Hoofdstuk 16 Ceremonieel met het vaandel

1. Intreden van een vaandel en vaandelwacht

Algemeen

Voor de exercitie met het vaandel en de door C-vaandelwacht te geven commando’s zie de DP 20-20: Handboek exercitie voor de krijgsmacht, hoofdstuk 9.
Zodra de vaandelwacht is ingetreden, volgt deze de commando’s van de paradecommandant. C-vaandelwacht herhaalt de vigerende (overeenkomstige) commando’s, bestemd voor de vaandelwacht (zie ook hoofdstuk 1, § 2, onderdeel d).

  1. De vaandelwacht treedt aan op linie, op twee gelederen en stelt zich op voor de ingang van het gebouw waar het vaandel (zo nodig tijdelijk) wordt bewaard.
  2. C-vaandelwacht zet de vaandelwacht: OP DE PLAATS - RUST, begeeft zich met de vaandeldrager naar het bureau van de vaandelvoerend commandant en meldt zich gereed voor het in ontvangst nemen van het vaandel.
  3. De vaandeldrager haalt, in aanwezigheid van C-vaandelwacht, het vaandel op.
  4. Op het moment dat de vaandeldrager met het vaandel in zicht komt, commandeert de oudste onderofficier: VAANDELWACHT GEEFT - ACHT en: VAANDELWACHT PRESENTEERT – GEWEER, waarna de vaandeldrager zijn plaats in het voorste gelid inneemt, terwijl C-vaandelwacht zich rechts van het voorste gelid opstelt en het commando overneemt door het commando: VAANDELWACHT ZET AF - GEWEER *.
    * Vanaf dit moment wordt het vaandel geacht ‘te zijn ontplooid’ en moeten de verschuldigde eerbewijzen aan het vaandel worden gebracht, ook door niet ingedeelde militairen (aangetreden of op de tribune gezeten).
    Burgers: tijdens het passeren, in- en uittreden van een vaandel: opstaan en indien heren een hoofddeksel dragen, zetten zij dit af.
  5. C-vaandelwacht marcheert de vaandelwacht in over geweer af naar de plaats van de ceremonie om aldaar in te treden.
  6. Zodra het vaandel in het zicht komt van de opgestelde eenheden, commandeert de paradecommandant: GEEFT - ACHT.
  7. C-vaandelwacht manoeuvreert de vaandelwacht op tien passen in front van de paradecommandant (front vaandelwacht: naar open zijde van het carré) en commandeert: VAANDELWACHT: ZET AF - GEWEER en meldt de vaandelwacht.
  8. De paradecommandant commandeert vervolgens: PRESENTEERT - GEWEER en C-vaandelwacht: VAANDELWACHT PRESENTEERT - GEWEER.
  9. De paradecommandant geeft het ingedeelde muziekkorps opdracht de vaandel- of standaardmars te spelen, door aan te geven: MUZIEK - VAANDELMARS. Het muziekkorps speelt de vaandel- of standaardmars, gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus.
  10. De paradecommandant vervolgt met: ZET AF - GEWEER, en C-vaandelwacht met: VAANDELWACHT ZET AF - GEWEER.
  11. De paradecommandant geeft de aanwijzing vaandelwacht intreden, waarna C-vaandelwacht commandeert: VAANDELWACHT OVER - GEWEER en vervolgens de vaandelwacht bij de opgestelde eenheden laat intreden.
  12. Nadat de vaandelwacht op de voor hem bestemde plaats is aangekomen, commandeert C-vaandelwacht: VAANDELWACHT ZET AF - GEWEER. De paradecommandant vervolgt met: OP DE PLAATS - RUST, en C-vaandelwacht met: VAANDELWACHT OP DE PLAATS - RUST.
  13. In de ruststand dient de vaandelstok te allen tijde vóór en tegen de punt van de rechtervoet te worden geplaatst (niet in de schoen van de bandelier houden).
  14. De geplande plechtigheid kan nu aanvangen.

