Hoofdstuk 20 Uitreiking van onderscheidingen

1. Algemeen

  1. Het uitreiken van onderscheidingen vindt in beginsel plaats voor het front van een ongewapende, aangetreden eenheid. Indien de onderscheiding niet voor het front van een eenheid wordt uitgereikt, vindt de ceremonie in een daartoe passende lokaliteit plaats.
  2. Indien een onderscheiding, anders dan genoemd in § 2 tot en met § 5, wordt toegekend, zal separaat worden vastgesteld hoe de procedure van de uitreiking zal verlopen.
  3. De uitreiking van onderscheidingen aan grote groepen militairen tegelijk, meestal een herinneringsmedaille vindt plaats tijdens een zogenaamde medal-parade op of in een geschikte lokaliteit.
  4. Militairen die een onderscheiding ontvangen, mogen tijdens een officiële uitreiking geen andere onderscheidingen of batons dragen. De autoriteit die de onderscheiding uitreikt, laat de te decoreren militair uittreden en zich opstellen op ongeveer tien passen vóór en in front van hem. Bij uitreiking aan verscheidene militairen, wordt in volgorde van (ouderdom in) rang opgesteld en neemt men individueel de houding aan tijdens het uitreiken van de onderscheiding.

2. Ordeteken van de Militaire Willemsorde

De uitreiking van een ordeteken van de Militaire Willemsorde geschiedt overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de Herziene Wet op de Militaire Willemsorde van 30 april 1815 en in het Reglement op de Militaire Willemsorde. De met de uitreiking belaste autoriteit zal voor het te volgen ceremonieel overleg plegen met het Kapittel van de Militaire Willemsorde en zich daartoe in verbinding stellen met de Kanselier der Nederlandse Orden te Den Haag.

3. Koninklijke onderscheidingen

  1. De uitreiking van een koninklijke onderscheiding aan een actief dienende militair geschiedt in beginsel door de Minister of door de Staatssecretaris van Defensie op het Ministerie van Defensie.
    Een koninklijke onderscheiding in de orde van Oranje-Nassau aan de militair toegekend, heeft de toevoeging “met de zwaarden” als hij behalve voor het maatschappelijk belang ook voor Defensie grote verdiensten heeft.
  2. De uitreiking van een koninklijke onderscheiding aan een militair buiten dienst gebeurt zoals in onderdeel a omschreven, mits niet langer dan 1 jaar b.d.

4. Onderscheidingsteken voor langdurige en trouwe dienst voor vrijwillig dienende militairen beneden de rang van tweede-luitenant

De uitreiking van deze onderscheiding geschiedt in beginsel:

  1. in brons: door de eigen commandant;
  2. in zilver en goud:
    door de naasthogere* commandant.
    De commandant overlegt in alle gevallen met de te onderscheiden militair omtrent zijn voorkeur m.b.t. de locatie van de uitreiking en de uit te nodigen gasten.
    * KM: door de commandant.

5. Onderscheidingsteken voor langdurige dienst als officier

De uitreiking van deze onderscheiding vindt (niet voor het front van een aangetreden eenheid) plaats op 6 december of de eerstvolgende werkdag na deze datum.

