Hoofdstuk 22 Ceremonieel bij overlijden

1. Overlijden van een lid van het Koninklijk Huis

  1. Bij overlijden van een lid van het Koninklijk Huis kan door of vanwege H.M. de Koningin (door de minister-president) een periode van rouw worden vastgesteld.
  2. Bij elke eenheid en van alle militaire gebouwen wordt de vlag halfstok gehesen vanaf het moment van het bericht van overlijden tot en met de dag waarop de begrafenis heeft plaatsgevonden, behalve op zondag.
  3. De begrafenis en bijzetting van een lid van het Koninklijk Huis worden beschreven in een contingencyplan (CP-100).

2. Overlijden van een militair of burgerambtenaar in werkelijke dienst

Wanneer een militair of burgerambtenaar in werkelijke dienst is overleden, wordt halfstok gevlagd zoals bepaald in hoofdstuk 3, § 8, de onderdelen a en d.

3. Overbrengen van een stoffelijk overschot uit het buitenland per vliegtuig

  1. Wanneer een militair in het buitenland is overleden en het stoffelijk overschot met een militair vliegtuig naar Nederland wordt overgebracht, dient door de bemanning van het vliegtuig zo mogelijk een lijkkist te worden meegenomen. Het stoffelijk overschot wordt eerst gekist, vervolgens aan boord genomen waarna de gezagvoerder zorg draagt voor het bedekken van de kist met de Nederlandse vlag.
  2. De vlag wordt, gezien vanaf het hoofdeinde met de rode baan rechts, de blauwe baan links van de kist en de broeking over het hoofdeinde, geheel over de kist uitgespreid.
  3. Bij aankomst in Nederland worden op de parkeerplaats van de vliegbasis de motoren afgezet en worden ter weerszijden van de laaddeur acht militairen, zo mogelijk van de eenheid waartoe betrokkene behoorde, opgesteld. De aanwezige nabestaanden wordt een plaats toegewezen in het verlengde van de opgestelde militairen.
  4. Na het openen van de laaddeur gaan acht andere militairen aan boord en nemen de met de Nederlandse vlag bedekte lijkkist uit het vliegtuig en dragen de kist naar de gereedstaande lijkwagen.
  5. Vanaf het moment dat de lijkkist in het zicht komt, brengen de aanwezige militairen de eregroet, terwijl alle mannelijke burgers het hoofd ontbloten. Nadat de lijkkist in de lijkwagen is geplaatst en ook door de dragers de eregroet is gebracht, wordt aansluitend de eregroet beëindigd.
  6. De gezagvoerder van het vliegtuig regelt de formaliteiten met (de vertegenwoordiger van) de begrafenisondernemer.
  7. Tijdens de in de onderdelen c, d en e genoemde activiteiten vindt er geen vliegverkeer plaats.

4. Dodenwacht

  1. Wanneer de militair tijdens de uitoefening van de dienst komt te overlijden, kan zijn commandant, een regionaal militair commandant dan wel de betrokken C-OPCO bepalen dat bij het stoffelijk overschot een dodenwacht wordt betrokken.
  2. De dodenwacht wordt betrokken door vier militairen bij voorkeur van gelijke rang of stand als de overledene. Het tenue, voorzien van modeldecoraties, wordt steeds afzonderlijk vastgesteld. Daarbij is nauw overleg met de nabestaanden noodzakelijk, waarbij ook wordt vastgesteld of de dodenwacht gewapend zal zijn.
  3. De militairen betreden het vertrek in langzame pas en vormen één gelid op enige afstand vóór en met het front naar het voeteneinde van de baar. Op commando van de oudste in rang wordt (drie tellen) de eregroet gebracht; daarna stellen zij zich afzonderlijk op bij een hoek van de baar in volgorde van ouderdom in rang: rechts van het hoofdeinde, links van het hoofdeinde, rechts en links van het voeteneinde.
  4. De oudste in rang geeft het commando: OP DE PLAATS - RUST.
  5. De aflossing geschiedt steeds per 30 minuten. Bij het brengen van de eregroet door de nieuwe dodenwacht, neemt de af te lossen dodenwacht de houding aan. Vervolgens nemen de leden van de nieuwe dodenwacht de plaatsen van de af te lossen militairen in.
  6. De afgeloste militairen stellen zich op vóór en met het front naar de baar. Zodra allen in het gelid staan wordt op commando van de oudste in rang (drie tellen) de eregroet gebracht en in de langzame pas afgemarcheerd.
  7. Op het moment dat een stoffelijk overschot uit een vertrek wordt gedragen, stelt de dodenwacht zich terzijde in linie met front naar de baar op en brengt op commando van de oudste in rang de eregroet, die wordt beëindigd wanneer het stoffelijk overschot het vertrek is uitgedragen.
  8. Indien wapens worden gevoerd, worden de commando's (op gedempte toon) volgens de gewapende exercitie gegeven. Indien met sabel bewapend: exercitie met opgestoken sabel van de haak.

