Hoofdstuk 18 De beëdiging

1. Algemeen

  1. De beëdiging van militairen vindt zijn grondslag in artikel 12a van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR). Beëdigingprocedures dienen met in achtneming van de daarin vermelde bepalingen en de hierna opgenomen nadere regels te worden uitgevoerd.
  2. De ongewapende militair legt de eed of belofte af in handen van de autoriteit, zoals aangegeven in § 3 van dit hoofdstuk.
  3. Beëdigingen dienen in beginsel voor het front van de eenheid plaats te vinden. De hiervoor bedoelde autoriteit is bevoegd naar omstandigheden anders te bepalen.
  4. In beginsel wordt een muziekkorps ingedeeld.
  5. De te beëdigen militair wordt beëdigd bij het krijgsmachtdeel, korps, wapen, dienstvak of regiment waarbij hij registratief is ingedeeld. Indien aan dat krijgsmachtdeel, korps, wapen, dienstvak of regiment een vaandel is toegekend, vindt de beëdiging op dat vaandel plaats.

2. Moment van beëdiging

  1. De beëdiging van een militair vindt zo spoedig mogelijk na de aanstelling plaats.
  2. Indien een militair bij zijn aanstelling is aangewezen voor een initiële opleiding, vindt de beëdiging zo spoedig mogelijk na het voltooien van die opleiding plaats.
  3. Een militair in opleiding voor officier wordt beëdigd na de datum van zijn benoeming tot officier.

3. Functionarissen die de eed afnemen; de beëdigingsautoriteit

  1. De eed wordt afgelegd in handen van een opper- of hoofdofficier en in zeer bijzondere gevallen van een subalterne officier.
  2. Indien de te beëdigen militair tot een vaandelvoerend korps, dienstvak of regiment behoort, treedt de betrokken regiments- of korpscommandant in principe op als beëdigingsautoriteit.
  3. Met inachtneming van het gestelde in onderdeel a, kan de vaandelvoerend commandant een andere beëdigingsautoriteit benoemen.

4. Plaats van beëdiging

  1. Een beëdiging vindt in principe plaats bij de eenheid, staf of inrichting, waar de te beëdigen militair is of wordt geplaatst.
  2. De militair wordt in beginsel beëdigd bij een onderdeel van zijn vaandelvoerende eenheid. Op verzoek van de militair kan hij desgewenst worden beëdigd bij de eenheid van plaatsing, niet zijnde de vaandelvoerende eenheid. De eed wordt dan in beginsel afgelegd in handen van de beëdigingsautoriteit zonder dat de te beëdigen militair een vaandelstok omvat. (Zie § 6.b en § 7.i)
  3. Beëdigingsautoriteiten kunnen in voorkomend geval een plechtigheid vaststellen van meer dan een vaandelvoerende eenheid, waardoor alle te beëdigen militairen op het eigen vaandel kunnen worden beëdigd.

5. Begeleiding

De met de organisatie van de beëdiging belaste officier wijst een functionaris aan die belast is met de begeleiding van de te beëdigen militairen. Hij begeleidt de te beëdigen militairen naar de plaats van opstelling en regelt de opstelling in de volgorde zoals in het KB of de MB staat vermeld. Hij staat opgesteld op twee passen afstand van de rechtervleugel van de te beëdigen militairen en meldt de te beëdigen militairen aan de beëdigingsautoriteit.

6. De wijze van beëdiging

  1. Algemeen
    Het afleggen van de mondelinge eedsformule of belofte geschiedt door elke individuele militair, ongeacht rang, stand of categorie op dezelfde wijze; de te beëdigen militair geeft aan of hij de eed of belofte af wenst te leggen; de beëdigingsautoriteit spreekt de beëdigingformule of belofte in vier gedeelten uit; ieder gedeelte wordt door de te beëdigen militair luid en duidelijk herhaald:
    1º. ik zweer (beloof) trouw aan de koningin;
    2º. gehoorzaamheid aan de wetten;
    3º. en onderwerping aan de krijgstucht;
    4º. (a) eedsformule: zo waarlijk helpe mij God Almachtig;
    (b) belofte: dat beloof ik;
  2. Beëdiging op het vaandel:
    1º. op aanwijzing van de beëdigingsautoriteit omvat de te beëdigen militair met ontblote linkerhand de vaandelstok direct boven de vaandelstok omvattende rechterhand van de vaandeldrager;
    2º. bij het KM en de KLu wordt door de te beëdigen militair niet de stok, maar de punt van het vaandeldoek vastgehouden;
    3º. op aanwijzing van de beëdigingsautoriteit heft de te beëdigen militair zijn ontblote rechterhand omhoog met opgestoken en aaneengesloten wijs- en middelvinger;
    4º. wordt in plaats van de eed de belofte afgelegd, dan blijft de rechterhand zoals in de houding;
  3. Indien de eenheid bereden is:
    1º. de militair stelt zich op schuin tegenover de standaard en de beëdigingsautoriteit;
    2º. conform het bepaalde onderdeel b.
  4. Beëdiging niet op het vaandel:
    1º. conform het bepaalde in onderdeel b;
    2º. een militair die niet op het vaandel wordt beëdigd, houdt zijn linkerarm gestrekt langs het lichaam.
  5. Beëdiging niet voor het front van de eenheid:
    1º. de procedure geschiedt op een door de beëdigingsautoriteit te bepalen plaats;
    2º. alle elementen genoemd in deze § zijn van toepassing;
    3º. bij een beëdiging, niet in de openlucht (b.v. op een bureau), wordt geen vaandel ingedeeld.