2. Intreden van een standaard en een bereden standaardwacht

  1. De eenheid staat aangetreden in de houding gereed sabel tegenover de ingang van het gebouw waar de standaard (zo nodig tijdelijk) wordt bewaard. De eenheid treedt aan op linie, afhankelijk van de beschikbare ruimte op één gelid, op twee of op meer gelederen; de standaardwacht op twee gelederen midden, dwars voor de eenheid, de standaarddrager uitgetreden op één paardlengte vóór het eerste gelid van de standaardwacht.
  2. De standaardvoerend commandant, of bij verhindering van deze een daartoe aangewezen onderofficier, begeeft zich met de standaard naar buiten.
  3. Zodra de standaard in het zicht komt van de opgestelde eenheden, commandeert de paradecommandant: DRAAGT - SABEL en C-standaardwacht: STANDAARDWACHT DRAAGT - SABEL.
  4. De standaardvoerend commandant, dan wel de aangewezen onderofficier, stelt zich op vóór de standaarddrager.
  5. De paradecommandant commandeert vervolgens: PRESENTEERT - SABEL, C-standaardwacht: STANDAARDWACHT PRESENTEERT - SABEL.
  6. De paradecommandant geeft het ingedeelde muziekkorps, of muzikant, opdracht de mars te spelen, door het commando: MUZIEK - STANDAARDMARS. Het muziekkorps of de muzikant speelt de mars, gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus.
  7. De standaardvoerend commandant, dan wel de aangewezen onderofficier, overhandigt de standaard aan de standaarddrager, groet de standaard en marcheert af.
  8. De paradecommandant vervolgt met het commando: DRAAGT - SABEL, en C-standaardwacht met: STANDAARDWACHT DRAAGT - SABEL.
  9. De paradecommandant geeft het commando: STANDAARDWACHT - INTREDEN, en C-standaardwacht: STANDAARDWACHT - OPSLUITEN, waarop de standaardwacht de standaarddrager insluit en C-standaardwacht vervolgens de standaardwacht bij de opgestelde eenheden laat intreden.
  10. Nadat de standaardwacht op de voor hem bestemde plaats is aangekomen, commandeert de paradecommandant: GEREED - SABEL, en C-standaardwacht: STANDAARDWACHT GEREED - SABEL.
  11. De geplande plechtigheid kan nu aanvangen.
  12. Indien de eenheid zich niet bevindt in de nabijheid van het gebouw waar de standaard (tijdelijk) wordt bewaard, geschiedt het overreiken van de standaard aan de standaarddrager als volgt:
    1º. de standaardwacht staat aangetreden in de houding gereed sabel tegenover de ingang van het gebouw waar de standaard (zo nodig tijdelijk) wordt bewaard, in linie op twee gelederen, de standaarddrager uitgetreden op één paardlengte vóór het eerste gelid van de standaardwacht;
    2º. de standaardvoerend commandant, of bij verhindering een daartoe aangewezen onderofficier, begeeft zich met de standaard naar buiten;
    3º. zodra de standaard in het zicht komt van de opgestelde eenheden, commandeert C-standaardwacht: STANDAARDWACHT DRAAGT - SABEL;
    4º. de standaardvoerend commandant, dan wel de aangewezen onderofficier, stelt zich op vóór de standaarddrager;
    5º. C-standaardwacht commandeert: STANDAARDWACHT PRESENTEERT - SABEL;
    6º. de standaardvoerend commandant, dan wel de aangewezen onderofficier, overhandigt de standaard aan de standaarddrager, groet de standaard en marcheert af;
    7º. C-standaardwacht vervolgt met het commando: STANDAARDWACHT DRAAGT - SABEL;
    8º. C-standaardwacht commandeert: STANDAARDWACHT - OPSLUITEN en marcheert vervolgens de standaardwacht af naar de plaats van de ceremonie; zodra de standaard in het zicht komt van de opgestelde eenheden, commandeert de paradecommandant: DRAAGT - SABEL dan wel: GEEFT - ACHT, afhankelijk van de bewapening van de eenheid;
    9º. C-standaardwacht manoeuvreert de standaardwacht op drie paardlengten (7,5 meter) in front van de paradecommandant en meldt de standaardwacht aangetreden.