6. Uitreiking voor het front van een aangetreden eenheid

  1. De hier beschreven ceremonie geldt voor de uitreiking van (een) belangrijke onderscheiding(en) voor het front van een aangetreden eenheid, niet zijnde een buitengewoon appèl of een medal-parade, zoals bedoeld in § 9. De uitreiking geschiedt in beginsel door de eigen of naasthogere commandant.
  2. De eenheid, niet-ingedeelden en genodigden staan opgesteld zoals aangegeven in hoofdstuk 12, terwijl opperofficieren, de parade-inspecteur en de genodigde autoriteiten zijn verwelkomd zoals aangegeven in de hoofdstukken 8 en 13.
  3. Aan een eventueel ingedeelde vaandelwacht is geen specifieke taak toegedacht. Het in- en uittreden van de vaandelwacht wordt uitgevoerd, zoals aangegeven in hoofdstuk 16.
  4. De ceremoniële begroeting of ceremoniële inspectie door de autoriteit die de onderscheiding uitreikt, geschiedt zoals aangegeven in hoofdstuk 13, § 4 en § 5. De begroeting of inspectie eindigt op het moment dat de autoriteit zich bij de katheder bevindt.
  5. De paradecommandant commandeert vervolgens: OP DE PLAATS - RUST.
  6. Indien de onderscheiding per KB is afgekondigd, wordt de procedure van het openen en sluiten van de ban, zoals bepaald in hoofdstuk 17, gevolgd.
    In geval een MB ten grondslag ligt aan de uitreiking, wordt de houding gecommandeerd.
  7. De onderscheiding wordt boven de linkerborstzak of overeenkomstige hoogte opgespeld dan wel, afhankelijk van de soort onderscheiding, omgehangen, of aangereikt. De autoriteit feliciteert de zojuist gedecoreerde.
  8. De autoriteit keert terug naar zijn plaats bij de katheder, waarna de paradecommandant: OP DE PLAATS - RUST commandeert.
  9. De autoriteit houdt nu een korte toespraak; de gedecoreerde staat daarbij in de houding.
  10. Ter afsluiting van de uitreiking van een onderscheiding kan het Wilhelmus ten gehore worden gebracht (zie hoofdstuk 8, § 2, onderdeel b.7.).
  11. De autoriteit verzoekt de paradecommandant om de aangetreden eenheid af te melden. De paradecommandant commandeert vervolgens: GEEFT - ACHT, (en het overeenkomstig eerbewijs zoals bepaald in hoofdstuk 13, § 4) en meldt de aangetreden eenheid vervolgens af bij de autoriteit.
  12. Nadat de autoriteit uit zicht van de aangetreden eenheid is verdwenen, laat de paradecommandant de groet beëindigen en de eenheden de rusthouding aannemen. Hij bedankt vervolgens de aanwezige niet-ingedeelde militairen en genodigden voor hun aanwezigheid en geeft aan dat de zojuist gedecoreerde(n) kan / kunnen worden gefeliciteerd tijdens de receptie.
  13. De eenheid is nu ter beschikking van de respectievelijke commandanten.

7. Onderscheiding aan een vaandelvoerende eenheid

  1. Bij het hechten van een dapperheidsonderscheiding aan een vaandel, staat de eenheid opgesteld zoals aangegeven in hoofdstuk 12, treedt een aangewezen hoofdofficier op als paradecommandant en is de vaandelwacht reeds ingetreden.
  2. De autoriteit (tevens parade-inspecteur) die de onderscheiding zal aanhechten, arriveert samen met zijn officieradjudant en de vaandelvoerend commandant. De officieradjudant is in het bezit van de onderscheiding.
  3. Na aankomst van de autoriteit en de vaandelvoerend commandant, begint de ceremonie met het muzikaal eerbetoon, meldt de paradecommandant de aangetreden eenheid en vindt de ceremoniële inspectie of begroeting plaats.
  4. Nadat de autoriteit en de vaandelvoerend commandant bij het katheder zijn gearriveerd, wordt het ceremonieel vervolgd:
    1º. de vaandelwacht treedt uit; neemt opstelling in op ongeveer tien passen vóór en met het front naar de katheder; de eenheid staat daarbij in de houding;
    2º. vervolgens laat de paradecommandant de eregroet brengen en de ban openen, waarna de officieradjudant van de autoriteit het KB voorleest; nadat het KB is voorgelezen laat de paradecommandant de ban sluiten en de eregroet beëindigen;
    3º. de vaandeldrager treedt uit tot ongeveer drie passen vóór de katheder en overhandigt aldaar het vaandel aan de vaandelvoerend commandant; deze maakt rechtsomkeert en plaatst het vaandel met de stok vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet; de vaandeldrager treedt weer in bij de vaandelwacht;
    4º. de officieradjudant overhandigt nu de onderscheiding aan de autoriteit, die zich vervolgens naar het vaandel begeeft, terwijl de vaandelvoerend commandant het vaandel optilt en zoveel naar voren laat overhellen (zonder te neigen) als voor de autoriteit nodig is om de onderscheiding aan het vaandel te hechten; de onderscheiding wordt nu door de autoriteit aan de vaandelstok bevestigd;
    5º. de vaandelvoerend commandant plaatst het vaandel, met de stok vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet, waarbij de vaandelstok iets naar voren helt;
    6º. de eenheid wordt in de rusthouding gecommandeerd door de paradecommandant; de vaandelvoerend commandant blijft in de houding staan, waarna de autoriteit een toespraak houdt;
    7º. na het einde van de toespraak wordt de eenheid wederom in de houding gecommandeerd, treedt de vaandeldrager uit, vervolgt de vaandelvoerend commandant met het overhandigen van het vaandel aan de vaandeldrager, waarna deze (nu met vaandel en bevestigde onderscheiding) bij de vaandelwacht intreedt; de vaandelvoerend commandant stelt zich weer op naast de autoriteit;
    8º. de paradecommandant laat de eregroet brengen, en laat het Wilhelmus ten gehore brengen; aansluitend laat de paradecommandant de eregroet beëindigen en de vaandelwacht intreden, waarbij de vaandelwacht langs het front van de eenheid marcheert; de eenheid staat daarbij in de houding;
    9º. de paradecommandant meldt de autoriteit het einde van de plechtigheid (overeenkomstig eerbewijs zoals bepaald in hoofdstuk 13, § 4), waarna de autoriteit en de vaandelvoerend commandant de plaats van de plechtigheid verlaten.
  5. De vaandelwacht treedt volgens de daartoe bekende procedures uit, waarna de eenheid ter beschikking is van de respectievelijke commandanten.