5. Begrafenis met militair eerbetoon

  1. Algemeen:
    1º. het meest belangrijke is, dat éérst overleg met de nabestaanden plaatsvindt, waarbij informatie wordt gegeven omtrent de inhoud van een begrafenis met (beperkt) militair eerbetoon en waarna vervolgens het ceremonieel kan worden vastgesteld; daarbij is het mogelijk om delen van het voorgeschreven protocol achterwege te laten en kan na overleg met de betrokken C-OPCO eventueel worden bepaald, dat militair eerbetoon beperkt kan worden (zie § 7, onderdeel c);
    2º. op verzoek van de nabestaanden of de wilsbeschikking van de overleden militair, kan militair eerbetoon plaatsvinden bij een begrafenis of crematie van:
    (a) oud militairen die Ridder der Militaire Willemsorde zijn;
    (b) op non-actief gestelde, vrijwillig gediend hebbende militairen, gerechtigd tot het dragen van een dapperheidonderscheiding;
    (c) in werkelijke dienst zijnde militairen en geestelijk verzorgers;
    3º. de commando’s en aanwijzingen m.b.t. de handelingen met de lijkkist, worden, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, door zorg van de bevelvoerend commandant bepaald.
  2. Bevelsverhouding:
    De commandant van de overledene is belast met de regeling, tenzij de regionaal militair commandant daarmee wordt belast. Hij pleegt hiertoe overleg met de nabestaanden, de commandant van de eenheid die het militair geleide levert, de commandant van de overledene (ingeval regionaal militair commandant), de directie van de begraafplaats, de KMar en de plaatselijke politie.
  3. Aanvang militair eerbetoon:
    Het militair eerbetoon vindt plaats nabij of op de begraafplaats, dan wel op het terrein van het crematorium.
  4. Het militair geleide:
    Het militair geleide bestaat uit:
    1º. een bevelvoerend officier
    de bevelvoerend officier komt bij voorkeur uit de eenheid waartoe de overledene behoorde;
    2º. een vuurpeloton
    tot het afgeven van één salvo bij het graf of bij de aula van het crematorium (alleen indien probleemloos uit te voeren), wordt een vuurpeloton ingedeeld, (tenzij de nabestaanden dit niet wensen); het vuurpeloton wordt in beginsel samengesteld uit militairen van de eenheid waartoe de overledene behoorde; de sterkte bedraagt acht militairen onder bevel van een onderofficier;
    3º. de slippendragers
    vier militairen, zo mogelijk van gelijke rang of stand als de overledene, treden op als slippendragers; indien de overledene Ridder der Militaire Willemsorde was, worden hiervoor eerst dragers uit de orde benaderd; voorzover dit niet mogelijk is, militairen van de naasthogere rang dan die de overledene zelf bekleedde; de slippendragers stellen zich naast de lijkkist ter weerszijden van het hoofd- en voeteneinde op, in volgorde zoals bepaald bij de dodenwacht.
    4º. de dragers van de lijkkist
    de lijkkist wordt in beginsel gedragen door acht militairen van de eenheid waartoe de overledene behoorde; naast de dragers kunnen militairen zijn ingetreden die het hoofddeksel van de dragers in de hand houden;
    5º. muziek
    een muziekkorps of muzikant(en) kan ingedeeld worden;
    6º. de kransdragers
    de kransdragers worden in beginsel geleverd door de eenheid waartoe de overledene behoorde.
  5. Overige militairen:
    Buiten het militair geleide maken deel uit van de stoet:
    1º. vertegenwoordigers (deputaties) van eenheden die verzocht hebben de plechtigheid te mogen bijwonen;
    2º. militairen die tot de overledene in dienstbetrekking stonden;
    3º. militairen die uit andere hoofde de plechtigheid bijwonen;
    4º. deputatie buitenlandse militairen (indien van toepassing).
  6. Tenue en bewapening:
    1º. tenue
    zie hoofdstuk 6: Interservicestaat tenuen, onderdeel 13; de dragers van de lijkkist dragen in beginsel geen hoofddeksel.
    2º. bewapening:
    (a) C-vuurpeloton is gewapend met een ongeladen pistool;
    (b) de leden van het vuurpeloton zijn gewapend met een geweer;
    (c) alle overige militairen zijn ongewapend.
  7. De lijkkist:
    1º. de lijkkist is bedekt met de Nederlandse vlag, waarvan, gezien vanaf het hoofdeinde, het rood rechts, het blauw links van de kist, en de broeking over het hoofdeinde van de kist afhangt; de vlag is geheel uitgespreid en bedekt de gehele kist;
    2º. op het witte gedeelte van de vlag zijn achtereenvolgens gerangschikt, gezien vanaf het hoofdeinde:
    (a) het hoofddeksel;
    (b) de op een donkerblauw, zwart of paars kussen gespelde versierselen van ridderorden en verdere eretekenen die de overledene gerechtigd was te dragen;
    (c) de sabel, indien de overledene officier of adjudant-onderofficier was;
    3º. de kist wordt door de dragers op de baar geplaatst met het voeteneinde in front.
  8. De stoet bestaat (in volgorde) uit:
    1º. twee marechaussees (facultatief);
    2º. een muziekkorps of muzikant(en);
    3º. de bevelvoerend officier;
    4º. het vuurpeloton;
    5º. geestelijk verzorger(s);
    6º. de lijkkist met de dragers en aan weerszijden; de dragers lopen aan de buitenkant naast de slippendragers als de lijkkist zich nog in de lijkwagen bevindt;
    7º. kransdragers;
    8º. nabestaanden;
    9º. vorstelijke personen of hun vertegenwoordigers;
    10º. de Minister van Defensie of de Staatssecretaris van Defensie alsmede de betrokken C-OPCO, óf hun vertegenwoordigers;
    11º. Ridders der Militaire Willemsorde, indien de overledene ridder in die orde was;
    12º. genodigden;
    13º. vertegenwoordigers (deputaties) van andere (buitenlandse) eenheden;
    14º. twee marechaussees (facultatief).
  9. Uitvoering:
    1º. het militair geleide wordt verzameld nabij de ingang van de begraafplaats; de bevelvoerend officier gaat hier over tot het formeren van de stoet, zodanig dat de eregroet kan worden gebracht op het moment dat de lijkkist arriveert; ook dient voldoende ruimte beschikbaar te blijven voor het oprijden van de lijkwagen en de volgwagens; alle aanwijzingen en commando’s worden op gedempte toon gegeven; tijdens een gebed nemen militairen het hoofddeksel af;
