Hoofdstuk 3 Vlaggen

De Nederlandse vlag

1. Algemeen

  1. Onder de koninkrijksvlag of Nederlandse vlag (hierna ook te noemen: vlag) wordt verstaan de bij Koninklijk Besluit van 19 februari 1937, nummer 93, en Beschikking Minister van Marine van 16 augustus 1949, nummer 182503/142779, vastgestelde vlag voor het Koninkrijk der Nederlanden. De vlag is het symbool van de eenheid en de onafhankelijkheid van het koninkrijk. Daar waar de vlag wordt ontplooid, dient daartoe een ereplaats te worden ingeruimd.
  2. De vlag bestaat uit vlaggendoek van drie even hoge banen in de kleuren helder vermiljoen, wit, en kobalt blauw. Langs één van de hoogtezijden is de vlag voorzien van een stevige, witte linnen band (de broeking) waardoor een korte vlaggenlijn loopt. Deze vlaggenlijn, aan de bovenzijde voorzien van een lus of musketon, wordt bevestigd (aangeslagen) aan de lange vlaggenlijn.
  3. Een vlag die slijtage vertoont, gescheurd is, of in ernstige mate verkleurd is, dient te worden vervangen.
  4. Het bevestigen van de vlag gebeurt met een dubbele schootsteek.
  5. Optredende vlaggendragers c.s. is het niet toegestaan om de specifieke vaandelwachtexercitie uit te voeren.

2. De maten van de vlag en vlaggenstok

  1. De verhouding van het vlaggendoek (hoogte t.o.v. de lengte*) bedraagt 2:3. In gevallen waar een schuin tegen de gevel bevestigde vlaggenstok wordt gebruikt, verdient een vlag de voorkeur, waarvan hoogte en lengte zich verhouden als ten minste 2:3. In gevallen waar een vlag wordt uitgestoken met de stok in horizontale richting, verdient het aanbeveling een verhouding in hoogte en lengte te kiezen van ten minste 3:5.
    * Hoogte: de broeking; Lengte: de afmeting langs de zijde haaks op de broeking;
    Bij nationaal gebruik: 1.50 x 2.25 meter;
    bij internationaal gebruik: NL, 2.00 x 3.00 meter, de overige vlaggen: 1.50 x 2.25 meter.
  2. De lengte van de vlaggenstok moet altijd zodanig zijn dat de vlag, ook als zij halfstok is gehesen, de grond niet raakt en niets of niemand hindert.
  3. De vlaggenstok is wit van kleur en heeft een oranjekleurige knop (kloot). Indien de vlag is bevestigd aan een horizontaal geplaatste vlaggenstok, mag de afstand van de gestrekt hangende vlag tot de begane grond niet minder dan vier meter bedragen.
  4. De verschillende maten van vlaggen en wimpels zoals in gebruik bij de Koninklijke Marine zijn opgenomen als bijlage H.

3. De oranje wimpel

De oranje wimpel is van oranjekleurig doek, even lang of iets langer als de diagonaal van de gehesen of uitgestoken vlag, variërend in de breedte van 15 tot 30 centimeter, uitlopend in een zwaluwstaart. De bovenzijde van de wimpel is voorzien van een oranje broeking waardoor een horizontale, net uitstekende stok wordt gestoken. Aan de uiteinden wordt een koord gestoken, zodanig dat bij het aanhechten van de wimpel aan de bovenkant van de vlag, de stok horizontaal hangt. De oranje wimpel wordt samen met de Nederlandse vlag uitgestoken (zoals in § 6 omschreven) op verjaardagen van leden van het Koninklijk Huis en op Koninginnedag. De KM voert geen oranje wimpel, maar vlagt van top. Bij alle andere gelegenheden wordt de vlag zonder wimpel gevoerd. Wanneer hier wordt gesproken over "wimpel" wordt de oranje wimpel bedoeld. Wanneer het de oorlogswimpel betreft zal "oorlogswimpel" voluit worden geschreven.

4. Wijze van vlaggen

We onderscheiden de volgende manieren van vlaggen*:

  1. aan een verticaal, schuinstaand of horizontaal geplaatste vlaggenstok;
  2. zonder vlaggenstok, verticaal tegen de muur of wand; in dit geval moet de vlag geheel zijn uitgespreid, het rood aan de rechterzijde en de broeking aan de bovenzijde;
  3. zonder vlaggenstok, horizontaal tegen een muur of wand, geheel uitgespreid en de broeking aan de rechterzijde;
  4. aan een gaffelmast (KLu) of aan de gaffel van een getuigde mast (KM).

* Vanuit de toeschouwer gezien, met het gezicht naar de vlag toe.

5. Het gebruik van de vlag

  1. Op complexen met permanente bezetting wordt dagelijks gevlagd; de vlag wordt gehesen en neergehaald zoals bepaald in hoofdstuk 15.
  2. Op andere complexen wordt eveneens dagelijks gevlagd met uitzondering van de dagen wanneer er geen personeel werkzaam is op het object; de vlag wordt gehesen en neergehaald zoals bepaald in hoofdstuk 15. Ook burgerpersoneel kan de vastgestelde ceremonie uitvoeren.
  3. De vlag behoort niet tussen zonsondergang en zonsopgang te worden gehesen of te blijven. Het hijsen van de vlag vindt uiterlijk om 09.00 uur plaats, op zondagen en algemeen erkende christelijke feestdagen om 09.30 uur. Uitzondering hierop: als de vlag zodanig verlicht wordt, dat de kleuren duidelijk te onderscheiden zijn, kan de vlag s-nachts gehesen blijven.