7. De beëdiging voor het front van de eenheid met ingedeeld vaandel

  1. De eenheden staan opgesteld zoals bepaald in hoofdstuk 12.
  2. Het in- en uittreden van het vaandel geschiedt, zoals bepaald in hoofdstuk 16.
  3. De aankomst van de beëdigingsautoriteit:
    de paradecommandant meldt de eenheid bij de beëdigingsautoriteit (tevens parade-inspecteur) na het eventueel voorgeschreven muzikaal eerbetoon, gevolgd door een ceremoniële inspectie of -begroeting (zie hoofdstuk 8, § 10 en hoofdstuk 13, § 4.
  4. De beëdigingsautoriteit neemt zijn plaats in vlak bij het spreekgestoelte, waarna de begeleidingsofficier de te beëdigen militair(en) meldt, en zich aansluitend weer rechts van de te beëdigen militairen(en) opstelt.
  5. De beëdigingsautoriteit (tevens parade-inspecteur) verzoekt de paradecommandant om de vaandelwacht te laten uittreden.
    De vaandelwacht neemt haar opstelling in op circa 15 meter in front van de beëdigingsautoriteit.
  6. Nadat C-vaandelwacht zich bij de beëdigingsautoriteit heeft gemeld, laat de paradecommandant de ban openen, indien een KB ten grondslag ligt aan het protocol; zie hoofdstuk 17.
  7. Nadat de ban is geopend, leest de officieradjudant van de beëdigingsautoriteit het KB voor en laat de paradecommandant daarna de ban sluiten.
  8. Indien militairen naar aanleiding van een MB worden beëdigd, leest de officieradjudant het MB voor.
  9. De beëdigingsautoriteit laat de vaandeldrager uittreden:
    1º. KM: alleen bij het Korps Mariniers, en bij uitzondering de Marine Luchtvaart Dienst, worden militairen op het vaandel beëdigd waarbij de te beëdigen militair het vaandeldoek vasthoudt; de te beëdigen militair en de autoriteit staan tegenover elkaar (de eerste: front naar de open zijde van het carré); de vaandeldrager staat rechts van beiden: front naar beiden; de vaandelstok blijft in de schoen van de bandelier;
    2º. KL en KMar: de vaandeldrager en te beëdigen militair(en): front naar de gesloten zijde van het carré; de vaandelstok blijft in de schoen van de bandelier;
    3º. KLu: de vaandeldrager en te beëdigen militair(en): front naar de open zijde van het carré; de vaandeldrager heeft tijdens de beëdiging de vaandelstok bij de voet; de te beëdigen militair houdt het vaandeldoek vast.
  10. De paradecommandant commandeert: OP DE PLAATS - RUST*.
    * De vaandeldrager blijft in de houding staan.
  11. De officier, belast met de begeleiding van de te beëdigen militairen, laat beurtelings de te beëdigen militairen uittreden en rechts van de vaandeldrager plaatsnemen.
  12. De beëdigingsautoriteit geeft aanwijzingen m.b.t. het vastpakken van de vaandelstok of vaandeldoek en het heffen van de rechterhand en laat iedere te beëdigen militair conform § 6 van dit hoofdstuk, individueel de eed of belofte afleggen.
  13. Direct na het afleggen van de eed treedt de zojuist beëdigde militair weer in.
  14. Nadat de laatste militair is beëdigd, laat de paradecommandant de eenheid de houding aannemen, waarna de beëdigingsautoriteit de vaandeldrager laat intreden.
  15. De paradecommandant laat de vaandelwacht intreden en commandeert de eenheid: OP DE PLAATS - RUST. Hierna kan de regiments-, onderdeels-, of defileermars worden gespeeld, waarna de beëdigingsautoriteit een korte toespraak houdt.
  16. Na de toespraak commandeert de paradecommandant: GEEFT - ACHT, BRENGT ERE - GROET en: MUZIEK - WILHELMUS.
  17. Nadat het Wilhelmus is gespeeld, commandeert de paradecommandant: IN DE HOUDING - STAAT en: OP DE PLAATS - RUST.
  18. De beëdigingsautoriteit verzoekt de paradecommandant om de eenheden af te melden (zie hoofdstuk 13, § 5, onderdeel l), en verlaat de plaats van de plechtigheid.
  19. Nadat de beëdigingsautoriteit uit zicht is verdwenen, laat de paradecommandant de vaandelwacht uittreden en vervolgens de zojuist beëdigde militairen afmarcheren.
  20. De paradecommandant bedankt de niet-ingedeelde militairen en genodigden en nodigt hen uit voor een receptie.
  21. Nadat de niet-ingedeelden en genodigden uit het zicht zijn verdwenen, stelt de paradecommandant de eenheden ter beschikking van hun respectievelijke commandanten.