    2º. op het moment dat de lijkkist door de dragers uit de lijkwagen wordt genomen, wordt op commando van de bevelvoerend officier de eregroet gebracht, die eindigt zodra de dragers met de lijkkist hun plaats in de stoet hebben ingenomen; vervolgens laat de bevelvoerend officier alle aanwezigen het front in de marsrichting aannemen en hun plaats in de stoet innemen, waarna de stoet zich op zijn commando in beweging zet, waarbij de militairen in langzame pas marcheren; het muziekkorps of muzikant(en) speelt gedurende de tocht naar het graf een dodenmars;
    3º. indien vóór de begrafenis een plechtigheid in de aula zal plaatsvinden, wordt aldaar de muziek beëindigd en halt gehouden; het muziekkorps en het vuurpeloton stellen zich terzijde op met het front naar de zijde waarlangs de lijkkist zal worden binnengedragen; het vuurpeloton staat in de houding met het geweer aan de voet, er worden geen eerbewijzen gebracht; nadat de stoet de aula is binnengegaan, wordt voor het muziekkorps en het vuurpeloton, OP DE PLAATS - RUST gecommandeerd;
    4º. de stoet gaat naar binnen in volgorde van:
    (a) de bevelvoerend officier;
    (b) de lijkkist met dragers en slippendragers;
    (c) personen en autoriteiten, bedoeld in § 5, onderdeel h, onder 8º tot en met 13º, en eventueel de kransdragers;
    5º. in de aula wordt de lijkkist op de daarvoor bestemde plaats gezet; de slippendragers nemen plaats in de aula, terwijl de dragers plaatsnemen aan één van de zijden in de aula of eventueel buiten wachten;
    6º. nadat de plechtigheid in de aula is beëindigd, nemen de dragers en slippendragers hun positie bij de lijkkist weer in, waarna de lijkkist in langzame pas uit de aula wordt gedragen; daar staan het muziekkorps en het vuurpeloton gereed in colonneformatie in de marsrichting van het graf; zodra iedereen de aula heeft verlaten en de plaats in de stoet weer is ingenomen, vervolgt de stoet op commando van de bevelvoerend officier haar weg naar het graf;
    7º. bij het graf aangekomen, wordt op aanwijzing van de bevelvoerend officier de muziek beëindigd en halt gehouden; de dragers dragen de lijkkist naar het graf en stellen zich op de aangewezen plaats op; C-vuurpeloton stelt op aanwijzing van de bevelvoerend officier het vuurpeloton aan weerszijden van en met het gezicht naar het graf op; het opstellen geschiedt met de volgende commando’s: LANGZAME PAS, VOORWAARTS - MARS en: AFDELING - HALT; daarna geeft hij het commando: RECHTS EN LINKS - OM, waarop beide gelederen front naar het graf maken; zo nodig geeft hij daarna aanwijzingen tot verbetering van de opstelling en richting;
    8º. C-vuurpeloton staat aan een korte zijde van het graf met het front naar het graf; indien dit niet mogelijk is, stelt hij zich op de vleugel van één van de gelederen op; nadat iedereen de voor hem bestemde plaats heeft ingenomen, stelt de bevelvoerend officier zich op bij de nabestaanden;
    9º. vervolgens vindt, indien van toepassing, de kerkelijke begrafenis plaats; tijdens een gebed nemen militairen het hoofddeksel af, met uitzondering van het vuurpeloton en het ingedeelde muziekkorps of de muzikant(en), die de houding aannemen; voor andere geloofsovertuigingen kan de dienst Geestelijke Verzorging Krijgsmacht benaderd worden voor aanvullende informatie;
    10º. voordat de lijkkist in het graf wordt neergelaten, wordt door de daartoe aangewezen militaire dragers de vlag, nadat de daarop liggende voorwerpen zijn weggenomen, van de kist genomen en opgevouwen;
    11º. het neerlaten van de kist in het graf geschiedt op aanwijzing van de bevelvoerend officier; tijdens het neerlaten van de kist wordt de eregroet gebracht, terwijl het muziekkorps of de muzikant(en) een zachte roffel speelt, beginnend op het door de C-vuurpeloton te geven commando: BRENGT ERE - GROET en eindigend op: IN DE HOUDING - STAAT; de leden van het vuurpeloton staan daarbij in de houding met de geweren aan de voet;
    12º. zodra de lijkkist is neergelaten, eindigt de eregroet en geeft het vuurpeloton op aanwijzing van de bevelvoerend officier, met de mondingen van de wapens onder een hoek van 45º naar boven over het graf gericht, een salvo af;
    13º. tijdens het salvo mag zich niemand tussen het vuurpeloton en het graf bevinden; de dragers staan achter de leden van het vuurpeloton opgesteld, terwijl de slippendragers op enige afstand (indien mogelijk) voor en achter de kist staan;
    14º. voor het geven van het salvo wordt door C-vuurpeloton gecommandeerd: SALVO VUUR HOOG - AAN - VUUR en aansluitend: ZET AF - GEWEER;
    15º. indien de lijkkist niet wordt neergelaten in het graf, maar tijdens de gehele plechtigheid boven de grond blijft staan, wordt in aansluiting op onderdeel i, onder 7º, de eregroet gebracht op het commando van C-vuurpeloton; nadat laatstgenoemde het commando: IN DE HOUDING - STAAT heeft gecommandeerd, wordt door het vuurpeloton het salvo afgegeven zoals beschreven in onderdeel i, onder 14º;
    16º. de bevelvoerend officier geeft hierna gelegenheid tot het houden van toespraken; als een militair het woord voert, ontbloot hij zijn hoofd;
    17º. als niet door of namens de nabestaanden een dankwoord wordt uitgesproken, kan dit op verzoek door de bevelvoerend officier geschieden;
    18º. zodra de nabestaanden en belangstellenden het graf hebben verlaten, geeft de bevelvoerend officier aanwijzingen voor de afmars van het militair geleide; daarbij wordt door het muziekkorps niet meer gespeeld;
    19º. de militairen nemen afscheid aan het graf door front te maken aan het voeteneinde van het graf en (3 tellen) de eregroet te brengen; daarna maken zij links- of rechtsom en verwijderen zich;
    20º. zie ook § 12 (Aanvullende bepalingen KM).