Uit oogpunt van instructie kan op de opleidingseenheden afgeweken worden van de hier genoemde tijdstippen. (Vóór 09.00 uur, doch nooit na zonsondergang).
Bijzonderheden:
1. Buitengewone vlaggenparade KL: uiterlijk te 10.30 uur;
2. In een buitenlandse haven of rede en in de nabijheid van buitenlandse oorlogsschepen worden de tijdstippen vlag hijsen en vlag neerhalen aangepast aan lokaal gebruik.
3. Bij de KM is vlaggenparade om 09.00 uur en zonsondergang. Op zondagen en algemeen erkende christelijke feestdagen om 09.30 uur en zonsondergang.

  1. Op complexen zonder troepenlegering kan het neerhalen van de vlag reeds te 17.00 uur plaatsvinden.
  2. Op militaire complexen wordt in de regel de vlag gevoerd aan een vlaggenmast, aan een standaard gaffelmast of aan de gaffel van een getuigde mast. In beginsel is een mast centraal dan wel nabij de hoofdingang van een militair complex geplaatst.
  3. Een vlag die nat of vochtig is, mag niet worden opgeborgen maar moet, geheel ontvouwd, te drogen worden gehangen op een zo min mogelijk in het oog lopende plaats.

6. Vaste data / gelegenheden voor het vlaggen

De data waarop voor rijksgebouwen uitgebreid vlaggen (UV)* of beperkt vlaggen (BV)* is bepaald, met tussen haakjes de data indien een datum op een zondag of een algemeen erkende christelijke feestdag valt:

* UV: vlag uitsteken van alle rijksgebouwen, zoals gebruikelijk op Koninginnedag.

* BV: vlag uitsteken van de hoofdgebouwen van de departementen, benevens van de hoofdgebouwen van de niet (rechtstreeks) onder de departementen vallende instellingen. zoals die van de Kamers der Staten-Generaal, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, het Kabinet der Koningin en de Hoge Raad der Nederlanden:

31 jan (01 febr) verjaardag van Hare Majesteit de Koningin (1938)* BV
27 apr (28 apr) verjaardag van de Prins van Oranje (1967)* BV
30 apr (29 apr) Koninginnedag* UV
04 mei (04 mei) nationale dodenherdenking met halfstok vlaggen van 18.00 u tot zonsondergang UV
05 mei (05 mei) nationale bevrijdingsdag UV
17 mei (18 mei) verjaardag van prinses Máxima (1971)* BV
Laatste zaterdag in juni Veteranendag UV
15 aug (16 aug) formeel einde Tweede Wereldoorlog UV
3e dinsdag in september: opening van de Staten-Generaal (alleen in Den Haag) UV
07 dec (08 dec) Verjaardag van prinses Catharina-Amalia (2003)* BV
15 dec (16 dec) Koninkrijksdag BV

* Gelegenheden, waarbij de vlag wordt gehesen met oranje wimpel: op Koninginnedag en op de hierboven vermelde verjaardagen van leden van het Koninklijk Huis.

Bijzonderheden:

  1. De vlag wordt zonder oranje wimpel gehesen bij alle andere gelegenheden.
  2. Tijdens officiële bezoeken van vreemde staatshoofden wordt alleen gevlagd in de plaatsen die worden bezocht.
  3. Het te volgen patroon bij het vlaggen tijdens eenmalige, bijzondere gebeurtenissen* of gelegenheden, wordt steeds door of namens de minister bekend gemaakt.
    * Bij voorbeeld: geboorte, huwelijk, overlijden in de koninklijke familie.

7. Het vouwen van de vlag

De vlag wordt als volgt gevouwen:

  1. twee vlaggendragers pakken de vlag vast in de lengterichting met één hand op de scheiding van rood en wit, en met de andere hand aan het einde van het blauw;
  2. de vlag wordt nu overlangs dichtgevouwen zodanig, dat wit opgesloten wordt tussen rood en blauw;
  3. met rood boven, wordt de vlag vervolgens tweemaal dubbelgeslagen zodanig, dat het blauw boven komt te liggen (lus en touw aan de broekingzijde bovenop).

Het vouwen van de vlag op de Amerikaanse manier:

  1. De vlag wordt opgetild door de draagploeg en strak boven de kist gehouden.
  2. De buitenste twee die het rode gedeelte vasthebben pakken de vlag, met de buitenste hand, bij de overgang rood naar wit.
  3. Als dit gebeurd is, laat de rest rood los en pakt de vlag ook bij deze overgang om vervolgens in een vloeiende beweging de vlag over te brengen naar blauw.
  4. Blauw neemt de vlag over en de personen die aan de kant van rood stonden pakken de vlag weer onderaan vast en trekken hem weer strak.

Uitgangspositie rood boven, blauw beneden

  1. De vlag wordt vanaf het hoofdeinde in een driehoek opgevouwen en steeds doorgegeven. Personen die niets meer vasthouden nemen de houding aan.
  2. De commandant draagploeg stopt het laatste stukje in de opening van de vlag en neemt hem dan over. Hierdoor is de driehoek aan de buitenkant blauw.

