Verdrag inzake clustermunitie

Openstelling voor ondertekening 30 mei 2008
Ondertekening voor Koninkrijk der Nederlanden  
   
- Koninkrijk der Nederlanden partij  
in Europa 1 augustus 2011
Bonaire 1 augustus 2011
Sint Eustatius 1 augustus 2011
Saba 1 augustus 2011
Aruba  
Curaçao  
Sint Maarten  
   
Tekst bekendgemaakt in 2009-45, 2011-68
Nederlandse vertaling in  
Laatste officiële publicatie  
Defensie publicatie  
Kamerstukken II 32187 (R1902)
Kamerstukken I  
Goedkeuring Staten Generaal  
Staatsblad 2011, 66
(Rijks)wet in  
Uitvoeringswet-/regelgeving  
Inwerkingtreding 1 augustus 2010

Artikel 1 Algemene verplichtingen en werkingssfeer

1. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe onder geen enkele omstandigheid:

  1. clustermunitie te gebruiken;
  2. rechtstreeks of onrechtstreeks clustermunitie te ontwikkelen, te produceren, anderszins te verwerven, op te slaan, aan te houden of aan derden over te dragen;
  3. enige activiteit die op grond van dit Verdrag verboden is voor een Staat die Partij is te steunen, aan te moedigen of derden ertoe aan te zetten.

2. Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op explosieve kleine bommen die specifiek ontworpen zijn om vanuit aan luchtvaartuigen bevestigde houders te worden verspreid of te worden losgelaten.

3. Dit Verdrag is niet van toepassing op mijnen.

Artikel 2 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

1. wordt verstaan onder „slachtoffers van clustermunitie” alle personen die als gevolg van het gebruik van clustermunitie zijn gedood of fysiek of psychisch letsel hebben opgelopen, economische verliezen hebben geleden, maatschappelijk zijn uitgesloten of die bij de verwezenlijking van hun rechten ernstig zijn belemmerd. Tot deze slachtoffers behoren de personen die rechtstreeks de gevolgen van clustermunitie hebben ondervonden alsmede hun getroffen familie en gemeenschap;

2. wordt verstaan onder „clustermunitie” conventionele munitie die ontworpen is om explosieve submunities die elk minder wegen dan 20 kilogram te verspreiden of los te laten en omvat mede deze explosieve submunities. Het volgende wordt er niet onder verstaan:

  1. munitie of submunitie die is ontwikkeld om vuursignalen, rook, pyrotechnische effecten of antiradarsneeuw af te geven of munitie die uitsluitend voor luchtafweer is ontworpen;
  2. munitie of submunitie die is ontworpen om elektrische of elektronische effecten te bereiken;
  3. munitie die, teneinde niet-onderscheidende effecten binnen het gebied en de risico’s van onontplofte submunities te vermijden, alle onderstaande kenmerken bezit:
    i. elk stuk munitie bevat minder dan tien explosieve submunities;
    ii. elke explosieve submunitie weegt meer dan vier kilogram;
    iii. elke explosieve submunitie is ontworpen om een enkel object (het doel) te detecteren en aan te vallen;
    iv. elke explosieve submunitie is uitgerust met een elektronisch zelfvernietigingsmechanisme;
    v. elke explosieve submunitie is uitgerust met een elektronisch zelfdeactivatiemechanisme;

3. wordt verstaan onder „explosieve submunitie” conventionele munitie die teneinde haar taak uit te voeren wordt verspreid of losgelaten door een stuk clustermunitie en functioneel ontworpen is om een explosieve lading te doen ontploffen voorafgaande aan, op het moment van, of na de inslag;

4. wordt verstaan onder „gefaalde clustermunitie” clustermunitie die is afgevuurd, afgeworpen, gelanceerd, afgeschoten of anderszins is gelost en die haar explosieve submunities had moeten verspreiden of loslaten maar dat niet heeft gedaan;

5. wordt verstaan onder „onontplofte submunitie” explosieve submunitie die is verspreid of losgelaten door, of anderszins is losgekomen van, clustermunitie en tot ontploffing had moeten komen maar dat niet heeft gedaan;

6. wordt verstaan onder „achtergelaten clustermunitie” clustermunitie of explosieve submunitie die niet is gebruikt en die is achtergelaten of gedumpt en niet meer onder de zeggenschap valt van de partij die deze heeft achtergelaten of gedumpt; Deze achtergelaten clustermunitie of explosieve submunitie kan al dan niet voor gebruik zijn voorbereid;

7. wordt verstaan onder „resten van clustermunitie” gefaalde clustermunitie, achtergelaten clustermunitie, onontplofte submunitie en onontplofte kleine bommen;

8. wordt verstaan onder „overdracht” naast de fysieke verplaatsing van clustermunitie naar of van het grondgebied van een staat, de overdracht van het eigendomsrecht en van de zeggenschap over de clustermunitie, maar niet de overdracht van een grondgebied waarop de resten van clustermunitie zich bevinden;

9. wordt verstaan onder „zelfvernietigingsmechanisme” een automatisch-werkend mechanisme dat naast het primaire ontstekingsmechanisme in de munitie is opgenomen en zorgt voor de vernietiging van de munitie waarin het is opgenomen;

10. wordt verstaan onder „zelfdeactivering” het automatisch buiten werking stellen van munitie door middel van onomkeerbare uitputting van een onderdeel, bijvoorbeeld een batterij, dat essentieel is voor het functioneren van de munitie;

