Hoofdstuk 2 Bijzondere bepalingen

Bepalingen ten aanzien van het Koninklijk Huis

1. Algemeen

  1. Een lid van het Koninklijk Huis ontvangt, ongeacht de door hem beklede militaire rang of functie, steeds de eerbewijzen die zijn voorgeschreven voor leden van het Koninklijk Huis. De militair die een lid van het Koninklijk Huis vergezelt, brengt geen eerbewijzen behalve in voorkomend geval de eregroet.
  2. Een vertegenwoordiger van H.M. de Koningin of van een ander lid van het Koninklijk Huis ontvangt geen andere eerbewijzen dan die, welke aan militairen (of burgers) van zijn rang worden bewezen. Overigens geniet hij de voorrang, verschuldigd aan de vorstelijke persoon die hij vertegenwoordigt.

2. Aanspreekvormen

  1. H.M. de Koningin wordt aangesproken met majesteit.
  2. Met koninklijke hoogheid worden aangesproken:
    1º. de Prins van Oranje;
    2º. prinses Máxima;
    3º. prinses Catharina-Amalia;
    4°. prinses Alexia;
    5°. prinses Ariane
    6º. prins Constantijn;
    7º. prinses Laurentien;
    8º. prinses Margriet;
  3. Met hoogheid worden aangesproken:
    1º. prins Maurits;
    2º. prinses Marilène;
    3º. prins Bernhard;
    4º. prinses Annette;
    5º. prins Pieter-Christiaan;
    6°. prinses Anita;
    7º. prins Floris;
    8°. prinses Aimée.
  4. Mr. Pieter van Vollenhoven wordt aangesproken met: meneer Van Vollenhoven.
  5. De volgende personen zijn geen lid van het Koninklijk Huis, maar worden desondanks toch met koninklijke hoogheid aangesproken:
    1°. prins Friso;
    2°. prinses Mabel;
    3°. prinses Irene;
    4°. prinses Christina;
    5°. prins Carlos;
    6°. prinses Margharita;
    7°. prins Jaime;
    8°. prinses Carolina.

3. Opwachting

Wanneer een militair aan H.M. de Koningin of aan een ander lid van het Koninklijk Huis wordt voorgesteld of zijn opwachting maakt, wordt voor een kort moment de houding aangenomen. De militaire groet blijft achterwege (zie ook § 10 ‘Het dragen van handschoenen’).

Overige bepalingen

4. Rangschikking van naast elkaar lopende militairen tijdens ceremoniële plechtigheden

  1. De militair laat de meerdere in rang rechts van zich lopen.
  2. Indien drie militairen naast elkaar lopen, verplaatst degene met de hoogste rang zich in het midden en de laagste in rang zich links van hem*.
  3. Bij een ceremoniële inspectie en bij de inspectie van een erewacht wordt van het hierboven gestelde afgeweken om de parade-inspecteur in de gelegenheid te stellen zo dicht mogelijk langs de door hem te inspecteren eenheden te lopen.
  4. De plaats van een paradecommandant is rechts van de parade-inspecteur*. Andere autoriteiten verplaatsen zich achter de parade-inspecteur en paradecommandant.
  5. Een officier-adjudant loopt twee pas linksachter de autoriteit aan wie hij is toegevoegd.

* Zie ook hoofdstuk 13, § 5, onderdeel a.

5. Aanspreekvormen algemeen

In het algemeen gelden de burgerlijke vormen van beleefdheid. De volgende richtlijnen dienen in acht te worden genomen:

  1. ministers, staatssecretarissen en ambassadeurs worden aangesproken met excellentie tenzij anders is bekendgemaakt;
  2. een militair wendt zich tot de hoogste in rang, indien hij een militair in diens gezelschap wil spreken; hij maakt zich bekend door duidelijk te zeggen wie hij is en wat hij wenst; bijvoorbeeld: ”Goedemorgen kolonel, kapitein Pieters; zou ik majoor Jansen mogen spreken?”;
  3. is degene die hij wenst te spreken in gesprek, dan wacht hij tot het gesprek is beëindigd; indien dringend, vraagt hij of hij mag storen.

6. Eerbewijzen aan / door militairen met een bijzondere taak

  1. Door de aan een autoriteit als adjudant toegevoegde officier en door de overige tot zijn gevolg behorende militairen worden, wanneer zij zich in de onmiddellijke nabijheid van de autoriteit bevinden, geen eerbewijzen gebracht, behalve in de volgende gevallen:
    1º. indien de autoriteit optreedt als commandant van een eenheid, brengen zij dezelfde eerbewijzen als voor de bij de eenheid ingedeelde officieren is voorgeschreven;
    2º. indien de autoriteit de eregroet brengt, brengen zij die eveneens, behalve indien zij tijdens het eerbewijs een taak moeten verrichten, zoals het voorlezen van een KB.
  2. Een als adjudant aan een autoriteit toegevoegde officier verplaatst zich bij officiële plechtigheden op twee passen links achter de autoriteit aan wie hij is toegevoegd.
  3. Indien de aan een autoriteit als adjudant toegevoegde officier of een tot zijn gevolg behorende militair zich niet in de onmiddellijke nabijheid van zijn chef bevindt, brengt hij de eerbewijzen van de individuele militair.
  4. Militairen die afzonderlijk staan opgesteld voor het afzetten van een ruimte, brengen de voorgeschreven eerbewijzen, tenzij een goede vervulling van hun taak dat niet toelaat.

7. Het melden en groeten door de commandant van een eenheid

  1. De commandant die het bevel voert over militairen en zich als zodanig bij een meerdere in rang meldt, doet dit zoals voorgeschreven in de DP 20-20, Handboek exercitie voor de krijgsmacht.
  2. Alvorens de hem onder bevel staande militairen te melden, laat hij hen de houding aannemen en in voorkomend geval de (ere)groet brengen (zie ook hoofdstuk 7).
  3. Van oefenende, onderricht ontvangende of rustende eenheden meldt alleen de commandant zich. Indien de (ere)groet moet worden gebracht, dient de eenheid eerst te worden opgesteld, waarna zowel de commandant als de eenheid, tijdens het melden, de (ere)groet brengen.
  4. De commandant van een stilstaande of marcherende eenheid brengt de militaire groet aan zijn commandant of aan een commandant die het hogere bevel over de eenheid voert, indien zij elkaar passeren.

8. Appèls

Appèls worden gehouden naar regels door de commandant van de eenheid te stellen, op voorwaarde dat het opstellen van de eenheid, het in- en uittreden van de commandanten en ook het verplaatsen van de commandanten gebeurt op de wijze zoals aangegeven in de DP 20-20, Handboek exercitie voor de krijgsmacht.

9. Betreden van een oorlogsschip

Alle militairen die aan boord van een oorlogsschip komen, maken front naar de vlag en brengen de eregroet. De onderofficier van de wacht brengt de groet aan de militair indien deze de rang heeft van sergeant of hoger, zoals voorgeschreven in hoofdstuk 9, § 8, onderdeel d.

10. Het dragen van handschoenen

Wanneer het dragen van handschoenen is voorgeschreven, worden deze niet uitgetrokken, indien de inspecterende autoriteit door het geven van een handdruk overgaat tot een persoonlijke begroeting van de militair, zelfs al heeft die autoriteit de handen ontbloot. Deze regel is eveneens van kracht, indien een vorstelijk persoon overgaat tot het geven van een handdruk.

Naar hoofdstuk 3