8. Halfstok vlaggen

  1. Het halfstok vlaggen* gebeurt met de Nederlandse vlag en bij de KM ook met de geus. De wimpel en alle overige krijgsmachtdeel- en onderdeelsvlaggen worden daarbij niet gehesen.
    * Op zondag wordt er niet halfstok gevlagd, m.u.v. 04 mei.
  2. Alvorens de vlag halfstok te hijsen, is of wordt de vlag in top gehesen; vervolgens langzaam neergehaald totdat het midden van de vlag op de helft van de vlaggenmast is gekomen, waarna de vlaggenlijn wordt vastgemaakt.
  3. Bij het neerhalen van een halfstok gehesen vlag, wordt deze eerst in top gehesen en vervolgens langzaam neergehaald.
  4. Procedures halfstok vlaggen:
    1°. Bij het overlijden van een Defensiemedewerker in werkelijke dienst:
    Er wordt halfstok gevlagd op het complex waar overledene werkte van het moment van bekendmaken tot en met de dag van de uitvaart.
    Op andere Defensiecomplexen wordt niet halfstok gevlagd.
    2°. Bij het omkomen van een Defensiemedewerker tijdens oefening of door de dienst:
    Er wordt halfstok gevlagd op het complex van het onderdeel waar overledene werkte van het moment van bekendmaken tot en met de dag van de uitvaart. C-OPCO of hoofd van een Defensieonderdeel kan beslissen dat op de dag van de uitvaart op alle complexen van het krijgsmacht- of Defensieonderdeel, waartoe de overledene behoorde, halfstok wordt gevlagd.
    Op andere Defensiecomplexen wordt niet halfstok gevlagd.
    3°. Bij het omkomen van een Defensiemedewerker ten gevolge van operationele inzet in een operatiegebied:
    Er wordt halfstok gevlagd op het ministerie van Defensie en alle complexen van het betrokken krijgsmacht- of Defensieonderdeel van het moment van bekendmaken tot en met de dag van de uitvaart, op andere Defensiecomplexen wordt niet halfstok gevlagd.
    Op de dag van de uitvaart wordt op alle Defensiecomplexen halfstok gevlagd.
    Noot 1: Op andere Defensiecomplexen in de directe omgeving van een complex waar halfstok gevlagd wordt kan ook halfstok worden gevlagd (bv door een Brigade KMar).
    Noot 2: Op het complex waar de overledene aankomt vanuit het buitenland wordt bij de aankomst halfstok gevlagd (bv een vliegbasis).
    *KM: zie hoofdstuk 22, § 9.
  5. Indien halfstok zou moeten worden gevlagd op één van de vaste data voor het vlaggen, wordt die dag niet halfstok gevlagd tenzij de minister anders bepaalt.
  6. Bovendien wordt de vlag halfstok gehesen ten teken van rouw:
    1º. bij overlijden van een lid van het Koninklijk Huis, vanaf de dag van het bericht van overlijden tot en met de dag van de begrafenis, behalve op zondag;
    2º. als daartoe door of vanwege de minister opdracht wordt gegeven bij het overlijden van een militair, een oud militair of burgerambtenaar, die niet valt onder het gestelde in onderdeel d, op door of vanwege de minister aan te wijzen complexen;
    3º. bij een nationale herdenkingsdag* overeenkomstig door of vanwege de regering te stellen regels;
    * 04 mei Nationale Herdenking: van 18.00 uur tot zonsondergang;
    4º. bij gelegenheden van een officiële dodenherdenking volgens door het betrokken krijgsmachtdeel te stellen regels.
  7. Tijdens het halfstok hijsen en neerhalen van een halfstok gehesen vlag wordt geen Wilhelmus gespeeld. De signalen geeft acht (tijdstip aanvang vlag hijsen) en doorgaan (vlag gehesen / neergehaald) kunnen desgewenst wel worden gespeeld.

9. Het opstellen van meer dan één vlag

  1. Wanneer twee vlaggen zijn ontplooid, is de plaats van de Nederlandse vlag rechts (voor de toeschouwer links).
  2. Bij het ontplooien van drie vlaggen wordt de Nederlandse vlag in het midden geplaatst.
  3. In een groep vlaggen wordt de Nederlandse vlag in het midden en op het hoogste punt van de groep geplaatst.
  4. Wanneer de Nederlandse vlag en vlaggen van andere naties naast elkaar hangen, is de plaats van de Nederlandse vlag op de rechtervleugel (voor de toeschouwer links). De vlaggenstokken moeten even hoog reiken en de vlaggen dienen zoveel mogelijk van gelijke afmeting te zijn, doch nooit groter dan de Nederlandse vlag.
  5. De onderlinge rangorde van vlaggen van andere naties is afhankelijk van de eerste letter van de namen van de desbetreffende landen in de Franse taal. Bij vlaggen in NAVO-verband is de volgorde die van de eerste letter van de namen van de desbetreffende landen in de Engelse taal. De plaats van de NAVO vlag is uiterst rechts (voor de toeschouwer links).
  6. Wordt de Nederlandse vlag met een vlag van een andere natie tegen een muur of wand geplaatst, zodanig dat de vlaggenstokken elkaar kruisen, dan hangt de Nederlandse vlag rechts (voor de toeschouwer links) en loopt de vlaggenstok van de Nederlandse vlag over die van de andere vlag.
  7. Wanneer de vlag wordt ontplooid bij een bijeenkomst waar een podium is voor de spreker, is de plaats van de vlag rechts van de spreker (voor de toeschouwer links) indien de vlag op het podium staat. Dit geldt voor zowel binnen als buiten.
  8. Indien de vlag in een zaal staat, staat deze rechts van het auditorium (voor de toeschouwer links). Is de vlag tegen de achterwand geplaatst, dan moet de vlag achter het katheder worden gehangen op een zodanige wijze, dat de onderkant van de vlag boven de spreker uitkomt.
  9. Bij het hijsen van de provinciale en gemeentelijke vlag naast de Nederlandse vlag is de opstelling: provinciale vlag (links voor de toeschouwer), Nederlandse vlag, gemeentelijke vlag (rechts voor de toeschouwer), waarbij de Nederlandse vlag hoger wordt geplaatst.
  10. De volgorde van de provincievlaggen (voor de toeschouwer van links naar rechts, afbeeldingen: is als volgt:
1º. Noord-Brabant; 5º. Zeeland; 9º. Groningen;
2º. Gelderland; 6º. Utrecht; 10º. Drenthe;
3º. Zuid-Holland; 7º. Friesland; 11º. Limburg;
4º. Noord-Holland; 8º. Overijssel; 12º. Flevoland.