11. wordt verstaan onder „een door clustermunitie getroffen gebied” een gebied waarvan bekend is of ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat de resten van clustermunitie zich er bevinden;

12. wordt verstaan onder „mijn” een stuk munitie ontworpen om te worden geplaatst onder, op of vlak boven de grond of ander oppervlak en te exploderen door de aanwezigheid of nabijheid van of het contact met een persoon of voertuig;

13. wordt verstaan onder „explosieve kleine bom” een stuk conventionele munitie, dat minder dan 20 kilogram weegt, geen eigen aandrijving heeft en dat, teneinde zijn taak uit te voeren, wordt verspreid of losgelaten vanuit een houder en functioneel ontworpen is om een explosieve lading te laten ontploffen voorafgaand aan, op het moment van, of na de inslag;

14. wordt verstaan onder „houder” een container die ontworpen is om explosieve kleine bommen te verspreiden of los te laten en die op het moment van verspreiding of loslaten aan een luchtvaartuig bevestigd is;

15. wordt verstaan onder „onontplofte kleine bom” een explosieve kleine bom die is verspreid, losgelaten of anderszins is gelost uit een houder en tot ontploffing had moeten komen maar dat niet heeft gedaan.

Artikel 3 Opslag en vernietiging van voorraden

1. Elke Staat die Partij is draagt, in overeenstemming met de nationale regelgeving, zorg voor het scheiden van alle clustermunitie die onder zijn rechtsmacht en zeggenschap valt van de munitie voor operationele inzet en voor het markeren ervan voor vernietiging.

2. Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie zo snel als mogelijk is, evenwel uiterlijk acht jaar nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, te vernietigen of de vernietiging ervan te waarborgen. Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe te waarborgen dat de vernietigingsmethoden voldoen aan de toepasselijke internationale normen voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu.

3. Indien een Staat die Partij is meent niet in staat te zijn alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie te vernietigen of de vernietiging ervan te waarborgen binnen acht jaar nadat het Verdrag voor die Partij in werking is getreden, kan hij bij een Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie een verzoek indienen om de termijn voor het voltooien van de vernietiging van dergelijke clustermunitie met ten hoogste vier jaar te verlengen. In uitzonderlijke omstandigheden mag een Staat die Partij is om aanvullende verlengingen van ten hoogste vier jaar verzoeken. De gevraagde verlengingen mogen het aantal jaren dat deze Staat die Partij is strikt genomen nodig heeft om aan zijn verplichtingen ingevolge het tweede lid van dit artikel te voldoen niet overschrijden.

4. Elk verzoek om verlenging dient het volgende te omvatten:

  1. de duur van de voorgestelde verlenging;
  2. een gedetailleerde uitleg van de voorgestelde verlenging, met inbegrip van de financiële en technische middelen waarover de Staat die Partij is kan beschikken of die hij nodig heeft voor de vernietiging van alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde clustermunitie en, wanneer van toepassing, de uitzonderlijke omstandigheden die deze verlenging rechtvaardigen;
  3. een plan waarin wordt aangegeven hoe de vernietiging van de voorraden zal plaatsvinden en wanneer deze zal zijn voltooid;
  4. de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve submunitie die worden aangehouden op het moment waarop dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking treedt en alle andere clustermunitie of explosieve submunitie die na de inwerkingtreding wordt ontdekt;
  5. de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve submunitie die tijdens de in het tweede lid van dit artikel bedoelde termijn zijn vernietigd; en
  6. de hoeveelheden en soorten clustermunitie en explosieve submunitie die nog vernietigd dienen te worden tijdens de voorgestelde verlenging en de hoeveelheid die naar verwachting jaarlijks vernietigd zal worden.

5. De Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie beoordeelt, rekening houdend met de in het vierde lid van dit artikel bedoelde factoren, het verzoek en besluit met een meerderheid van de stemmen van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen of het verzoek om verlenging wordt toegestaan. De Staten die Partij zijn kunnen besluiten een kortere verlenging toe te staan dan waarom werd verzocht en kunnen benchmarks voor de verlenging voorstellen, al naargelang van toepassing. Een verzoek om verlenging wordt ten minste negen maanden voor de Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie waar het verzoek zal worden behandeld ingediend.

6. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag is het toegestaan een beperkt aantal stuks clustermunitie en explosieve submunitie aan te houden of te verwerven ten behoeve van ontwikkeling en training op het gebied van technieken voor het opsporen, ruimen of vernietigen van clustermunitie en explosieve submunitie, of voor het ontwikkelen van tegenmaatregelen met betrekking tot clustermunitie. De hoeveelheid explosieve submunitie die wordt aangehouden of verworven mag niet groter zijn dan hetgeen voor deze doeleinden strikt noodzakelijk is.

7. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag is het toegestaan clustermunitie aan een andere Staat die Partij is over te dragen ten behoeve van vernietiging of ten behoeve van de in het zesde lid van dit artikel omschreven doeleinden.