Bijzonderheden

Indien de standaardwacht bereden is en de eenheid is niet bereden, dient onderdeel i als volgt gelezen te worden:
De beëdigingsautoriteit laat de standaarddrager uittreden (een paardlengte voorwaarts) en de standaard overgeven aan de standaarddrager te voet. De standaarddrager stelt zich vervolgens drie passen links van de beëdigingsautoriteit met het front naar de eenheid op.Onderdeel ‘n’ dient als volgt te worden gelezen.
Nadat de laatste militair is beëdigd, laat de paradecommandant de eenheid de houding aannemen, waarna op aanwijzing van de beëdigingsautoriteit de standaarddrager zich naar de standaardwacht begeeft en de standaard overgeeft aan de bereden standaarddrager. Vervolgens treedt deze weer in.

8. Overige bijzonderheden

  1. Indien tijdens de plechtigheid meer dan één vaandel is ingedeeld, wordt tijdens het in- en uittreden van de vaandeldrager de houding gecommandeerd.
  2. Indien alleen militairen beneden de rang van tweede luitenant (via een MB) worden beëdigd, blijft de voorgeschreven ceremonie m.b.t. het openen en sluiten van de ban achterwege.
  3. Bij de KM, de KLu en bij enkele regimenten treedt de vaandeldrager uit zonder dat de vaandelwacht zich verplaatst. Daartoe wordt de vaandelwacht in de opstelling van de eenheden recht tegenover de beëdigingsautoriteit geplaatst.
  4. Militairen van de KM worden beëdigd met ontbloot hoofd, evenals de autoriteit die de eed afneemt. De pet of muts wordt direct vóór het afleggen van de eed afgegeven en vóór het intreden weer aangereikt en opgezet.

9. De beëdiging voor het front van de bereden eenheid met ingedeelde standaard

Deze ceremonie geschiedt conform het gestelde in § 7 met dien verstande, dat er voor de bereden beëdigingsautoriteit geen spreekgestoelte nodig is en dat de onderdelen e, i, k en l als volgt moeten worden gelezen:

7e. De standaardwacht exerceert naar haar opstelling circa twee paardlengten (vijf meter) rechts dwars naast de beëdigingsautoriteit, aansluitend meldt de begeleidingsofficier de te beëdigen militairen bij de beëdigingsautoriteit en stelt zich vervolgens weer rechts naast de te beëdigen militairen op.

7i. De beëdigingsautoriteit laat de standaarddrager uittreden en zich op één paardlengte voor de standaardwacht opstellen.

7k. De officier, belast met de begeleiding van de te beëdigen militairen, laat beurtelings de te beëdigen militairen uittreden en zich opstellen schuin tegenover de standaard en de beëdigingsautoriteit.

7l. De beëdigingsautoriteit geeft aanwijzingen m.b.t. het heffen van de rechterhand en laat iedere te beëdigen militair conform § 6 van dit hoofdstuk de eed of belofte afleggen.

10. Beëdiging bij de KMar

  1. De militair wordt in beginsel beëdigd op het Opleidingscentrum KMar, aan het einde van de initiële opleiding die met goed gevolg dient te zijn afgerond.
  2. Indien de te beëdigen KMar-militair voor zijn initiële opleiding bij de KMar afkomstig is van een ander krijgsmachtdeel en daar reeds beëdigd is, of reeds is beëdigd als militair bij de KMar, zal hij niet opnieuw worden beëdigd als opsporingsambtenaar. Wel zal hij zijn ingedeeld / opgesteld staan bij de te beëdigen militairen.
  3. De beëdiging vindt plaats door een hoofdofficier van de KMar op de standaard van de KMar.
  4. De wijze van beëdigen geschiedt zoals vermeld in § 6.
  5. Indien eenheden van de KMar bewapend zijn met het dienstpistool Glock-17 in de dutyholster, wordt op het commando: PRESENTEERT - GEWEER de eregroet gebracht en op het commando IN DEN ARM - GEWEER de groet.

Beëdiging op de standaard van de Koninklijke Marechaussee

Naar hoofdstuk 19