6. De crematie met militair eerbetoon

Met inachtneming van het gestelde hiervoor in § 5, onderdeel h, en toestemming van de leiding van het crematorium, gelden voor een crematie de volgende bepalingen:

  1. op het moment dat door de dragers de lijkkist uit de lijkwagen wordt genomen, wordt op commando van de bevelvoerend officier de eregroet gebracht, die eindigt zodra de dragers met de lijkkist hun plaats in de stoet hebben ingenomen;
  2. vervolgens laat de bevelvoerend officier de overigen hun plaats in de stoet innemen, waarna die zich op commando van de bevelvoerend officier in beweging zet, waarbij de militairen in langzame pas marcheren; het muziekkorps speelt tijdens de tocht naar de aula een dodenmars;
  3. bij de aula aangekomen, wordt de muziek gestopt en halt gehouden; de dragers zetten de lijkkist op de aangewezen plaats neer en treden vervolgens terug om ruimte te maken voor het vuurpeloton; dit peloton stelt zich op aanwijzing op als hierboven vermeld in § 5, onderdeel i, onder 7º; C-vuurpeloton stelt zich op met het front naar de naaste familie van de overledene;
  4. nadat iedereen de voor hem aangewezen plaats heeft ingenomen en allen front naar de lijkkist hebben gemaakt, stelt de bevelvoerend officier zich op bij de nabestaanden;
  5. op bevel van de bevelvoerend officier wordt de eregroet gebracht, waarbij door het vuurpeloton de geweren worden gepresenteerd; na beëindiging van de eregroet geeft het vuurpeloton een salvo af zoals aangegeven in § 5, onderdeel i, onder 14º; na het afgeven van het salvo commandeert C-vuurpeloton: .....(aantal) PASSEN ACHTERWAARTS - MARS, waarna de lijkkist door de dragers de aula wordt binnengedragen; zodra allen de aula zijn binnengegaan wordt het hoofddeksel afgenomen en geeft de bevelvoerend officier aanwijzingen voor de afmars van het muziekkorps of muzikant(en) en het vuurpeloton;
  6. nadat allen in de aula hebben plaatsgenomen, geeft de bevelvoerend officier gelegenheid tot het houden van toespraken; vervolgens kan het woord worden verleend aan de geestelijk verzorger voor het leiden van de rouwdienst; na afloop van deze plechtigheid wordt door of namens de familie van de overledene een dankwoord uitgesproken;
  7. het verdient de voorkeur de kist bedekt met de vlag en de daarop liggende voorwerpen te laten staan, zodat na het dankwoord door de aanwezigen langs de kist kan worden gedefileerd, waarbij door militairen de eregroet wordt gebracht zoals hiervoor vermeld in § 5, onderdeel i, onder 19º;
  8. zodra de nabestaanden en belangstellenden de aula hebben verlaten, geeft de bevelvoerend officier aanwijzingen voor het verwijderen van de vlag en de daarop liggende voorwerpen alsmede m.b.t. de afmars van de overige militairen; op verzoek van de nabestaanden kan hiervan worden afgeweken.