8. Staten die Partij zijn die clustermunitie of explosieve submunitie aanhouden, verwerven of overdragen ten behoeve van de in het zesde en zevende lid van dit artikel omschreven doeleinden dienen een gedetailleerd rapport in van het geplande en feitelijke gebruik van deze clustermunitie en explosieve submunitie alsmede hun type, hoeveelheid en partijnummers. Indien clustermunitie of explosieve submunitie ten behoeve van deze doeleinden aan een andere Staat die Partij is wordt overgedragen dient het rapport een verwijzing naar de ontvangende partij te omvatten. Een dergelijk rapport wordt opgesteld voor ieder jaar waarin een Staat die Partij is clustermunitie of explosieve submunitie aanhoudt, verwerft of overdraagt en dient uiterlijk 30 april van het daaropvolgende jaar bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties te worden ingediend.

Artikel 4 Ruiming en vernietiging van resten van clustermunitie en voorlichting op het gebied van risicobeperking

1. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe resten van clustermunitie in door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te ruimen en te vernietigen of de ruiming en vernietiging ervan te waarborgen op de navolgende wijze:

  1. Wanneer resten van clustermunitie zich bevinden in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen op de datum waarop het Verdrag voor die Staat die Partij is in werking treedt, dienen de ruiming en vernietiging zo spoedig mogelijk te worden voltooid, evenwel uiterlijk tien jaar na deze datum;
  2. Wanneer, nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, clustermunitie resten van clustermunitie is geworden die zich bevinden in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, dienen de ruiming en vernietiging zo spoedig mogelijk te worden voltooid, evenwel uiterlijk tien jaar na het beëindigen van de daadwerkelijke vijandigheden gedurende welke dergelijke clustermunitie resten van clustermunitie werd; en
  3. Na het nakomen van een van de in de onderdelen a en b van dit lid vervatte verplichtingen, legt de Staat die Partij is een verklaring van naleving af aan de volgende Vergadering van de Staten die Partij zijn.

2. Bij het nakomen van zijn verplichtingen ingevolge het eerste lid van dit artikel, neemt elke Staat die Partij is zo spoedig mogelijk de volgende maatregelen en houdt daarbij rekening met de bepalingen van artikel 6 van dit Verdrag inzake internationale samenwerking en bijstand:

  1. het onderzoeken, vaststellen en vastleggen van het gevaar dat gevormd wordt door resten van clustermunitie, waarbij al het mogelijke wordt gedaan om alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te identificeren;
  2. het vaststellen van en prioriteiten toekennen aan behoeften in termen van markering, burgerbescherming, ruiming en vernietiging en het nemen van stappen om middelen vrij te maken en een nationaal plan te ontwikkelen om deze activiteiten uit te voeren, daarbij gebruikmakend, wanneer van toepassing, van bestaande structuren, ervaringen en methoden;
  3. het nemen van alle mogelijke stappen om te waarborgen dat alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen worden gemarkeerd, gemonitord en met hekken of andere middelen worden afgezet teneinde ervoor te zorgen dat deze gebieden onmogelijk door burgers kunnen worden betreden. Bij het markeren van gebieden ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat zij gevaarlijk zijn dienen waarschuwingsborden te worden gebruikt op basis van markeringsmethoden die voor de getroffen gemeenschap gemakkelijk herkenbaar zijn. Borden en andere markeringen van de omtrek van gevaarlijke gebieden dienen voor zover mogelijk zichtbaar, leesbaar, duurzaam en tegen omgevingsinvloeden bestand te zijn en dienen duidelijk te maken aan welke zijde van de gemarkeerde grens het door clustermunitie getroffen gebied ligt en welke zijde als veilig wordt beschouwd;
  4. het ruimen en vernietigen van alle resten van clustermunitie in de gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen; en
  5. het geven van voorlichting op het gebied van risicobeperking om de burgers die in of in de nabijheid van door clustermunitie getroffen gebieden wonen bewust te maken van de gevaren van dergelijke resten.

3. Bij het uitvoeren van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde activiteiten, houdt elke Staat die Partij is rekening met de internationale normen, met inbegrip van de International Mine Action Standards (internationale normen met betrekking tot mijnen).

4. Dit lid is van toepassing in gevallen waarin clustermunitie door een Staat die Partij is is gebruikt of is achtergelaten voordat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking trad en resten van clustermunitie is geworden die zich bevinden in gebieden die onder de rechtsmacht of zeggenschap vallen van een andere Staat die Partij is op het moment waarop dit Verdrag voor laatstgenoemde Staat in werking trad.

  1. In dergelijke gevallen wordt de eerstgenoemde Staat die Partij is, nadat dit Verdrag voor beide Staten die Partij zijn in werking is getreden, ten zeerste aangemoedigd de laatstgenoemde Staat die Partij is onder andere technische, financiële, materiële en personele ondersteuning te bieden, hetzij bilateraal, hetzij door een door beide partijen overeengekomen derde partij, waaronder via de organen van de Verenigde Naties of andere relevante organisaties, teneinde het markeren, ruimen en vernietigen van dergelijke resten van clustermunitie te vergemakkelijken.
  2. Dergelijke ondersteuning omvat, wanneer beschikbaar, informatie over de typen en hoeveelheden clustermunitie die zijn gebruikt, nauwkeurige locaties van clustermunitie-inslagen en gebieden waarvan bekend is dat er zich resten van clustermunitie bevinden.

5. Indien een Staat die Partij is meent niet in staat te zijn binnen tien jaar nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden de in het eerste lid van dit artikel bedoelde resten van clustermunitie te ruimen en te vernietigen of de ruiming en vernietiging ervan te waarborgen, kan hij een verzoek indienen bij de Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie voor een verlenging van de uiterste termijn voor het voltooien van de ruiming en vernietiging van dergelijke resten van clustermunitie met een tijdvak van ten hoogste vijf jaar. De gevraagde verlenging mag het aantal jaren dat deze Staat die Partij is strikt genomen nodig heeft om aan zijn verplichtingen ingevolge van het eerste lid van dit artikel te voldoen niet overschrijden.