10. Overige bijzonderheden

  1. Wanneer de Nederlandse vlag naast* een of meer vlaggen van andere naties komt te hangen, wordt de Nederlandse vlag het eerst gehesen, óf de vlaggen worden allemaal tegelijkertijd gehesen. Bij het neerhalen van de vlaggen gebeurt dit gelijktijdig en anders wordt de Nederlandse vlag als laatste neergehaald.
    * Indien de Nederlandse vlag separaat gehesen of neergehaald wordt, kan dit eveneens conform de ceremonie van een (buitengewone) vlaggenparade.
  2. Uitgezonden eenheden, vallend onder VN of NAVO-commando, voeren tevens de NL-vlag.
  3. Het gebruik van de NL-vlag als versiering (anders dan drapering) is een ernstig gebrek aan eerbied en is daarom niet toegestaan.
  4. Aan vlaggen van andere naties wordt hetzelfde respect betoond als aan de Nederlandse vlag.
  5. Aan krijgsmachtdeel-, onderdeel- en oefenvlaggen, fanions enz. wordt geen eerbetoon toegekend. Bij een functionele inzet tijdens een plechtigheid, bijvoorbeeld bij de overgave van een commando, wordt slechts de houding gecommandeerd.
  6. Bij bijzondere gebeurtenissen zal er een speciale regeling komen. Tijdens de officiële bezoeken van vreemde staatshoofden wordt alleen gevlagd in de plaatsen die worden bezocht.

11. Gebruik en aanvraag krijgsmachtdeelvlag

Op alle militaire complexen, waar dagelijks de Nederlandse vlag is gehesen, mag tevens de vlag van het krijgsmachtdeel worden gehesen. Deze vlag wordt direct na de Nederlandse vlag gehesen en direct voor de Nederlandse vlag weer neergehaald als tegelijkertijd hijsen en neerhalen niet mogelijk blijkt. De afmetingen dienen gelijk of kleiner te zijn dan de Nederlandse vlag. De krijgsmachtdeelvlag mag ook bij publiekspresentaties buiten de militaire objecten worden gebruikt.

De krijgsmachtdeelvlaggen zijn opgenomen in de vlaggencatalogus. Het is toegestaan de oude krijgsmachtdeelvlag te gebruiken; echter alléén op militaire complexen.

Krijgsmachtdeelvlaggen

    Huisstijl Defensie
Ministerie van Defensie (inclusief de Centrale Organisatie)  
Koninklijke Marine  
Koninklijke Landmacht
Koninklijke Luchtmacht
Koninklijke Marechaussee
Defensie Interservice Commando  