7. Bijzondere bepalingen

  1. Bij een begrafenis of crematie met militair eerbetoon van nationaal of bijzonder karakter, worden door of namens H.M. de Koningin of de minister afzonderlijke regelingen uitgegeven.
  2. Bij een plechtigheid waarbij het stoffelijk overschot niet aanwezig is, vindt het ceremonieel plaats naar regels te stellen door de commandant van de eenheid waartoe betrokkene behoorde.
  3. Indien de nabestaanden van een overleden militair daartoe de wens te kennen geven, kan een begrafenis plaatsvinden met beperkt militair eerbetoon. Hieronder wordt verstaan dat bij het binnengaan, tijdens de plechtigheid en bij het verlaten van de kerk of aula van de begraafplaats, de lijkbaar wordt begeleid door vier slippendragers. Ingeval van crematie, eventueel voorafgegaan door een kerkelijke plechtigheid, kan het eerbetoon op overeenkomstige wijze plaatsvinden. Ook het deelnemen van een vuurpeloton en de daaraan gekoppelde uitvoering kan op verzoek van de nabestaanden achterwege blijven.
  4. Op verzoek van de nabestaanden kan de te spelen muziek worden aangepast aan de laatste wens van de overledene, m.u.v. het voorgeschreven muzikale eerbetoon (zie tevens hoofdstuk 8, § 1, onderdeel p).

8. Basisregeling ceremonieel bij een staatsuitvaart, voor anderen dan leden van het Koninklijk Huis.

  1. Een staatsuitvaart wordt op initiatief van de Minister van Buitenlandse Zaken aangeboden aan de officiële vertegenwoordigers van buitenlandse staatshoofden (ambassadeurs) of regeringen en met deze te vergelijken autoriteiten zoals de president van het Internationaal Strafhof.
  2. De Minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de regeling van de staatsuitvaart. Het militair ceremonieel zal in nauw overleg met de betrokken militaire autoriteiten worden vastgesteld. De omvang van het militaire ceremonieel moet binnen de onderstaande samenstelling vallen. De Minister van Defensie legt de uitvoering van het militaire ceremonieel conform CP-100 in handen van de mandataris van Defensie.
  3. De maximale samenstelling van de stoet is als volgt:
    1º. twaalf militairen van de KMar;
    2º. een muziekkorps;
    3º. een bevelvoerend officier in de rang van kolonel of luitenant-kolonel;
    4º. een vuurpeloton van acht militairen onder bevel van een onderofficier;
    5º. een detachement KM (1/2/89);
    6º. een detachement KL (1/2/89);
    7º. de lijkkoets of affuit (alleen indien een militair daar aanspraak op kan maken);
    8º. acht militairen beneden de rang van luitenant als dragers;
    8º. kransdragers;
    9º. burgergedeelte;
    10º. een detachement KLu (1/2/89);
    11º. twaalf militairen van de KMar.
  4. Het tenue wordt per gelegenheid vastgesteld.
  5. De deelnemende eenheden zijn, met uitzondering van het vuurpeloton, ongewapend.