6. Een verzoek om verlenging dient te worden ingediend bij een Vergadering van de Staten die Partij zijn of bij een Toetsingsconferentie voordat het in het eerste lid van dit artikel genoemde tijdvak voor die Staat die Partij is verstrijkt. Elk verzoek dient ten minste negen maanden voor aanvang van de Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie waarop het verzoek wordt besproken te worden ingediend. Elk verzoek dient het volgende te omvatten:

  1. de duur van de voorgestelde verlenging;
  2. een gedetailleerde uitleg van de redenen voor de voorgestelde verlenging, met inbegrip van de financiële en technische middelen waarover de Staat die Partij is kan beschikken en die hij nodig heeft voor de ruiming en vernietiging van alle resten van clustermunitie gedurende de voorgestelde verlenging;
  3. de voorbereiding van toekomstige werkzaamheden en de stand van de reeds uitgevoerde werkzaamheden in het kader van nationale (mijn) ruimingsprogramma’s gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde eerste tijdvak van tien jaar en eventuele verlengingen daarna;
  4. het totale gebied waar zich op het tijdstip waarop dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking trad resten van clustermunitie bevonden en eventuele aanvullende gebieden met resten van clustermunitie die na de inwerkingtreding zijn ontdekt;
  5. het totale gebied met resten van clustermunitie dat sinds de inwerkingtreding van dit Verdrag is geruimd;
  6. het totale gebied met resten van clustermunitie dat gedurende de voorgestelde verlenging nog dient te worden geruimd;
  7. de omstandigheden die de Staat die Partij is hebben belet alle resten van clustermunitie in de gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te vernietigen gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde eerste tijdvak van tien jaar en de omstandigheden die mogelijk een beletsel vormen tijdens de voorgestelde verlenging;
  8. de humanitaire, sociale, economische en milieugevolgen van de voorgestelde verlenging; en
  9. alle overige informatie die voor de aanvraag van de voorgestelde verlenging relevant is.

7. De Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie, rekening houdend met de in het zesde lid van dit artikel bedoelde factoren,waaronder de gerapporteerde hoeveelheden resten van clustermunitie, beoordeelt het verzoek en besluit met een meerderheid van de stemmen van de Staten die Partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen of de verlenging wordt toegestaan. De Staten die Partij zijn kunnen besluiten een kortere verlenging toe te staan dan die waarom werd verzocht en kunnen benchmarks voor de verlenging voorstellen, al naargelang van toepassing.

8. Na indiening van een nieuw verzoek, in overeenstemming met het vijfde, zesde en zevende lid van dit artikel, kan nogmaals een verlenging worden toegestaan van ten hoogste vijf jaar. Het door een Staat die Partij is ingediende verzoek om aanvullende verlenging dient te worden vergezeld van relevante aanvullende informatie over hetgeen is ondernomen tijdens de vorige verlenging die ingevolge dit artikel werd toegestaan.

Artikel 5 Slachtofferhulp

1. Elke Staat die Partij is verleent slachtoffers van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, in overeenstemming met het van toepassing zijnde internationale humanitaire recht en het internationale recht inzake de mensenrechten, op adequate wijze hulp die toegesneden is op de leeftijd en het geslacht van de slachtoffers, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en draagt zorg voor hun maatschappelijke en economische integratie. Elke Staat die Partij is, stelt alles in het werk om betrouwbare relevante gegevens te verzamelen met betrekking tot slachtoffers van clustermunitie.

2. Bij het nakomen van zijn verplichtingen ingevolge het eerste lid van dit artikel onderneemt elke Staat die Partij is het volgende:

  1. vaststellen van de behoeften van slachtoffers van clustermunitie;
  2. ontwikkelen, ten uitvoer brengen en handhaven van de nodige nationale wetten en beleidsmaatregelen;
  3. uitwerken van een nationaal plan en budget, met inbegrip van tijdpaden om deze activiteiten uit te voeren, met het oog op de opname ervan in bestaande nationale kaders en mechanismen met betrekking tot handicaps, ontwikkeling en mensenrechten, waarbij de specifieke rol en bijdrage van de relevante actoren worden gerespecteerd;
  4. nemen van stappen om nationale en internationale middelen vrij te maken;
  5. voorkomen van discriminatie jegens of tussen slachtoffers van clustermunitie of onderscheid tussen slachtoffers van clustermunitie en personen die door andere oorzaken gewond of gehandicapt zijn geraakt; verschillen in behandeling dienen uitsluitend gebaseerd te zijn op medische, psychologische of sociaaleconomische behoeften of behoeften op het gebied van revalidatie;
  6. nauw overleg voeren met slachtoffers van clustermunitie en hen en hun vertegenwoordigende organisaties actief betrekken;
  7. aanwijzen van een aanspreekpunt binnen de overheid voor het coördineren van de zaken die verband houden met de uitvoering van dit artikel; en
  8. streven naar het opnemen van relevante richtlijnen en goede praktijken in onder meer gebieden als medische zorg, revalidatie en psychologische ondersteuning alsmede maatschappelijke en economische integratie.