Bijzonderheden: Bovenstaande ceremonie kan met een bereden standaardwacht op overeenkomstige wijze worden uitgevoerd.

8. Uitreiking van een onderscheiding zonder aangetreden eenheid

  1. Tijdig vóór aanvang van de plechtigheid verzamelen de militairen, de genodigden en de eventuele deputaties zich in de lokaliteit waar de uitreiking plaatsvindt. Zij stellen zich zo mogelijk op in een carré met één open zijde.
  2. Nadat het KB of de MB door de officieradjudant van de autoriteit is voorgelezen, vindt de uitreiking van de onderscheiding plaats.
  3. De militairen nemen de houding aan bij nadering van de autoriteit die de onderscheiding zal uitreiken. De te decoreren militair staat in beginsel opgesteld ongeveer vier passen vóór de katheder met het gezicht naar de autoriteit. Indien verscheidene militairen worden gedecoreerd, stellen zij zich op naar ouderdom in rang.
  4. De onderscheiding wordt boven de linkerborstzak of overeenkomstige hoogte opgespeld dan wel, afhankelijk van de soort onderscheiding, omgehangen, of aangereikt. De autoriteit feliciteert de zojuist gedecoreerde.
  5. Hierna nemen de militairen de rusthouding aan, waarna de autoriteit een korte toespraak houdt. De zojuist gedecoreerde staat daarbij in de houding.
  6. Na de toespraak geeft de autoriteit gelegenheid tot feliciteren.

9. De medal-parade

  1. Onder een medal-parade wordt verstaan de ceremonie van een uitreiking van onderscheidingen aan grote groepen militairen tegelijk.
  2. De te decoreren eenheden zijn in beginsel ongewapend.
  3. De eenheid staat opgesteld zoals aangegeven in hoofdstuk 12; de uitzendvlag (indien van toepassing) staat ingetreden. Indien een tribune voor (militaire) genodigden deel uitmaakt van de opstelling, wordt deze aan de open zijde van het carré opgesteld.
  4. De wijze van opstellen kan desgewenst geschieden door de eenheden één voor één de plaats van de ceremonie te laten betreden om te worden voorgesteld.
  5. Als paradecommandant treedt de commandant van de uitgezonden eenheid op.
  6. Nadat de opstelling is voltooid, begeven de niet-ingedeelde militairen beneden de rang van brigadegeneraal en de genodigde burgerautoriteiten zich naar de hun toegewezen plaats.
  7. De aankomst van de niet ingedeelde opperofficieren en de parade-inspecteur vindt plaats zoals in hoofdstuk 13 bepaald.