9. Rouw bij overlijden (Alleen KM)

  1. Wanneer een vlagofficier, belast met een bevel, is overleden, wordt aan boord van alle ter plaatse aanwezige oorlogsschepen en bij alle inrichtingen der zeemacht ter plaatse de koninkrijksvlag halfstok gevoerd van het tijdstip van overlijden tot zonsondergang op de dag der begrafenis. Indien de schepen in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen, wordt bovendien de geus halfstok gevoerd, terwijl op het vlaggenschip van de overledene diens commandovlag halfstok wordt gevoerd. Gedurende de tijd dat ingevolge hoofdstuk 3, § 15, onderdeel a, onder 3°, op sloepen de koninkrijksvlag moet worden gevoerd, wordt zij ook op de sloepen die behoren tot de betrokken oorlogsschepen of de betrokken inrichtingen der zeemacht, halfstok gehesen.
  2. Wanneer een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang, belast met een bevel, is overleden, wordt aan boord van de ter plaatse aanwezige oorlogsschepen en bij de inrichtingen der zeemacht ter plaatse, die onder zijn bevel stonden, de koninkrijksvlag halfstok gevoerd van het tijdstip van overlijden tot zonsondergang op de dag der begrafenis. Indien de schepen in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen, wordt bovendien de geus halfstok gevoerd, terwijl op het vlaggenschip van de overledene diens standaard halfstok wordt gevoerd. De overige ter plaatse aanwezige oorlogsschepen en inrichtingen der zeemacht voeren op de dag der begrafenis de koninkrijksvlag halfstok van het hijsen van de vlag tot zonsondergang, waarbij oorlogsschepen die in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen, tevens de geus halfstok voeren. Gedurende de tijd dat op sloepen hoofdstuk 3, § 15, onderdeel a, onder 3°, de koninkrijksvlag moet worden gevoerd, wordt zij ook op de sloepen die behoren tot de betrokken oorlogsschepen of de betrokken inrichtingen der zeemacht halfstok gehesen.
  3. Wanneer een officier, die niet belast was met een bevel, is overleden, wordt aan boord van het oorlogsschip waarop, of bij de inrichting der zeemacht, waarbij de overledene diende, de koninkrijksvlag halfstok gevoerd van het tijdstip van overlijden tot zonsondergang op de dag der begrafenis. Indien het schip in een haven of op een rede gemeerd of ten anker ligt, wordt bovendien de geus halfstok gevoerd. De overige ter plaatse aanwezige oorlogsschepen en inrichtingen der zeemacht voeren op de dag der begrafenis de koninkrijksvlag halfstok van het hijsen van de vlag tot zonsondergang, waarbij oorlogsschepen die in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen, tevens de geus halfstok voeren. Gedurende de tijd dat op sloepen de koninkrijksvlag moet worden gevoerd, wordt zij ook op de sloepen, die behoren tot de betrokken oorlogsschepen of de betrokken inrichtingen der zeemacht, halfstok gehesen.
  4. Wanneer een schepeling is overleden, wordt aan boord van het oorlogsschip waarop of bij de inrichting der zeemacht waarbij de overledene diende, gehandeld conform het gestelde in hoofdstuk 3, § 8, onderdeel d. Indien het oorlogsschip in een haven of op een rede gemeerd of ten anker ligt, wordt bovendien de geus halfstok gevoerd. Gedurende de tijd, dat ingevolge hoofdstuk 3, § 15, onderdeel a, onder 3º, op sloepen de koninkrijksvlag moet worden gevoerd, wordt zij ook op de sloepen die behoren tot het betrokken oorlogsschip of de betrokken inrichting der zeemacht halfstok gehesen.
  5. Wanneer een overledene niet behoorde tot de bemanning van enig oorlogsschip of van een inrichting der zeemacht, dan wel wanneer het oorlogsschip waarop hij diende niet aanwezig is, bepaalt de oudste commandant ter plaatse, voorzover een van de voorgaande leden niet van toepassing is, wanneer en op welke wijze zal worden gerouwd.
  6. Indien zich in de nabijheid van het oorlogsschip of de inrichting der zeemacht, waar rouw zal worden aangenomen zich een buitenlands oorlogsschip bevindt, zendt de commandant tijdig tevoren een officier van de wacht naar de commandant van dat buitenlandse oorlogsschip, teneinde hem kennis te geven van het voornemen tot het aannemen van rouw en van de wijze waarop zal worden gerouwd. Indien er meer oorlogsschepen of inrichtingen der zeemacht ter plaatse zijn, wordt de officier van de wacht gezonden door de commandant van het verband dan wel door de oudste commandant. Indien er meer buitenlandse oorlogsschepen van dezelfde nationaliteit al dan niet in verband in de nabijheid zijn, wordt de officier van de wacht gezonden naar de commandant van dat verband dan wel naar de betrokken oudste commandant. Op een rede of in een haven in het buitenland wordt in overleg met de Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaar ter plaatse tevens kennis gegeven aan de autoriteiten aan de wal, die volgens de bestaande gebruiken van het voornemen tot het aannemen van rouw op de hoogte moeten zijn.
  7. Indien een of meer buitenlandse oorlogsschepen aan de rouw hebben deelgenomen, zendt de commandant dan wel de commandant van het verband of de oudste commandant, de dag daarop een officier van de wacht naar de betrokken commandanten om voor die deelname te bedanken. Indien op de een of andere wijze aan de wal is deelgenomen aan de rouw, wordt de autoriteit die daartoe last heeft gegeven, bedankt.
  8. Indien in zee of in het buitenland door een buitenlands oorlogsschip of aan de wal rouw wordt aangenomen in de nabijheid van een of meer Nederlandse oorlogsschepen, doet de commandant hiervan dan wel de commandant van het verband of de oudste commandant, indien hij daarvan tevoren op de hoogte is gesteld, daaraan deelnemen op de wijze die hem het meest geschikt voorkomt.
  9. Indien door een buitenlands oorlogsschip, liggende op een rede of in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden, in de nabijheid van een of meer Nederlandse oorlogsschepen of inrichtingen der zeemacht rouw wordt aangenomen, is onderdeel h op overeenkomstige wijze van toepassing.
  10. Aan boord van een oorlogsschip dat in een gevecht is gewikkeld, wordt gedurende het gevecht geen rouw aangenomen. Een en ander wordt pas gedaan, nadat men na afloop van het gevecht buiten zicht van de vijand is gekomen.
  11. Wanneer tijdens de rouw ander ceremonieel moet worden gehouden, blijven de rouwtekenen tijdelijk achterwege en worden alleen de tekenen gevoerd welke voor dat ceremonieel zijn bepaald.