Artikel 6 Internationale samenwerking en bijstand

1. Bij de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag heeft elke Staat die Partij is het recht bijstand te vragen en te ontvangen.

2. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent technische, materiële en financiële bijstand aan de Staten die Partij zijn die zijn getroffen door clustermunitie, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, nietgouvernementele organisaties of instellingen, of op bilaterale basis.

3. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe een zo ruim mogelijke uitwisseling van uitrusting en wetenschappelijke en technologische informatie inzake de toepassing van dit Verdrag te bevorderen en heeft het recht te participeren in een dergelijke uitwisseling. De Staten die Partij zijn leggen geen onredelijke beperkingen op inzake het leveren en ontvangen van uitrusting voor het ruimen en andere soortgelijke uitrusting en daarmee verband houdende technologische informatie voor humanitaire doeleinden.

4. In aanvulling op de mogelijke verplichtingen uit hoofde van het vierde lid van artikel 4 van dit Verdrag, verleent elke Staat die Partij is en daartoe in staat is bijstand bij het ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie en informatie inzake diverse middelen en technieken voor het ruimen van clustermunitie, alsmede lijsten van deskundigen, gespecialiseerde organisaties of nationale contactpunten inzake het ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie en daarmee verband houdende activiteiten.

5. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand ten behoeve van de vernietiging van voorraden clustermunitie en verleent tevens bijstand bij het identificeren en vaststellen van en prioriteiten toekennen aan behoeften en praktische maatregelen op het gebied van markering, voorlichting op het gebied van risicobeperking, burgerbescherming en ruiming en vernietiging als voorzien in artikel 4 van dit Verdrag.

6. Wanneer, na de inwerkingtreding van dit Verdrag, clustermunitie resten van clustermunitie is geworden in gebieden die onder de rechtsmacht of zeggenschap vallen van een Staat die Partij is, verleent elke Staat die Partij is en daartoe in staat is onmiddellijk noodhulp aan de getroffen Staat die Partij is.

7. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand bij de tenuitvoerlegging van de in artikel 5 van dit Verdrag bedoelde verplichtingen inzake het op adequate wijze verlenen van op leeftijd en geslacht toegesneden hulp, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en het zorg dragen voor de maatschappelijke en economische integratie van slachtoffers van clustermunitie. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, nationale afdelingen van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan of de internationale federatie van deze organisaties, niet-gouvernementele organisaties, of op bilaterale basis.

8. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand teneinde bij te dragen aan het economisch en maatschappelijk herstel dat nodig is als gevolg van het gebruik van clustermunitie in de getroffen Staten die Partij zijn.

9. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, kan bijdragen aan relevante trustfondsen teneinde het verlenen van bijstand uit hoofde van dit artikel te vergemakkelijken.

10. Elke Staat die Partij is en bijstand vraagt en ontvangt, neemt alle passende maatregelen om de tijdige en doeltreffende uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, met inbegrip van het vergemakkelijken van de binnenkomst en het vertrek van personeel, materieel en uitrusting, op een wijze die in overeenstemming is met de nationale wet- en regelgeving, rekening houdend met internationale best practices.

11. Elke Staat die Partij is kan, met het oog op het uitwerken van een nationaal actieplan, een verzoek richten tot de organen van de Verenigde Naties, regionale organisaties, andere Staten die Partij zijn of andere deskundige intergouvernementele of niet-gouvernementele instellingen om zijn autoriteiten bij te staan bij het vaststellen van onder andere:

  1. de aard en de omvang van de resten van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen;
  2. de financiële en technologische middelen en mankracht die nodig zijn voor de uitvoering van het plan;
  3. de geschatte tijd die nodig is om alle resten van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te ruimen en te vernietigen;
  4. voorlichtingsprogramma’s op het gebied van risicobeperking en bewustwordingsactiviteiten om het aantal door resten van clustermunitie veroorzaakte gewonden en doden terug te dringen;
  5. hulp aan slachtoffers van clustermunitie; en
  6. de betrekkingen op het gebied van coördinatie tussen de regering van de desbetreffende Staat die Partij is en de betrokken gouvernementele, intergouvernementele of niet-gouvernementele instanties die meewerken aan de uitvoering van het plan.

12. Staten die Partij zijn en bijstand verlenen en ontvangen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel werken samen teneinde zorg te dragen voor de volledige en onverwijlde uitvoering van de overeengekomen bijstandprogramma’s.

Artikel 7 Maatregelen ten behoeve van transparantie

1. Elke Staat die Partij is brengt verslag uit aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zodra dit praktisch uitvoerbaar is en in elk geval niet later dan 180 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, inzake:

  1. de in artikel 9 van dit Verdrag bedoelde nationale uitvoeringsmaatregelen;
  2. het totale aantal van alle clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van dit Verdrag, met inbegrip van een uitsplitsing naar type, hoeveelheid en, indien mogelijk, partijnummers van elk type;
  3. de technische kenmerken van elk type clustermunitie dat, voor zover bekend, geproduceerd is door die Staat die Partij is voordat dit Verdrag voor hem in werking trad en van elk type clustermunitie dat momenteel eigendom of in bezit is van die Staat die Partij is, waarbij, indien redelijkerwijs mogelijk, de nodige informatie wordt verstrekt ter vergemakkelijking van de identificatie en ruiming van clustermunitie; deze informatie dient minimaal te bestaan uit de afmetingen, ontstekingsmechanismen, explosieve inhoud, inhoud aan metalen, kleurenfoto’s en andere gegevens die het ruimen van resten van clustermunitie kunnen vergemakkelijken;
  4. de stand en voortgang van de programma’s voor de conversie of buitengebruikstelling van productiefaciliteiten voor clustermunitie;
  5. de stand en voortgang van programma’s voor de vernietiging, in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag, van clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, met nauwkeurige informatie over de te gebruiken vernietigingsmethoden, de ligging van alle vernietigingslocaties en de toepasselijke veiligheids- en milieunormen die in acht dienen te worden genomen;
  6. de typen en hoeveelheden clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, die in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag zijn vernietigd, met inbegrip van nauwkeurige informatie over de gebruikte vernietigingsmethoden, de ligging van de vernietigingslocaties en de toepasselijke veiligheids- en milieunormen die in acht zijn genomen;
  7. de voorraden clustermunitie, met inbegrip van explosieve submunities, ontdekt na melding van de voltooiing van het in onderdeel e van dit lid bedoelde programma, alsmede plannen voor de vernietiging daarvan in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag;
  8. voor zover mogelijk, de omvang en locatie van alle door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, met inbegrip van zo nauwkeurig mogelijke informatie betreffende het type en aantal van elk type restant van clustermunitie in elk getroffen gebied en het tijdstip waarop zij zijn gebruikt;
  9. de stand en voortgang van programma’s voor het ruimen en vernietigen van alle typen en hoeveelheden resten van clustermunitie die zijn geruimd en vernietigd in overeenstemming met artikel 4 van dit Verdrag, met inbegrip van de omvang en locatie van het door clustermunitie getroffen gebied dat is geruimd en een uitsplitsing naar de hoeveelheid van elk type restant van clustermunitie dat is geruimd en vernietigd;
  10. de maatregelen die genomen zijn om voorlichting over risicobeperking te geven en in het bijzonder om de burgers die wonen in door clustermunitie getroffen gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen onverwijld en op doeltreffende wijze te waarschuwen;
  11. de stand en voortgang van de uitvoering van zijn verplichtingen ingevolge artikel 5 van dit Verdrag inzake het verlenen van op leeftijd en geslacht toegesneden hulp aan slachtoffers van clustermunitie, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, het zorg dragen voor hun maatschappelijke en economische integratie en het verzamelen van betrouwbare relevante gegevens over slachtoffers van clustermunitie;
  12. de naam en contactgegevens van de instellingen die bevoegd zijn informatie te verstrekken en de in dit lid beschreven maatregelen uit te voeren;
  13. de omvang van de nationale middelen, financieel, materieel of in natura, die zijn bestemd voor de uitvoering van de artikelen 3, 4 en 5 van dit Verdrag; en
  14. de omvang, soorten en bestemmingen van de internationale samenwerking en bijstand die uit hoofde van artikel 6 van dit Verdrag worden geleverd.

2. De overeenkomstig het eerste lid van dit artikel verstrekte informatie wordt jaarlijks bijgewerkt door de Staten die Partij zijn en heeft betrekking op het voorgaande kalenderjaar; de informatie wordt uiterlijk op 30 april van elk jaar ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

3. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet alle ontvangen rapporten toekomen aan de Staten die Partij zijn.

Artikel 8 Vergemakkelijking en opheldering met betrekking tot de naleving

1. De Staten die Partij zijn komen overeen met elkaar overleg te plegen en samen te werken met betrekking tot de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag en zich gezamenlijk in een geest van samenwerking in te spannen voor de vergemakkelijking van de naleving van de verplichtingen die uit hoofde van dit Verdrag rusten op de Staten die Partij zijn.

2. Indien een of meer Staten die Partij zijn kwesties met betrekking tot de naleving van de bepalingen van dit Verdrag door een andere Staat die Partij is, wensen op te helderen en op te lossen, kunnen zij via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties bij die Staat die Partij is, een verzoek om opheldering daarvan indienen. Een dergelijk verzoek dient vergezeld te gaan van alle relevante informatie. Elke Staat die Partij is, onthoudt zich van het indienen van ongegronde verzoeken om opheldering en zorgt ervoor dat er geen misbruik gemaakt wordt. Een Staat die Partij is en een verzoek om opheldering ontvangt, levert, via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, binnen 28 dagen aan de verzoekende Staat die Partij is alle informatie die kan bijdragen aan de opheldering van de zaak.

3. Indien de verzoekende Staat die Partij is niet binnen die termijn een antwoord heeft ontvangen via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, of oordeelt dat het antwoord op het verzoek om opheldering onbevredigend is, kan hij de zaak via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voorleggen aan de eerstvolgende Vergadering van de Staten die Partij zijn. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet dit verzoek tot voorlegging tezamen met alle op het verzoek om opheldering betrekking hebbende relevante informatie toekomen aan alle Staten die Partij zijn. Al deze informatie wordt aan de aangezochte Staat die Partij is voorgelegd, die het recht heeft hierop te antwoorden.

4. Hangende de bijeenroeping van een Vergadering van de Staten die Partij zijn, kan elk van de betrokken Staten die Partij zijn de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzoeken zijn of haar goede diensten te verlenen ter vergemakkelijking van de gevraagde opheldering.