12. De uitzendvlag

  1. Algemeen:
    1º. aan een (samengestelde) eenheid, die in het kader van internationale vredesoperaties wordt uitgezonden, kan door de Commandant van het desbetreffende krijgsmachtdeel een uitzendvlag worden toegekend en uitgereikt. Hiervoor komen in aanmerking brigadestaven, bataljons en zelfstandige compagnieën, danwel compagnieën die zelfstandig worden uitgezonden;
    2º. de uitzendvlag wordt uitgereikt door of namens de betrokken Commandant; indien de eenheid uit personeel van twee of meer krijgsmachtdelen is samengesteld, kan de uitzendvlag worden uitgereikt door of namens de CDS óf door of namens de Commandant van het krijgsmachtdeel dat het overgrote deel van het personeel levert;
    3º. de uitreiking vindt plaats aan de commandant van de uit te zenden eenheid en wel zo kort mogelijk vóór vertrek naar het gebied van inzet, tijdens het laatste (grote) appel. Dit laatste geldt voor samengestelde eenheden, organieke verbanden beschikken standaard over een uitzendvlag;
    4º. de uitzendvlag wordt door de eenheid naar het uitzendgebied meegevoerd, de commandant van de eenheid bepaalt het gebruik van de vlag ter plaatse;
    5º. aan de uitzendvlag worden geen eerbewijzen gebracht;
    6º. na beëindiging van de uitzending kan tijdens de uitreiking van de persoonlijke herinneringsmedailles een grote vlaggenband met een opschrift* van het inzetgebied of land van inzet (voorzien van het jaartal) aan de uitzendvlag worden bevestigd;
    *Het opschrift bestaat uit, in deze volgorde: naam van het land van inzet, naam van de operatie eventueel aangevuld met rotatienummer, tijdvak in maanden waarin de eenheid is ingezet, jaartal. Bijvoorbeeld: Bosnië-Herzegovina SFOR-12 mei-november 2002;
    7º. aan de uitzendvlag kan een buitenlandse onderscheiding worden gehangen;
    8º. na ontbinding van de eenheid, wordt de vlag beheerd in het museum van het krijgsmachtdeel;
    9º. de uitzendvlag wordt op verzoek door het betrokken krijgsmachtdeelmuseum beschikbaar gesteld t.b.v. een reünie, een herdenking of een veteranenactiviteit;
    10º. een eenheid verkrijgt in principe eenmalig een uitzendvlag, waarop uitsluitend de naam van de eenheid (bij KL: met toevoeging van het regiment of korps) vermeld staat. Bijvoorbeeld B-CIE 17 PAINFBAT GFPI of 13 INFBAT LMBL (AASLT) RSPB. Bij alle volgende uitzendingen wordt deze vlag meegenomen en de vlaggenbanden voor de diverse missies worden aan deze vlag gehecht.
  2. De (uitzend)vlag:
    1º. de (uitzend)vlag is dubbeldoeks uitgevoerd in de nationale kleuren, 80 cm vierkant en is omzoomd met oranje franje; in het midden is het embleem van het desbetreffende krijgsmachtdeel aangebracht, zodanig dat het grootste deel van het embleem op de witte baan en een klein deel op de rode baan is geplaatst; op de blauwe baan is in goudgeel de naam van de eenheid of zoals deze in het uitzendgebied wordt genoemd (samengestelde eenheid van meerdere krijgsmachtdelen, zie ook hieronder pt. b.2º t/m 4º), in een deel van een cirkelvorm aangebracht;
    2º. wanneer de eenheid is samengesteld uit in aantal vergelijkbare componenten van twee krijgsmachtdelen, bevinden de emblemen zich naast elkaar in het midden (zie ook onderdeel f, onder 2º);
    3º. wanneer de eenheid is samengesteld uit componenten van drie krijgsmachtdelen, bevinden de emblemen van twee krijgsmachtdelen zich naast elkaar en boven het midden van de vlag, waarbij het grootste deel van de beide emblemen zich in de witte baan en een kleiner deel zich in de rode baan bevindt; het embleem van het derde krijgsmachtdeel bevindt zich midden onder en tussen de hierboven genoemde emblemen, voor een kleiner deel in de blauwe baan;
    4º. wanneer de eenheid is samengesteld uit componenten van vier krijgsmachtdelen, zijn de emblemen paarsgewijs naast en boven elkaar geplaatst, steeds boven en onder het midden, waarbij het grootste deel zich steeds in de witte baan bevindt; vanaf de broekingzijde gerekend worden de emblemen in de volgorde KM, KL, KLu en KMar geplaatst;
    5º. bij samenstelling van een binationale eenheid t.b.v. uitzending, kan de desbetreffende commandant een voorstel doen voor aanmaak van een binationale uitzendvlag, waarbij de afmetingen overeenkomen zoals beschreven bij de onderdeelsvlag, § 14, onderdeel b, onder 1º; dit voorstel dient ter goedkeuring aan de Commandant van het krijgsmachtdeel te worden aangeboden.
  3. De stok:
    De stok is zwart van kleur met een diameter van 3,5 centimeter en heeft een lengte van ± 2,5 meter. Boven het doek is de stok voorzien van een metalen punt.
  4. De bandelier:
    De bandelier is uitgevoerd in zwart leder met een witmetalen gesp en is aan de onderzijde voorzien van een zwartlederen schoen. De bandelier wordt over de rechterschouder gedragen.
  5. De vlaggenband:
    1º. de grote vlaggenband is uitgevoerd in nassausblauw, 6 cm hoog en 100 cm lang en wordt uitgevoerd met een opschrift als bedoeld in onderdeel a, onder 6º; de vlaggenband wordt ná de ceremonie medaille-uitreiking door of namens de Commandant aan de uitzendvlag bevestigd;
    2º. een kleine vlaggenband is uitgevoerd in nassausblauw, 4 cm hoog en 60 cm lang, deze wordt zonder militair ceremonieel in de vredeslocatie aan de onderdeelsrichtvlag of het onderdeelsvaantje bevestigd van iedere eenheid die minimaal met een compagnie deel uitmaakte van de uitgezonden eenheid. Deze wordt uitgevoerd met een opschrift als de grote vlaggenband echter met de maanden afgekort, bijv. Bosnië-Herzegovina SFOR-12 mei-nov 2002;
    3º. voor een grote vlaggenband komt de eenheid in aanmerking als het stafelement en tenminste 1/3 van de troepen geleverd is. Dit geldt voor een bataljon of (zelfstandige) compagnie, die zelfstandig op uitzending gaat;
    4º. voor een kleine vlaggenband komt de eenheid in aanmerking als deze als onderdeel van bataljon of vergelijkbare eenheid (battlegroup, taskforce, etc.) is uitgezonden. Voor de sterkte geldt ook dat tenminste het stafelement en 1/3 van de organieke sterkte is ingezet;
    5º. bij specialistische eenheden die gefaseerd over meerdere rotaties worden uitgezonden wordt voor de toekenning van een vlaggenband de periode gehanteerd waarover de eenheid totaal is uitgezonden. Bijv. 105 Cotrcie levert aan drie opeenvolgende rotaties ISAF van 4 maanden telkens ca. 1/3 van haar sterkte, de vlaggenband vermeld in dat geval: “Afghanistan ISAF nov 2006-okt 2007”
    6º. aan andere hier niet genoemde vlaggen worden geen vlaggenbanden gevoerd;
    7º. het bevestigen van een vlaggenband aan de uitzendvlag, zie hoofdstuk 20, § 9;
    8º. het bevestigen van een buitenlandse vlaggenband behoeft toestemming van de bevelhebber.