10. Het overbrengen van een stoffelijk overschot naar de wal (alleen KM)

Bij een sterfgeval aan boord van een oorlogsschip, wordt bij het overbrengen naar de wal van het stoffelijk overschot het volgende ceremonieel gevolgd:

  1. De gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer, indien de overledene de rang van commandeur of een hogere rang bekleedde of door een onderofficier met de rang van sergeant-majoor of van sergeant, indien de overledene een officier was met een lagere rang dan die van commandeur dan wel indien hij een schepeling was.
  2. De commandant en de beschikbare officieren en schepelingen bevinden zich eveneens aan dek; de schepelingen zijn steeds ongewapend.
  3. Indien gewenst, kan een vuurpeloton bestaande uit een detachement schepelingen ter sterkte van acht man, gecommandeerd door een onderofficier worden ingedeeld. Zij staan in voorkomend geval opgesteld bij de staatsietrap of valreep.
  4. Als dragers fungeren acht schepelingen. Was de overledene onderofficier, dan worden de dragers zo mogelijk aangewezen uit manschappen van de dienstgroep waartoe de overledene behoorde. Indien de overledene schepeling zonder rang was, dragen de schepelingen van de bak waartoe hij behoorde, zijn stoffelijk overschot.
  5. De lijkkist wordt bedekt conform het gestelde in § 5, onderdeel g.
  6. Indien de commandant de bemanning wenst toe te spreken, dragen de dragers de lijkkist naar het halfdek/hangaar. Na de toespraak van de commandant wordt de lijkkist naar de staatsietrap of valreep verplaatst.
  7. Wanneer de lijkkist wordt voorbijgedragen, brengen alle aanwezigen de eregroet, de gewapenden presenteren het geweer.
  8. Voor het van boord gaan, vuurt indien ingedeeld het vuurpeloton een salvo af.
  9. Wanneer het stoffelijk overschot met een sloep wordt overgebracht naar de wal, voert die sloep de koninkrijksvlag halfstok en vaart zo langzaam mogelijk.
  10. Nadat de sloep is afgestoken, kunnen indien gewenst minuutschoten worden afgegeven tot de volgende aantallen:
    19 schoten: voor een admiraal;
    17 schoten: voor een luitenant-admiraal;
    15 schoten: voor een vice-admiraal;
    13 schoten: voor een schout-bij-nacht;
    11 schoten: voor een commandeur;
    11 schoten: voor een kapitein ter zee of eskadercommandant;
    9 schoten: voor een kapitein ter zee;
    7 schoten: voor een kapitein-luitenant ter zee;
    5 schoten: voor een luitenant ter zee der 1e of der 2e klasse oudste categorie;
    3 schoten: voor luitenant ter zee der 2e klasse jongste categorie en luitenant ter zee der 3e klasse.

11. Het verstrooien van as van een overledene (alleen KM)

  1. Het ceremonieel bij het verstrooien van as van een overledene wordt geregeld door de commandant van het schip, daartoe aangewezen door de betrokken regionale bevelhebber en vindt buitengaats plaats op een door de commandant volgens de regels van het goede zeemanschap te bepalen positie.
  2. De commandant bedoeld in onderdeel a, belast een officier met de leiding die zorg moet dragen voor een juiste uitvoering van de plechtigheid. Indien noodzakelijk worden hem een of meer officieren of onderofficieren toegevoegd.
  3. De officier, belast met de leiding, bepaalt van tevoren de plaats aan boord vanwaar uitvoering kan worden gegeven aan het ceremonieel, rekening houdend met de relatieve windrichting en de optredende wervelingen ter plaatse. Hij doet de ashouder opstellen op een met een wit laken afgedekte tafel, waarbij de ashouder wordt afgedekt door de koninkrijksvlag (2¼ kleeds). Voorts reserveert hij een plaats voor eventuele (burger)genodigden en regelt hij de opstelling van een uit de bemanning samengestelde deputatie.
  4. Bij het verstrooien van de as wordt het volgende ceremonieel in acht genomen:
    1º. het schip wordt dwarswinds gestopt dan wel met zeer langzame vaart gaande gehouden;
    2º. de officier, belast met de leiding, doet de vlag halfstok hijsen;
    3º. de in onderdeel c, genoemde of een andere daartoe aangewezen officier begeleidt de eventuele genodigden naar hun plaats;
    4º. de officier, belast met de leiding, doet front maken over de zijde waar het ceremonieel zal plaatsvinden, waarna een lid van de bemanning de as verstrooit en de ashouder overboord werpt;
    5º. nadat de ashouder is gezonken wordt één minuut stilte in acht genomen;
    6º. hierna wordt het signaal taptoe gespeeld, indien een muzikant ingedeeld is;
    7º. het eerbewijs eindigt na het signaal doorgaan;
    8º. nadat de eventuele genodigden zich van de plaats van het ceremonieel hebben verwijderd, wordt de vlag voorgehesen.
  5. Het verstrooien van as uit een vliegtuig geschiedt naar daartoe door de regionale bevelhebber te stellen regels.