5. Wanneer een zaak uit hoofde van het derde lid van dit artikel aan haar is voorgelegd, stelt de Vergadering van de Staten die Partij zijn eerst vast of deze zaak verder zal worden bestudeerd, rekening houdend met alle informatie die is voorgelegd door de betrokken Staten die Partij zijn. Indien de Vergadering van de Staten die Partij zijn besluit dat verdere bestudering noodzakelijk is, kan zij de betrokken Staten die Partij zijn maatregelen en middelen voorstellen om de zaak in kwestie verder te verhelderen of op te lossen, met inbegrip van het initiëren van passende procedures in overeenstemming met het internationale recht. Wanneer wordt vastgesteld dat het probleem in kwestie te wijten is aan omstandigheden buiten de macht van de aangezochte Staat die Partij is, kan de Vergadering van de Staten die Partij zijn passende maatregelen aanbevelen, met inbegrip van de in artikel 6 van dit Verdrag bedoelde samenwerkingsmaatregelen.

6. Naast de in het tweede tot en met vijfde lid van dit artikel voorziene procedures kan de Vergadering van de Staten die Partij zijn besluiten tot het aannemen van door haar passend geachte andere algemene procedures of specifieke mechanismen voor opheldering met betrekking tot de naleving, met inbegrip van feiten, en oplossing van zaken van niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 9 Nationale uitvoeringsmaatregelen

Elke Staat die Partij is neemt alle passende wettelijke, administratieve en andere maatregelen om dit Verdrag uit te voeren, met inbegrip van het opleggen van strafrechtelijke sancties, teneinde het ondernemen van ingevolge dit Verdrag voor een Staat die Partij is verboden activiteiten door personen die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen of op grondgebied dat onder zijn rechtsmacht of zeggenschap valt, te voorkomen
en tegen te gaan.

Artikel 10 Beslechting van geschillen

1. Indien tussen twee of meer Staten die Partij zijn een geschil rijst met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag plegen de betrokken Staten die Partij zijn met elkaar overleg teneinde het geschil snel te beslechten door middel van onderhandeling of op een andere door hen te kiezen vreedzame wijze, met inbegrip van een beroep op de Vergadering van de Staten die Partij zijn en aanhangigmaking bij het Internationaal Gerechtshof overeenkomstig het Statuut van het Hof.

2. De Vergadering van de Staten die Partij zijn kan met alle door haar nodig geachte middelen een bijdrage leveren aan de beslechting van het geschil, met inbegrip van het aanbod tot het verlenen van goede diensten, het oproepen van de desbetreffende Staten die Partij zijn aan te vangen met de procedure van hun keuze voor de beslechting en het aanbevelen van een termijn voor een overeengekomen procedure.

Artikel 11 Vergaderingen van de Staten die Partij zijn

1. De Staten die Partij zijn komen regelmatig in vergadering bijeen teneinde zaken te bestuderen en, waar noodzakelijk, besluiten te nemen die betrekking hebben op de toepassing of uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van:

  1. het functioneren en de stand van dit Verdrag;
  2. zaken die voortkomen uit de rapporten die ingevolge de bepalingen van dit Verdrag worden ingediend;
  3. internationale samenwerking en bijstand in overeenstemming met artikel 6 van dit Verdrag;
  4. de ontwikkeling van technologieën voor het ruimen van resten van clustermunitie;
  5. de door de Staten die Partij zijn ingediende verzoeken ingevolge de artikelen 8 en 10 van dit Verdrag; en
  6. verzoeken van de Staten die Partij zijn zoals voorzien in de artikelen 3 en 4 van dit Verdrag.

2. De eerste Vergadering van Staten die Partij zijn wordt binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De volgende vergaderingen worden door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties jaarlijks bijeengeroepen, tot aan de eerste Toetsingsconferentie.

3. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaanverenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd deze vergaderingen als waarnemers bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen Reglement van Orde.

Artikel 12 Toetsingsconferenties

1. Vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag roept de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een Toetsingsconferentie bijeen. Volgende Toetsingsconferenties worden door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties bijeengeroepen op verzoek daartoe door een of meer Staten die Partij zijn, met dien verstande dat het tijdvak tussen de toetsingsconferenties in geen geval korter mag zijn dan vijf jaar. Alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag worden uitgenodigd voor elke Toetsingsconferentie.

2. Het doel van de Toetsingsconferentie is:

  1. het toetsen van het functioneren en de stand van dit Verdrag;
  2. het bespreken van de behoefte aan en het tijdvak tussen de in artikel 11, tweede lid, van dit Verdrag bedoelde volgende Vergaderingen van de Staten die Partij zijn;
  3. het nemen van beslissingen ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 van dit Verdrag bedoelde ingediende verzoeken door Staten die Partij zijn.

3. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaanverenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd elke Toetsingsconferentie als waarnemer bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen Reglement van Orde.

Artikel 13 Wijzigingen

1. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan iedere Staat die Partij is te allen tijde voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag. Elk voorstel tot wijziging wordt ingediend bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die het toezendt aan alle Staten die Partij zijn en die hun mening vraagt ten aanzien van de noodzaak een Wijzigingsconferentie bijeen te roepen teneinde het voorstel in behandeling te nemen. Indien een meerderheid van de Staten die Partij zijn de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties uiterlijk 90 dagen na de toezending van het voorstel meedeelt dat zij verdere behandeling steunt, roept de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een Wijzigingsconferentie bijeen, waarvoor alle Staten die Partij zijn worden uitgenodigd.

2. Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, alsmede de Verenigde Naties, andere relevante internationale organisaties of instellingen, regionale organisaties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halvemaanverenigingen en relevante niet-gouvernementele organisaties kunnen worden uitgenodigd elke Wijzigingsconferentie als waarnemer bij te wonen, in overeenstemming met het aangenomen Reglement van Orde.

3. De Wijzigingsconferentie wordt gehouden onmiddellijk na een Vergadering van de Staten die Partij zijn of na een Toetsingsconferentie, tenzij een meerderheid van de Staten die Partij zijn verzoekt dat zij eerder wordt gehouden.

4. Elke wijziging van dit Verdrag wordt aangenomen met een tweederdemeerderheid van de op de Wijzigingsconferentie aanwezige en hun stem uitbrengende Staten die Partij zijn. De Depositaris doet van elke aldus aangenomen wijziging mededeling aan de Staten die Partij zijn.

5. Een wijziging van dit Verdrag treedt ten aanzien van alle Staten die Partij zijn die deze wijziging hebben aanvaard in werking op de datum van nederlegging van de akte van aanvaarding door een meerderheid van de Staten die Partij zijn op de datum van aanneming van de wijziging. Vervolgens treedt zij ten aanzien van elke andere Staat die Partij is in werking op de datum van nederlegging van zijn akte van aanvaarding.

Artikel 14 Kosten en administratieve taken

1. De kosten van de Vergaderingen van Staten die Partij zijn, de Toetsingsconferenties en de Wijzigingsconferenties worden gedragen door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en door de daaraan deelnemende Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, in overeenstemming met de dienovereenkomstig aangepaste verdeelsleutel van de Verenigde Naties.

2. De door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ingevolge de artikelen 7 en 8 van dit Verdrag gemaakte kosten worden gedragen door de Staten die Partij zijn, in overeenstemming met de dienovereenkomstig aangepaste verdeelsleutel van de Verenigde Naties.

3. Het uitvoeren door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van de aan hem of haar ingevolge dit Verdrag toegewezen administratieve taken is onder voorbehoud van een passend mandaat van de Verenigde Naties.

Artikel 15 Ondertekening

Dit Verdrag, gedaan te Dublin op 30 mei 2008, staat voor alle Staten op 3 december 2008 open ter ondertekening te Oslo en vervolgens op het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York tot de inwerkingtreding ervan.

Artikel 16 Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding

1. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Ondertekenaars.

2. Dit Verdrag staat open voor toetreding door elke Staat die het Verdrag niet heeft ondertekend.

3. De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Depositaris.

Artikel 17 Inwerkingtreding

1. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand waarin de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is nedergelegd.

2. Voor elke Staat die zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nederlegt na de datum van de nederlegging van de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de zesde maand na de datum waarop die Staat zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft nedergelegd.

Artikel 18 Voorlopige toepassing

Elke Staat kan ten tijde van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat hij, hangende de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van die Staat, artikel 1 van dit Verdrag voorlopig toepast.

Artikel 19 Voorbehouden

Er kunnen ten aanzien van de artikelen van dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt.

Artikel 20 Duur en opzegging

1. Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

2. Elke Staat die Partij is heeft bij de uitoefening van zijn nationale soevereiniteit het recht dit Verdrag op te zeggen. Hij geeft kennis van een dergelijke opzegging aan alle andere Staten die Partij zijn, de Depositaris en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Deze akte van opzegging dient een volledige uiteenzetting te bevatten van de redenen voor de opzegging.

3. Een dergelijke opzegging wordt niet eerder van kracht dan zes maanden na de ontvangst van de akte van opzegging door de Depositaris. Indien evenwel na afloop van dat tijdvak van zes maanden de opzeggende Staat die Partij is betrokken is bij een gewapend conflict, wordt de opzegging niet van kracht voordat het gewapend conflict beëindigd is.

Artikel 21 Betrekkingen met Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag

1. Elke Staat die Partij is moedigt Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag aan dit Verdrag te bekrachtigen, te aanvaarden, goed te keuren of ertoe toe te treden, met als doel de participatie van alle Staten bij dit Verdrag te verkrijgen.

2. Elke Staat die Partij is stelt de regeringen van alle in het derde lid van dit artikel bedoelde Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag in kennis van zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag, bevordert de normen die erin zijn vastgelegd en spant zich tot het uiterste in Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag te weerhouden van het gebruik van clustermunitie.

3. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 van dit Verdrag en in overeenstemming met het internationale recht, kunnen de Staten die Partij zijn hun militair personeel of hun onderdanen, op militair gebied samenwerken en militaire operaties uitvoeren met Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag die mogelijk deelnemen aan activiteiten die verboden zijn voor een Staat die Partij is.

4. Niets in het derde lid van dit artikel geeft een Staat die Partij is het recht:

  1. clustermunitie te ontwikkelen, te produceren of anderszins te verwerven;
  2. zelf voorraden clustermunitie aan te leggen of clustermunitie over te dragen;
  3. zelf clustermunitie te gebruiken; of
  4. uitdrukkelijk om het gebruik van clustermunitie te verzoeken in gevallen waarin de keuze van de te gebruiken munitie uitsluitend bij hem ligt.

Artikel 22 Depositaris

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt hierbij aangewezen als Depositaris van dit Verdrag.

Artikel 23 Authentieke teksten

De Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.