Overig:
1º. de uitzendvlag wordt alleen door de KL gevoerd;
2º. op de uitzendvlag zal, naast het embleem van de KL, een embleem van een ander krijgsmachtdeel worden opgenomen, indien de toegevoegde component een organieke eenheid ter sterkte van ongeveer een compagnie betreft; op de uitzendvlag wordt eveneens het embleem van een ander krijgsmachtdeel opgenomen, indien de totale sterkte van dat krijgsmachtdeel meer dan tien procent van de samengestelde eenheid uitmaakt;
3º. de uitzendvlag en vlaggenbanden, stok en bandelier worden aangevraagd bij het kabinet van Commandant Landstrijdkrachten (Bureau Ceremonieel & Protocol) en voor rijksrekening verstrekt aan de desbetreffende eenheden.

 

De (achterzijde van de) uitzendvlag van 42 (NL) MECHBAT LJ in Bosnië (1998)

13. Vlaggebruik KM

  1. De koninkrijksvlag:
    1º. onverminderd datgene wat elders in deze publicatie is bepaald, voeren oorlogsschepen in dienst de koninkrijksvlag aan de vlaggenstok en wel:
    (a) in de vaart en buiten een haven of rede ten anker liggende, dag en nacht;
    (b) in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggende, vanaf vlaggenparade tot zonsondergang; vóór het hijsen van de vlag en na zonsondergang wordt die vlag ook gevoerd, maar alleen bij daglicht:
    (1) in een druk bevaren haven of op een druk bevaren rede des morgens tot vijf minuten voor het hijsen van de vlag en des avonds van vijf minuten na zonsondergang of;
    (2) in een niet druk bevaren haven of op een niet druk bevaren rede gedurende het voorbijvaren van koopvaardijschepen, die hun natie of koopvaardijvlag voeren en ook vanaf het tijdstip dat er buitenlandse oorlogsschepen in zicht komen, totdat deze voorbij zijn;
    2º. indien de omstandigheden het onmogelijk maken de koninkrijksvlag aan de vlaggenstok te voeren, moet zij worden gehesen:
    (a) op schepen met één mast aan een stok, opgesteld op een passende plaats op het achterschip, of, zo ook dat niet mogelijk is, aan de gaffel;
    (b) op schepen met twee masten aan de achtergaffel;
    3º. sloepen en andere vaartuigen van de KM voeren de koninkrijksvlag uitsluitend zolang zij bemand zijn en wel aan de vlaggenstok, alleen tussen zonsopkomst en zonsondergang;
    4º. gedurende het verblijf op een rede of in een haven in het buitenland worden de tijdstippen van het hijsen en neerhalen van de vlag aangepast aan die welke zijn vastgesteld voor de zeemacht van het land dat wordt bezocht;
    5º. zijn twee of meer oorlogsschepen en/of inrichtingen der zeemacht in de onmiddellijke nabijheid van elkaar gelegen, dan worden de tijdstippen van hijsen en neerhalen van de vlag aangegeven door een vlaggensein, gehesen op het vlaggenschip dan wel op het oorlogsschip of bij de inrichting der zeemacht van de oudste commandant.
    6°. in de vaart en buiten een haven of rede ten anker liggende, dag en nacht aan de zeepositie.
  2. De oorlogswimpel:
    1º. de oorlogswimpel is een lange, zeer smalle, gespleten scheepsvaan in de kleuren van de koninkrijksvlag;
    2º. oorlogsschepen voeren, zolang zij in dienst zijn, steeds de oorlogswimpel met uitzondering van het bepaalde onder 3º; zij voeren de oorlogswimpel aan de top van de voormast; de oorlogswimpel blijft dag en nacht waaien;
    3º. alleen wanneer een commandovlag of de standaard moet worden gevoerd, wordt de oorlogswimpel neergehaald;
    4º. sloepen voeren de oorlogswimpel voorop aan de wimpelstok, doch alleen indien zich aan boord bevindt een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang die het bevel voert over een of meer oorlogsschepen, squadrons vliegtuigen der zeemacht, mariniersformaties of inrichtingen der zeemacht, en dan nog uitsluitend bij bijzondere gelegenheden van militair ceremoniële aard;
    5º. inrichtingen der zeemacht voeren geen oorlogswimpel.
  3. De geus:
    1º. de geus is een rechthoekige vlag, waarvan de lengte zich verhoudt tot de breedte als 3:2, verdeeld in sectoren in de kleur van de koninkrijksvlag;
    2º. de geus wordt uitsluitend door oorlogsschepen in dienst gevoerd en wel aan de geusstok;
    3º. zij voeren de geus alleen wanneer zij in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen en wel, behalve in de gevallen aangegeven in hoofdstuk 9 (§ 5, onderdeel a, § 7, onderdeel c en § 29, onderdeel a), eveneens:
    (a) vanaf het hijsen van de vlag tot zonsondergang; op zondagen en algemeen erkende christelijke feestdagen; op de dag waarop het bevel wordt overgegeven*; op de dag waarop H.M. de Koningin, een lid van het Koninklijk Huis, dan wel een staatshoofd of een lid van een regerend vorstenhuis van een bevriende soevereine staat een officieel bezoek brengt aan de plaats waar het schip ligt;
    * Tijdens een bevelsoverdracht / overdracht C-ZSK dient de geus te worden gehesen;
    (b) gedurende een inspectie van het schip als eenheid door of namens de Commandant Zeestrijdkrachten, de CZMCARIB of de eskadercommandant en gedurende ceremoniële plechtigheden, maar niet vóór het hijsen van de vlag en niet ná zonsondergang;
    (c) gedurende de aanwezigheid van buitenlandse oorlogsschepen, maar niet vóór het hijsen van de vlag en niet na zonsondergang;
    (d) gedurende het verblijf op een rede of in een haven in het buitenland, maar niet vóór het hijsen van de vlag en niet na zonsondergang;
    (e) op de dag van hun indienststelling vanaf het ogenblik, waarop zij in dienst worden gesteld tot zonsondergang en op een dag van hun uitdienststelling van het hijsen van de vlag tot het ogenblik waarop zij uit dienst worden gesteld.
  4. Buitenlandse natievlaggen:
    1º. buitenlandse natievlaggen worden uitsluitend gevoerd in de gevallen, aangegeven in dit voorschrift en wel aan de top van de voormast;
    2º. bij het luchten en drogen van buitenlandse natievlaggen moet worden voorkomen, dat de ene natievlag boven de andere waait; in de nabijheid van buitenlandse oorlogsschepen worden zij bij voorkeur binnen boord gelucht en gedroogd.
  5. De onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis:
    1º. de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis wordt gevoerd bij inrichtingen der zeemacht, op motorrijtuigen, en aan boord van oorlogsschepen aan de top van de voormast; op een meermotorig vliegtuig en een sloep aan de wimpelstok;
    2º. zij blijft dag en nacht waaien, zolang H.M. de Koningin aan boord van het schip of de sloep is, bij de inrichting der zeemacht verblijft of zich in het vliegtuig bevindt, maar uitsluitend zolang dat zich op de grond of op het water en niet op de startbaan bevindt, of zich in het motorrijtuig bevindt; zodra H.M. de Koningin van boord is of de inrichting of het vliegtuig heeft verlaten, wordt de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis neergehaald; zodra H.M. de Koningin het motorrijtuig heeft verlaten, wordt de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis opgerold en wordt er een zwarte hoes over geschoven.