Het verdere verloop van de plechtigheid geschiedt overeenkomstig het gestelde in § 1 de onderdelen h, tot en met n van dit hoofdstuk.

3. Uittreden van een vaandel en vaandelwacht

Het uittreden van het vaandel, alsmede de terugkeer naar de plaats waar de vaandelwacht voor het eerst aantrad, geschiedt op de wijze zoals in § 1 dan wel in § 2 is vermeld, echter in omgekeerde volgorde. Nadat C-vaandelwacht en de vaandeldrager het vaandel hebben teruggebracht, rukt de vaandelwacht in.

4. De uitreiking van een vaandel

  1. De eenheden staan opgesteld zoals is bepaald in hoofdstuk 12.
  2. De vaandelwacht staat aangetreden met vaandeldrager, echter zonder vaandel.
  3. Twee onderofficieren staan aangetreden met het in het foedraal gehulde vaandel. Zij stellen zich op tegenover de eenheden aan de open zijde van het carré, op vijf passen schuin rechts van de plaats, die aangemerkt is als de plaats van waaruit H.M. de Koningin (of de autoriteit die namens haar) het vaandel zal uitreiken.
  4. Na aankomst van H.M. de Koningin begint de ceremonie met het muzikaal eerbetoon, meldt de paradecommandant de aangetreden eenheden aan de parade-inspecteur (H.M. de Koningin) en vindt de ceremoniële inspectie plaats.
  5. Nadat H.M. de Koningin haar plaats bij de katheder heeft ingenomen, wordt het ceremonieel vervolgd met:
    1º. uittreden vaandelwacht; deze neemt via de kortste weg de opstelling in op circa tien passen in front van de paradecommandant (de eenheden staan daarbij in de houding); vóór de overhandiging ontdoen beide onderofficieren het vaandel van het foedraal;
    2º. de paradecommandant laat de geweren presenteren; zie hoofdstuk 17, § 1, onderdeel a;
    3º. zodra de vaandelwacht staat opgesteld, overhandigt één van de onderofficieren het vaandel aan H.M. de Koningin; de onderofficier die het vaandel overreikt aan H.M. de Koningin doet dit met het vaandel diagonaal voor de borst, linkerhand boven, rechterhand onder, zodat H.M. de Koningin het vaandel kan aannemen met haar rechterhand boven en linkerhand onder; de vaandelvoerend commandant die het vaandel ontvangt staat drie passen vóór, tegenover H.M. de Koningin; zodra H.M. de Koningin het vaandel ontvangen heeft, maakt de onderofficier twee passen naar rechts en marcheert af; bij de eerste zijwaartse pas maakt de vaandelvoerend commandant drie verkorte passen voorwaarts;
    4º. H.M. de Koningin overhandigt het vaandel aan de vaandelvoerend commandant, die het vaandel met ontblote handen overneemt;
    5º. hij plaats vervolgens het vaandel met de stok op de grond vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet, waarbij de vaandelstok enigszins voorover helt;
    6º. de geweren worden afgezet en de eenheden worden in de rusthouding gecommandeerd, de vaandelvoerend commandant blijft in de houding staan, waarna H.M. de Koningin een toespraak houdt;
    7º. na het einde van de toespraak worden de eenheden wederom in de houding gecommandeerd, treedt de vaandeldrager uit, vervolgt de vaandelvoerend commandant met het overhandigen van het vaandel aan de vaandeldrager, waarna de vaandeldrager (nu met vaandel) drie passen achterwaarts maakt alvorens rechtsomkeert te maken en in de vaandelwacht intreedt;
    8º. de paradecommandant laat de geweren presenteren, waarna het Wilhelmus wordt gespeeld; aansluitend laat de paradecommandant de vaandelwacht intreden, waarbij de vaandelwacht langs het front van de eenheden marcheert;
    9º. de eenheden staan hierbij in de houding met gepresenteerd geweer;
    10º. de paradecommandant meldt H.M. de Koningin het einde van de plechtigheid, waarna H.M. de Koningin, na het muzikale eerbetoon, de plaats van de plechtigheid verlaat; de paradecommandant commandeert: ZET AF - GEWEER, zodra H.M. de Koningin uit het zicht is van de aangetreden eenheden.
  6. De vaandelwacht treedt vervolgens uit als aangegeven in § 1 en § 2 van dit hoofdstuk, waarna de eenheden ter beschikking zijn.