Na de ceremoniële inspectie verloopt de medal-parade als volgt:

parade-inspecteur houdt een toespraak en treedt na afloop van die toespraak naar linksachter uit;
paradecommandant GEEFT - ACHT;
officieradjudant leest de MB voor;
paradecommandant commandeert aansluitend: OP DE PLAATS - RUST;
muziek brengt muziek ten gehore
parade-inspecteur begeeft zich naar de ter hoogte van de parade-commandant opgestelde militairen en speldt hun persoonlijk de onderscheiding op en keert terug naar zijn plaats bij de katheder;
paradecommandant commandeert aan de links en rechts van hem opgestelde militairen: INTREDEN;
gedecoreerden begeleiden de VIPS bij de nog te decoreren personen;
parade-inspecteur verzoekt het Wilhelmus ten gehore te laten brengen;
paradecommandant commandeert achtereenvolgens: GEEFT - ACHT, BRENGT ERE - GROET en: MUZIEK - WILHELMUS en na afloop hiervan: IN DE HOUDING - STAAT en: OP DE PLAATS - RUST;
parade-inspecteur verzoekt de paradecommandant om de aangetreden eenheid af te melden;
paradecommandant GEEFT - ACHT en het eerbewijs, zoals bepaald in hoofdstuk 13, § 4, begeeft zich naar de parade-inspecteur en meldt de aangetreden eenheid af;
parade-inspecteur verlaat samen met de andere autoriteiten en zijn officieradjudant de plaats van de plechtigheid;
paradecommandant OP DE PLAATS - RUST, op het moment dat de parade-inspecteur uit het zicht van de aangetreden eenheid is verdwenen; de eenheid is nu ter beschikking voor een aansluitende activiteit of is ter beschikking van de paradecommandant.

alleen van toepassing, indien aan de uitzendvlag(gen) een vlaggenband(en) word(en) gehangen:

paradecommandant medaille-uitreiking gereed: ik laat de uitzendvlag(gen) uittreden;
paradecommandant UITZENDVLAG(GEN)* - UITTREDEN;
vlaggendrager(s) begeeft zich met de uitzendvlag(gen) zonder begeleiding naar de paradecommandant, overhandigt hem de uitzendvlag en stelt zich vervolgens vijf passen ter linkerzijde van de paradecommandant op, front naar de open zijde van het carré;
paradecommandant ontvangt de uitzendvlag en plaatst deze met de stok vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet, gezicht naar de parade-inspecteur;
C-OPCO of zijn vertegenwoordiger begeeft zich naar de uitzendvlag en bevestigt de vlaggenband zoals bedoeld in hoofdstuk 3, § 12, onderdeel f, aan de uitzendvlag, waarbij de paradecommandant de vlaggenstok zover naar voren laat hellen (zonder te neigen) als nodig is voor het vastmaken van de vlaggenband; de C-OPCO keert daarna terug naar zijn plaats;
vlaggendrager meldt zich wederom bij de paradecommandant en neemt de uitzendvlag weer in ontvangst;
  * Bij meerdere uitzendvlaggen deze handelingen herhalen;
paradecommandant UITZENDVLAG(GEN) - INTREDEN en na het intreden: OP DE PLAATS - RUST;
parade-inspecteur verzoekt het Wilhelmus ten gehore te laten brengen;
paradecommandant commandeert achtereenvolgens: GEEFT - ACHT, BRENGT ERE - GROET en: MUZIEK - WILHELMUS en na afloop hiervan: IN DE HOUDING - STAAT en: OP DE PLAATS - RUST;
parade-inspecteur verzoekt de paradecommandant om de aangetreden eenheid af te melden;
paradecommandant GEEFT - ACHT en het eerbewijs, zoals bepaald in hoofdstuk 13, § 4, begeeft zich naar de parade-inspecteur en meldt de aangetreden eenheid af;
parade-inspecteur verlaat samen met de andere autoriteiten en zijn officieradjudant de plaats van de plechtigheid;
paradecommandant OP DE PLAATS - RUST, op het moment dat de parade-inspecteur uit het zicht van de aangetreden eenheid is verdwenen;
de eenheid is nu ter beschikking voor een aansluitende activiteit of is ter beschikking van de paradecommandant.

10. Uitreiking van een onderscheiding die postuum is toegekend

Indien een onderscheiding postuum is toegekend, wordt in overleg* met de Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD) en de familie van betrokkene bepaald, hoe en aan wie de bij de onderscheiding behorende medaille zal worden overhandigd.
* Op basis van de eventuele wilsbeschikking van de overledene of de wens van de betrokken nabestaanden.

Naar hoofdstuk 21