14. Vlaggebruik KL

  1. Algemeen:
    1º. bij de KL kunnen staven, opleidingseenheden, inrichtingen, eenheden van bataljonsgrootte en zelfstandige compagnieën beschikken over een onderdeelsvlag;
    2º. (sub)eenheden van ten minste compagniesgrootte kunnen beschikken over een onderdeelsrichtvlag;
    3º. cavalerie eenheden van eskadronsgrootte kunnen beschikken over een lansierlans met onderdeelsvaantje;
    4º. de onderdeelsvlag, onderdeelsrichtvlag (of het onderdeelsvaantje), de vlaggenstok en bandelier, dienen te worden aangevraagd bij het kabinet van de C-LAS (bureau algemene zaken & protocol) en worden voor rijksrekening verstrekt; het aanvragen dient te geschieden conform de procedure aanvraag vlaggen;
    5º. eenheden die reeds beschikken over een eenheidsvlag, hoeven de hieronder beschreven onderdeelsvlag niet te voeren;
    6º. er worden op vlaggen en vaantjes uitsluitend door C-OPCO goedgekeurde afbeeldingen of emblemen aangebracht.
  2. De onderdeelsvlag:
    1º. de onderdeelsvlag bestaat uit een vierkant oranje doek van 80 cm omrand door een wit kader van 2,5 cm; in het midden van het doek bevindt zich het gekroonde initiaal van het staatshoofd in wit, in dezelfde vorm als op een vaandel; in drie hoekpunten van de vlag is het embleem van de eenheid in zwart aangebracht met daaronder het tactisch eenheidnummer; voor opleidingseenheden wordt de gebruikelijke naamsafkorting aangebracht; in de broekhoek (onderzijde) kan een afbeelding worden aangebracht van een object dat voor de eenheid uit oogpunt van traditiebeleving van waarde is; indien de vlag wordt gevoerd door een gemengde eenheid, worden de diagonaal tegenoverliggende hoekpunten gesierd met de emblemen van de desbetreffende wapens of dienstvakken;
    2º. beide zijden van de vlag zijn gelijk;
    3º. de houten stok is 2.20 m lang en voorzien van een metalen punt, de bandelier is van zwart leder met een metalen gesp;
    4º. bij samenstelling van een binationale eenheid kan de desbetreffende commandant een voorstel doen voor aanmaak van een binationale onderdeelsvlag, waarbij de afmetingen overeenkomen zoals beschreven bij de onderdeelsvlag; dit voorstel dient ter goedkeuring aan C-OPCO te worden aangeboden.
  3. De onderdeelsrichtvlag:
    1º. de onderdeelsrichtvlag bestaat uit een vierkant oranje doek van 40 cm, omrand door een wit kader van 2,5 cm; in het midden van het doek bevindt zich het gekroonde initiaal van het staatshoofd in wit, in dezelfde vorm als op het vaandel; in drie hoekpunten van de vlag is het embleem van de eenheid in zwart aangebracht met daaronder het tactisch eenheidsnummer; de vierde hoekpunt kan worden voorzien van een compagniesaanduiding in zwart; indien de richtvlag wordt gevoerd door een gemengde eenheid, worden de diagonaal tegenoverliggende hoekpunten gesierd met de emblemen van de desbetreffende wapens of dienstvakken;
    2º. de onderdeelsrichtvlag is bevestigd op een metalen pen met punt en kraag, die op de loop van een geweer (Diemaco) kan worden bevestigd.
  4. Het onderdeelsvaantje:
    1º. het onderdeelsvaantje bestaat uit een doek van 60 cm lang en 40 cm hoog waarvan de bovenste helft oranje is en de onderste helft wit; het uiteinde is ingesneden met twee punten; in het midden van het oranje deel is het gekroonde initiaal van het staatshoofd aangebracht in wit; in het midden van het witte deel is het embleem van de eenheid met daaronder het tactisch eenheidsnummer in zwart aangebracht;
    2º. het onderdeelsvaantje wordt gevoerd aan de lansierstok, die aan de bovenzijde is voorzien van een metalen punt.
  5. Het gebruik:
    1º. voor de onderdeelsvlag, de onderdeelsrichtvlag en het onderdeelsvaantje worden geen eerbewijzen gebracht en wordt geen speciaal geleide uitgebracht;
    2º. indien bij een plechtigheid een vaandel is ingedeeld, kan aan een onderdeelsvlag geen specifieke functie worden toegekend;
    3º. aan een onderdeelsrichtvlag en -vaantje wordt zonder enig ceremonieel een kleine vlaggenband ter herinnering aan deelname aan vredesoperaties vastgemaakt.