Bijzonderheden: Indien door derden namens H.M. de Koningin een vaandel wordt uitgereikt, dient voorafgaand aan het voorlezen van het KB de ban te worden geopend en na afloop te worden gesloten.

5. De vervanging van een vaandel

  1. De vervanging van een vaandel vanwege slijtage, geschiedt in principe zonder enig ceremonieel.
  2. In bijzondere omstandigheden, waarbij enig ceremonieel gewenst is, dient vooraf toestemming van de C-OPCO te worden verkregen en wordt het betreffende ceremonieel vastgesteld.

6. Het innemen van een vaandel

  1. De eenheden staan opgesteld zoals bepaald is in hoofdstuk 12.
  2. De vaandelwacht is op de voorgeschreven wijze ingetreden (zie § 1).
  3. Twee onderofficieren staan aangetreden op vijf passen schuin rechts van de plaats, die is aangemerkt als de plaats van waaruit de autoriteit het vaandel zal innemen.
  4. Na aankomst van de autoriteit begint de ceremonie met het muzikaal eerbetoon, meldt de paradecommandant de aangetreden eenheden aan de parade-inspecteur en vindt de ceremoniële inspectie of -begroeting plaats.
  5. Nadat de autoriteit zijn plaats bij het spreekgestoelte heeft ingenomen, wordt het ceremonieel vervolgd met:
    1º. de vaandelwacht treedt uit en marcheert langs de opgestelde eenheden naar een opstelling circa tien passen in front van de paradecommandant; de eenheden staan daarbij in de houding met de geweren gepresenteerd;
    2º. zodra de vaandelwacht haar plaats heeft ingenomen, laat de paradecommandant de geweren afzetten waarna C-vaandelwacht de vaandelwacht meldt;
    3º. de paradecommandant laat de geweren presenteren, de ban openen, het KB voorlezen (door de officieradjudant van de autoriteit), vervolgens de ban sluiten en de geweren afzetten;
    4º. de vaandeldrager treedt uit en overhandigt aansluitend het vaandel aan de paradecommandant, die het vaandel met ontblote handen aanneemt;
    5º. de paradecommandant overhandigt het vaandel aan de autoriteit, terwijl op datzelfde moment één van beide onderofficieren zich bij de autoriteit opstelt;
    6º. de autoriteit draagt vervolgens het vaandel over aan de onderofficier, die terug gaat naar zijn oorspronkelijke plaats van opstelling en plaatst het vaandel met de stok op de grond, vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet, waarbij de vaandelstok iets naar voren helt; de vaandelwacht (zonder vaandel) treedt weer in;
    7º. de paradecommandant laat de geweren afzetten en de eenheid de rusthouding aannemen; (beide onderofficieren blijven in de houding staan) hierna houdt de autoriteit zijn toespraak;
    8º. na het einde van de toespraak wordt de eenheid door de paradecommandant in de houding gecommandeerd en worden de geweren gepresenteerd, waarna het Wilhelmus ten gehore wordt gebracht;
    9º. nadat het Wilhelmus is beëindigd en de geweren zijn afgezet, wordt het vaandel door beide onderofficieren om de vaandelstok gerold en wordt de vaandelstok gebroken (uit elkaar geschroefd); vervolgens verlaten beide onderofficieren naast elkaar de plaats van de ceremonie langs de kortste weg, met ieder een deel van het vaandel en de vaandelstok; de eenheid staat tijdens deze afmars in de houding;
    10º. nadat beide onderofficieren uit het zicht van de aangetreden eenheid zijn, meldt de paradecommandant de eenheid af bij de autoriteit, die vervolgens de plaats van de plechtigheid verlaat.
  6. De eenheid is nu ter beschikking van de paradecommandant.
  7. Aangezien de vaandelwacht nu zonder vaandel marcheert, vindt de ceremonie van het uittreden niet meer plaats. Evenmin is het gepast om tijdens de afmars de vaandelexercitie toe te passen.