12. Aanvullende bepalingen bij een begrafenis (alleen KM)

  1. Indien de overledene vanuit een eenheid der zeemacht wordt begraven, komt de gewapende wacht in het geweer.
  2. De gewapende wacht wordt gecommandeerd door een officier, indien de overledene de rang van commandeur of een hogere rang bekleedde en door een onderofficier met de rang van sergeant-majoor of sergeant, indien de overledene een officier was met een lagere rang dan die van commandeur dan wel indien hij een schepeling was.
  3. Als dragers fungeren acht schepelingen. Was de overledene onderofficier dan worden de dragers zo mogelijk aangewezen uit manschappen van de dienstgroep waartoe de overledene behoorde. Indien de overledene schepeling zonder rang was, dragen de schepelingen van de bak waartoe hij behoorde, de kist.
  4. Het ongewapende militair geleide wordt samengesteld naar de rang van de overledene:
    1º. indien de overledene vlagofficier was en belast met een commando, volgen:
    (a) alle beschikbare officieren die tot zijn staf behoorden;
    (b) de commandant en vier officieren van elke eenheid der zeemacht onder zijn commando;
    (c) van elke eenheid der zeemacht ter plaatse, niet onder zijn commando, de commandant en twee officieren;
    (d) een deputatie bestaande uit de chef der equipage met ten hoogste vier onderofficieren en twaalf manschappen en ten minste een onderofficier en vier manschappen van elke eenheid der zeemacht onder zijn commando;
    2º. indien de overledene vlagofficier, niet belast met een commando, was, volgen van elke eenheid der zeemacht ter plaatse:
    (a) de commandant en twee officieren;
    (b) een deputatie bestaande uit ten hoogste vier onderofficieren en twaalf manschappen en ten minste een onderofficier en vier manschappen;
    3º. indien de overledene de rang van kapitein ter zee of die van kapitein-luitenant ter zee bekleedde en was belast met een commando, volgen:
    (a) indien hij over een staf beschikte, alle beschikbare officieren die tot die staf behoorden;
    (b) de commandant en vier officieren van elke eenheid der zeemacht onder zijn commando, tenzij de overledene commandant van een eenheid der zeemacht was, in welk geval alle beschikbare officieren van die eenheid volgen;
    (c) van elke eenheid der zeemacht ter plaatse niet onder zijn commando, de commandant en twee officieren;
    (d) een deputatie bestaande uit de chef der equipage met ten hoogste vier onderofficieren en twaalf manschappen en ten minste een onderofficier en vier manschappen van elke eenheid der zeemacht onder zijn commando, tenzij de overledene commandant van een eenheid der zeemacht was, in welk geval de chef der equipage en een divisie schepelingen van die eenheid volgen;
    4º. indien de overledene de rang van kapitein ter zee of die van kapitein-luitenant ter zee bekleedde en niet was belast met een commando, volgen:
    (a) alle beschikbare officieren van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    (b) van elke eenheid der zeemacht ter plaatse verder aanwezig, de commandant en twee officieren;
    (c) een divisie schepelingen van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    5º. indien de overledene de rang van luitenant ter zee der 1e klasse of een lagere officiersrang bekleedde en was belast met een commando, volgen:
    (a) alle beschikbare officieren van de eenheid der zeemacht onder zijn commando;
    (b) van elke eenheid der zeemacht ter plaatse verder aanwezig, de commandant en twee officieren;
    (c) de chef der equipage en een divisie schepelingen van de eenheid der zeemacht onder zijn commando;
    6º. indien de overledene de rang van luitenant ter zee der 1e klasse of een lagere officiersrang bekleedde en niet was belast met het commando, volgen:
    (a) alle beschikbare officieren van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    (b) van elke eenheid der zeemacht ter plaatse verder aanwezig, twee officieren;
    (c) een deputatie bestaande uit ten hoogste vier onderofficieren en twaalf manschappen en ten minste een onderofficier en vier manschappen van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    7º. indien de overledene onderofficier was, volgen:
    (a) de eerste of oudste officier van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    (b) alle beschikbare officieren van de divisie, waartoe hij behoorde;
    (c) de militairen der zeemacht die hebben verzocht de begrafenis te mogen bijwonen en aan wie toestemming werd verleend;
    (d) de chef der equipage en een deputatie bestaande uit ten hoogste vier onderofficieren en twaalf manschappen en ten minste een onderofficier en vier manschappen van de divisie, waartoe hij behoorde;
    8º. indien de overledene schepeling zonder rang was, volgen:
    (a) twee officieren, onder wie de chef van zijn divisie, van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    (b) de militairen der zeemacht die hebben verzocht de begrafenis te mogen bijwonen en aan wie toestemming werd verleend;
    (c) de schepelingen van de bak, waartoe hij behoorde.

Naar hoofdstuk 23