15. Vlaggebruik KLu

  1. Algemeen:
    1º. op zelfstandige onderdelen van de KLu mag samen met de Nederlandse vlag en de vlag van de KLu een onderdeelsvlag worden gevoerd aan de standaard gaffelmast of aan afzonderlijke vlaggenmasten; de Nederlandse vlag wordt bevestigd aan de mast, de vlag van de KLu aan de rechtergaffel en de onderdeelsvlag aan de linkergaffel;
    2º. het is niet toegestaan alleen de vlaggen van de KLu of het onderdeel te voeren;
    3º. ook kan aan een afzonderlijke vlaggenmast op een centrale plaats of bij het stafgebouw van een squadron een squadronvlag worden gevoerd;
    4º. bij bezoeken van leden van het Koninklijk Huis aan een onderdeel van de KLu wordt gedurende het bezoek de onderscheidingsvlag van het desbetreffende onderdeel gehesen aan de rechtergaffel; de vlag van de KLu wordt dan aan de linkergaffel gevoerd;
    5º. onder de rechtergaffel wordt verstaan:
    (a) bij een vrijstaande vlaggenmast: de gaffel die zich voor de vlaggenhijsers, met het front naar de mast gekeerd, aan de linkerzijde van de mast bevindt;
    (b) bij een vlaggenmast voor een gebouw: de gaffel die zich, gezien vanuit dat gebouw, aan de rechterzijde van de mast bevindt;
    (c) indien bij de vlaggenmast eenheden zijn opgesteld: de gaffel die zich, gezien vanaf de opstellingsplaats van de eenheden, aan de linkerzijde van de vlaggenmast bevindt.
  2. Onderdeelsvlaggen:
    1º. de onderdeelsvlag is een rechthoekige vlag van 135 x 202,5 cm en als volgt opgedeeld in drie kleuren: een witte driehoek van broeking tot waaiend, in de hoeken voorzien van twee rechthoekige driehoeken in oranje (boven) en blauw (onder) bedrukt; in het midden van de witte driehoek is het onderdeelembleem zonder de vaste omlijsting gedrukt met een maximale diameter van 70 cm;
    2º. deze vlag kan ook worden uitgevoerd als stormvlag met de afmeting 67 x 101 cm en als verkleind model (afmeting 30 x 45 cm) o.a. voor gebruik tijdens de jaarlijkse Internationale Vierdaagse Afstandsmarsen te Nijmegen;
    3º. het standmodel van deze vlag is bij de firma Shipmate te Vlaardingen geregistreerd onder codenummer 40303 1450 15 03.
  3. Squadronvlaggen:
    1º. de squadronvlag is een rechthoekige vlag van 135 x 202,5 cm evenals de onderdeelsvlag opgedeeld in drie kleuren, echter met een witte gelijkzijdige driehoek van broeking tot ongeveer halverwege het waaiend; in het midden van de witte driehoek is het squadronembleem zonder de vaste omlijsting gedrukt met een maximale diameter van 60 cm;
    2º. deze vlag kan ook worden uitgevoerd als stormvlag met de afmeting 67 x 101 cm;
    3º. het standmodel van deze vlag is bij de firma Shipmate te Vlaardingen geregistreerd onder codenummer 40303 1450 15 07.
  4. Het fanion wordt met een zwarte broeking aan een sponton (hellebaard / onderofficierswapen) bevestigd.

Naar hoofdstuk 4