7. Het hechten van een cravate aan een vaandel

  1. De eenheid staat opgesteld zoals aangegeven in hoofdstuk 12; als paradecommandant treedt een daartoe aangewezen hoofdofficier op.
  2. De vaandelwacht is reeds op de voorgeschreven wijze ingetreden; vijf passen schuin rechts achter het spreekgestoelte staat een onderofficier die de cravate meevoert.
  3. De autoriteit arriveert samen met de vaandelvoerend commandant.
  4. Na aankomst van de autoriteit en de vaandelvoerend commandant, begint de ceremonie met het muzikaal eerbetoon, meldt de paradecommandant de aangetreden eenheid aan de autoriteit / parade-inspecteur en vindt de ceremoniële inspectie plaats.
  5. Nadat de autoriteit en de vaandelvoerend commandant bij de katheder zijn gearriveerd, wordt het ceremonieel vervolgd met:
    1º. de vaandelwacht treedt uit; neemt via de kortste weg de opstelling in op circa tien passen vóór het spreekgestoelte; de eenheid staat daarbij in de houding;
    2º. vervolgens laat de paradecommandant de geweren presenteren en de ban openen waarna de officieradjudant van de autoriteit het KB voorleest; nadat het KB is voorgelezen, laat de paradecommandant de ban sluiten en de geweren afzetten (zie hoofdstuk 17, § 1, onderdeel a);
    3º. de vaandeldrager treedt uit tot ongeveer drie passen vóór het spreekgestoelte en overhandigt aldaar het vaandel aan de vaandelvoerend commandant; deze maakt rechtsomkeert met het vaandel en plaatst het vaandel vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet; de vaandeldrager treedt weer in bij de vaandelwacht;
    4º. de onderofficier die de cravate meevoert, overhandigt nu de cravate aan de autoriteit, die zich vervolgens naar het vaandel begeeft, terwijl de vaandelvoerend commandant het vaandel optilt en zoveel naar voren laat overhellen (zonder te neigen) als voor de autoriteit nodig is om de cravate aan het vaandel te hechten; de cravate wordt nu door de autoriteit aan de vaandelstok bevestigd;
    5º. de vaandelvoerend commandant plaatst het vaandel wederom vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet, waarbij de vaandelstok iets naar voren helt;
    6º. de eenheid wordt in de rusthouding gecommandeerd door de paradecommandant; (de vaandelvoerend commandant blijft in de houding staan) hierna houdt de autoriteit een toespraak;
    7º. na het einde van de toespraak wordt de eenheid wederom in de houding gecommandeerd, treedt de vaandeldrager uit, vervolgt de vaandelvoerend commandant met het overhandigen van het vaandel aan de vaandeldrager, waarna deze (nu met vaandel en aangehechte cravate) in de vaandelwacht intreedt; de vaandelvoerend commandant stelt zich weer op naast de autoriteit;
    8º. de paradecommandant laat de geweren presenteren, waarna het Wilhelmus wordt gespeeld; aansluitend laat de paradecommandant de geweren afzetten en de vaandelwacht intreden, waarbij de vaandelwacht langs het front van de eenheid marcheert; de eenheid staat daarbij in de houding;
    9º. de paradecommandant meldt de eenheid af aan de autoriteit / parade-inspecteur, waarna de autoriteit en de vaandelvoerend commandant de plaats van de plechtigheid verlaten.
  6. De vaandelwacht treedt op de voorgeschreven wijze uit, waarna de eenheid ter beschikking is.

Bijzonderheden: Het in § 4 tot en met § 7 besproken ceremonieel kan bij de eenheden met een bereden standaardwacht op overeenkomstige wijze worden uitgevoerd.

Naar hoofdstuk 17