  6. Een bereden standaardgroep wordt op overeenkomstige wijze geformeerd met dien verstande, dat de commandant in het eerste gelid links naast de linker standaarddrager is ingetreden.

9. Tenue en bewapening

  1. Algemeen: conform de voorschriften van de krijgsmachtdelen.
  2. De vaandelvoerend commandant kan, na toestemming van (het kabinet van) C-OPCO, uit oogpunt van traditie het tenue, de bewapening of de exercitie wijzigen of aanvullen. Optredend in troepenverband (b.v. tijdens een defilé) dient integraal de exercitie van de krijgsmacht te worden uitgevoerd.
  3. Een bereden standaardwacht is in beginsel bewapend met een sabel, ook indien de standaardwacht in DT is gekleed.

Bijzonderheden:

  1. Indien bij een militaire plechtigheid uitsluitend de vaandelwacht is bewapend, worden de commando’s door de paradecommandant aan de eenheid gegeven als zijnde ongewapend. De commandant vaandelwacht geeft (herhaalt) t.b.v. de gewapende vaandelwacht de overeenkomstige commando’s.
  2. Bij eenheden met pistool als (persoonlijk) wapen voor de standaardwacht dienen de commando’s overeenkomstig te worden gegeven door C-standaardwacht.

10. Meevoeren van een vaandel tijdens een defilé

  1. Te voet:
    1º. de vaandelwacht verplaatst zich als eerste onderdeel van de deelnemende eenheden direct achter het ingedeelde muziekkorps;
    2º. de commandant van de vaandelwacht volgt, om de cadans van het defilé niet te verstoren, de reguliere door de paradecommandant te geven bevelen.
  2. Bereden:
    De bereden standaardwacht verplaatst zich als eerste onderdeel van de deelnemende eenheden.
  3. Gemotoriseerd / gemechaniseerd:
    1º. als het een gemechaniseerde eenheid betreft, staat de commandant van de vaandelwacht op de plaats van de voertuigcommandant en de vaandeldrager op de plaats van de boordschutter, terwijl de overigen zich in het achterste deel van het voertuig bevinden;
    2º. betreft het een tankbataljon dan neemt de commandant van de standaardwacht plaats in de voorste tank, de standaarddrager in de tweede, een wachtmeester in de derde en de overigen worden verdeeld over de drie tanks;
    3º. in het geval van een verkenningsbataljon zal de standaardwacht zich zo mogelijk in één pantserrupsvoertuig verplaatsen;
    4º. in alle overige gevallen beslist de betrokken C-OPCO.

11. Overige bepalingen

  1. Voor oefendoeleinden wordt nooit het vaandel gebruikt maar een fanion of een oefenvaandel. Voor dit als zodanig geldend vervangend vaandel worden geen eerbewijzen gebracht, tenzij die worden gebracht uit oefenoverwegingen.
  2. Voor het uitvoeren van het ceremonieel waarbij vaandels zijn ingedeeld, wordt verwezen naar hoofdstuk 16.

12. Overzicht vaandels krijgsmacht

Indien aan een parade of defilé wordt deelgenomen, wordt zoveel mogelijk binnen de groeperingen de rangschikking en volgorde aangehouden als hieronder aangegeven. De vaandels worden door de desbetreffende eenheden meegevoerd.

Rangschikking per krijgsmachtdeel

  1. KM:
    1º. Korps Adelborsten;
    2º. Korps Mariniers;
    3º. Onderzeedienst;
    4º. Marineluchtvaartdienst;
    5º. Mijnendienst;
    6º. Eskader.
  2. KL:
    1º. Instituten van militair onderwijs:
    (a) Koninklijke Militaire Academie *)
    (b) Koninklijke Militaire School *)
    2º. Infanterie:
    (a) Garderegiment Grenadiers en Jagers *)
    (b) Garderegiment Fuseliers Prinses Irene *)
    (c) Regiment Van Heutsz *)
    (d) Regiment Stoottroepen Prins Bernhard *)
    (e) Regiment Infanterie Johan Willem Friso *)
    (f) Regiment Limburgse Jagers *)
    (g) Korps Commandotroepen *)
    (h) Regiment Oranje Gelderland *)
    3º. Cavalerie:
    (a) Regiment Huzaren Van Sytzama **)
    (b) Regiment Huzaren Prins van Oranje **)
    (c) Regiment Huzaren Prins Alexander **)
    (d) Regiment Huzaren van Boreel **)
    4º. Artillerie:
    (a) Korps Veldartillerie **)
    (b) Korps Rijdende Artillerie **)
    (c) Korps Luchtdoelartillerie *)
    5º. Regiment Genietroepen *)
    6º. Logistiek:
    (a) Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen *)
    (b) Regiment Geneeskundige Troepen *)
    (c) Regiment Technische Troepen *)
    7º. Regiment Verbindingstroepen *)
    8º. Korps Nationale Reserve *)
    *) = een vaandelvoerende eenheid;
    **) = een standaardvoerende eenheid.
  3. KLu:
    Vaandel van de Koninklijke Luchtmacht.
  4. KMar:
    Standaard van de Koninklijke Marechaussee.

Naar hoofdstuk 6